Alles tezamengenomen bestaat er tusschen de houding die Carl Spitteler,
de duitsche Zwitser en die welke nederlandsche woordvoerders ten
opzichte van Duitschland aannemen een duidelijke overeenkomst.
Voorzoover wij onderdanen van staten zijn, wenschen wij naar _alle_
zijden een gewapende onzijdigheid. Maar als vaderlanders, en voorzoover
wij deelnemen aan een algemeen gedachteleven, voelen wij ons in verweer
tegen de aanvallende beweging van duitsche denkbeelden. Dat een duitsch
Zwitser, een man wiens gedichten in Jena gedrukt en in Duitschland
rijkelijk bewonderd worden, dit verweer even noodzakelijk vindt als wij,
bewijst ons dat die aanvallende beweging geen nederlandsche fictie is,
maar een ook elders voelbare werkelijkheid. Staatkundig-onzijdig—want
deze onzijdigheid is een staatkundig begrip en geen menschelijk—hebben
wij daarom wel degelijk partij gekozen, niet ten aanval, maar ter
verdediging van onze vaderlandsche eigenheid en van die algemeener
menschelijkheid die we in gevaar achten. Wanneer wij die menschelijkheid
voelen aangerand door onze zuid-afrikaansche vrienden, dan spreken
wij het uit. Wanneer wij—en dit is vaker het geval geweest—onze
menschelijkheid en onze eigenheid door duitsche vrienden voelen
beleedigd, dan verweren we ons. Zoo doende weten wij dat wij niet alleen
onszelf verdedigen, maar ook het betere deel van die vrienden. Wat zij
vóór de oorlog haatten en minachtten, en na de oorlog niet zullen eeren,
dat wijzen wij af, en wij houden hoog wat zij zelf in hun hart
liefhebben.
Wij vergeten nooit dat de oorlog voorbijgaand is; maar niet voorbijgaand
zijn de naties, en de menschelijkheid die we gemeen hebben.
Vergeten doen wij ook niet: noch de bewondering, noch de bescheidenheid.
Wij hebben bewezen dat wij niet ten achter zijn gebleven in het
bewonderen van duitsche deugden en duitsche schoonheid, nu zoo min
als voor jaren. Wij hopen ook dat wij niet tekort zijn gekomen in
bescheidenheid. De bescheidenheid namelijk, die aan ons, als daadlooze
toeschouwers bij het strijden en lijden van anderen, eigen moet zijn.
Wij blijven volkomen indachtig, wat Spitteler uitspreekt: „Vor Allem
nur ja keine Ueberlegenheitstöne! Keine Abkanzeleien! Dass wir als
Unbeteiligte manches klarer sehen, richtiger beurteilen als die in
Kampfesleidenschaft Befangenen versteht sich von selber. Das ist ein
Vorteil der Stellung, nicht ein geistiger Vorzug.”
Ook zijn wij bereid ons met hem te verontschuldigen:
„„Entschuldigung? Wofür?” Wer jemals an einem Krankenbett gestanden
weiss wofür. Für einen fühlenden Menschen bedarf es der Entschuldigung,
dass er sich des Wohlbefindens erfreut, während andere leiden.”