Ik zag onlangs in een literarisch nieuwsblad een berekening waaruit
bleek dat in Augustus 1914 anderhalf millioen duitsche gedichten
geschreven zijn, waarvan ongeveer drieduizend gedrukt werden. Ik zag
daaruit tevens een zeer kleine keus—tien of twintig—die de redaktie
van het blad de allerbeste achtte. Er was daarbij niets goeds. Voor de
dichtkunst was klaarblijkelijk het eerste gevolg van de oorlog een
zondvloed van slechte verzen.
De ware dichters, zij die te allen tijde de ziel van hun volk
uitdrukken, moeten al zeer spoedig hebben ingezien dat er een
onderscheid is tusschen ziel en opgewondenheid. De innerlijke eenheid
met hun volk, die zij van huis uit bezaten, moest niet verward worden
met een uiterlijke eenheid, die ten slotte de eenheid was van een aan
hen en aan de poëzie vijandige menigte.
Er kwam nog iets bij.
De uiterlijke eenheid van een volk is altijd geneigd andere
volkseenheden af te stooten. Omdat zij in de ruimte leeft en niet
in de gedachte, wil zij alle plaats voor zich hebben, erkent andere
grootheden niet langer dan zij er toe genoodzaakt is, en maakt gebruik
van iedere gelegenheid om ze te verkleinen en te vernietigen. De oorlog
is haar wezenlijke levenssfeer, en wanneer die uitbreekt volgt zij door
te bestrijden haar eigenlijke natuur. De innerlijke, de geestelijke
eenheid evenwel, kan dat niet doen, omdat zij in de gedachte leeft en
andere gedachten nevens zich ziet. Zij geniet haar eigen schoonheid
het meest in haar begrenzing door andere. Zij geniet die andere
op zichzelf, spiegelt zich er aan, en verheugt zich als naast haar
levens-mogelijkheden uitbotten die door haar niet kunnen gevormd worden.
In tijden van heftig vaderlandsche gezindheid mogen ook dichters geneigd
zijn, hun poëzie als de beste te prijzen. Maar wanneer het hun met hun
eigen zielsleven ernst is, beseffen zij weldra dat deze zelf-verheffing
niemand anders verarmen kan dan henzelf.
Alleen onberaden literatoren konden het een voordeel voor de
eigenlandsche poëzie achten dat haar vereerders haar de eenige noemden.
In Duitschland was het vergefelijk dat deze overschatting zich bolwerkte
achter sommige inheemsche of oppervlakkige vooroordeelen. Een talrijk
volk minacht licht kleinere, of veroorlooft zich die over het hoofd te
zien. Een groeiend volk laat zich makkelijk vleien door de gedachte dat
andere volken zich overleefd hebben. Vooral deze laatste meening dient
scherp in het oog gevat.
Duitschland is zeer zeker een groeiend volk. Juist daardoor is het, in
menig opzicht, voor andere volken school en voedingsbodem.
Frankrijk en Engeland daarentegen, en ook Nederland, en ook andere
europeesche naties, hebben hun tijd van rijping gehad.
Ik geloof nochtans niet dat zij daarom bij Duitschland achterstaan.
Het is een gedachte die spoedig ontstaat, niet alleen als volken, maar
ook als menschen rijp zijn: dat zij nu hun beste gedaan hebben, dat zij
nu plaats zullen maken voor anderen. Het is ook waar dat de tijd daartoe
eens voor hen komen zal en dat die tijd voor menschen spoedig komt. Voor
volken evenwel al later. Wie zal zeggen wanneer? En zoolang hij er niet
is, prijs ik de groei, maar ik prijs ook de rijpheid.
De poëzie in Europa is juist zoo verrassend rijk en schoon, omdat
zij in sommige landen, eeuwen geleden reeds, tot zoo krachtige
eenheden—wezenlijke volkseenheden—van stam, takken en bladeren
gegroeid is, die met ieder geslacht opnieuw, in een zelfde grondvorm en
met telkens andere bloeipracht, uitbotten,—en daarnevens in enkele,
niet het minst in Duitschland, altijd nog naar zulk een eenheid strééft.
Geen dichters misschien in Europa hebben dit dubbele feit, de
vastgewortelde langs onverwoestelijke lijnen van volksaard en
overlevering groeiende rijpheid van hun buren, en de veelvoudig
bloeiende, van alle zijden spruitende groei bij hen zelf, zoo klaar en
liefhebbend begrepen als de duitsche. Maar ook anderen begrepen het, ook
Engelschen, ook Nederlanders, ook Franschen. De heele nieuwere poëzie
van ons werelddeel, van de achttiende eeuw tot heden, berust op het
kennen en goedkeuren van dat dubbelfeit.
De hedendaagsche duitsche dichters kennen het voortreffelijk. Zij weten
dat hun poëzie niet de eenige is, maar een van de takken waarlangs
het duitsche leven tot eenheid streeft. Zij weten dat de volgroeide
eenheden van andere volken hun schoonheid ook voor hen hebben, zoowel de
verledene, als die van vandaag, en ook de toekomstige. Zij weten dat de
gemeenschap waarin ze met buitenlandsche dichters leven er eene is die
nooit, ook niet door een oorlog, verwoest mag worden.
V
Niemand zal mij verdenken van de lust geestelijke motieven voorbij te
zien, ten einde stoffelijke te kunnen aanwijzen. Maar ik ken geen
grooter fout dan de leuzen van de regeeringen, tevens de begoochelingen
van de volken, te overschatten als geestelijke waarden. Zij zijn het,
in zooverre als zij een kleed van verbeelding weven om eigenbelang en
armoede. Maar de ware geestelijkheid, de werkelijke verbeelding, is niet
een kleed maar een kern.
Indien het waar is dat de Staat in onze dagen makelaar is voor
geldbeleggende landgenooten en het doel van zijn bewapeningen en van
zijn oorlogen verbergt achter de illusies van kortzichtige vaderlanders
en lichtgeloovige humanitairen, dan is het duidelijk dat hij geen
onderwerp van vereering zijn kan voor waarachtige idealisten.
Wie een ideaal heeft is nu eenmaal helderziend voor zijn tegendeel, en
het tegendeel van ieder ideaal is deze bent-bevoordeelende vorm van
schoonschijnend eigenbelang.
Er tegenover staat alles wat heldhaftig en edel is, open en belangeloos.
Evengoed als er scheiding gekomen is tusschen de staat en de
godsdiensten, evengoed moet er dan scheiding komen tusschen de staat en
iedere nobeler levensvorm.
Wij moeten ons dan gewennen in de Staat het Beest te zien, het Onreine,
dat zeker in ons allen is, maar dat wij daarom, ook in onszelf, niet
vereeren.