Het is voor de Vlamingen een afschuwelijke samenloop van omstandigheden
dat België in deze oorlog aan de zijde van Frankrijk staat. Fransche
invloeden te bestrijden is hun levenstaak en zij maken deel uit van een
staat die ze bevordert. Maar voor Nederland is het een zegen dat de
duitsche invloeden worden opgewogen door de fransche. Zuid-Nederlanders,
in deze oorlog duitsche belangen bevorderend, bevorderen zeker niet die
van Nederland in zijn geheel. Hierin ligt voor ons niet een reden om
de Vlaamsche strijd af te keuren. Integendeel achten wij hem goed en
noodzakelijk, en zijn we van meening dat hij, zoowel tijdens als na de
oorlog, zal moeten gevoerd worden. Maar niet door zich te wenden tegen
België; niet door dientengevolge steun te verleenen aan Duitschland;
niet door de beschavingsbelangen te schaden van Grooter Nederland.
Het is voor Nederland van het hoogste belang dat de vrijer geest van
Westelijk Europa niet door de duitsche tuchting overvleugeld wordt,
dat deze landen aan de zee noch van de latijnsche beschaving worden
afgesloten, noch gericht tegen de angelsaksische. Door de gevorderdheid
van onze beschaving, door de wijze waarop verschillende buitenlandsche
faktoren daarin vervlochten zijn met de inheemsche, door onze
overlevering en onze zeden, behooren wij veel meer tot het westelijk
volken-geheel dan tot het midden-europeesche. Ondanks onze liefde voor
Duitschland, ondanks de wenschelijkheid dat Vlaanderen vlaamsch en
niet waalsch zij, zouden wij het een ramp achten als Duitschland in
West-Europa meester werd. Een dichter als Mr. Dr. Labberton moge in
Pruisen de zedelijke held van zijn droomen zien,—sommige staatslieden
mogen, uit vaderlandsche vrees voor het republikeinsche Frankrijk, een
vlaamsch bolwerk begeerlijk vinden,—wij deelen noch deze bezorgdheid
noch die bewondering.
Wij meenen daarenboven—maar hieromtrent het oordeel latend aan de
Vlamingen—dat in een hersteld België het aantal Nederlanders groot
genoeg zal zijn om zich de behandeling te waarborgen waarop ze recht
hebben; dat zij maar weinig gebaat zouden zijn door bij voorbaat
afgedwongen beloften; dat de poging om ze af te dwingen even vruchteloos
zal blijken als ze gevaarlijk is.
X
Temidden van de beschaafde wereld leeft een volk dat tevens een leger
is. Dat leger deelt niet enkel de zonden van alle legers, maar het wordt
bestuurd door een leer en een wetgeving die onvereenigbaar zijn met het
volkenrecht.