III

Wij gaan naar de vrede, niet als er in de bevolkingen een drang naar

vrede ontstaat, maar als de regeerders begrijpen dat het geweld niet

langer helpt.

Het eerste teeken van dit inzicht in Duitschland was het gedwongen

aftreden van Von Tirpitz. Toen deze bestuurder van de duitsche zeemacht

de vraag naar een meer of minder van oorlogsgeweld ter sprake bracht,

stemde zijn regeering voor minder, en dit was de eerste duidelijke

daad waarvan de gang naar de vrede dagteekent. Het gevolg ervan zal

onvermijdelijk zijn dat de oorlogzuchtige elementen in het rijk zich

tegen haar keeren en dat zij zal moeten steunen op de vreedzame.

Een tweede teeken was de rede die Bethmann Hollweg 5 April in de

Rijksdag gehouden heeft. Hij noemde vredesvoorwaarden en hij deed dit

nadrukkelijk in antwoord op de voorwaarden die onlangs de engelsche

minister Asquith gesteld had. Het treffende was nu dat zijn eischen,

naar duitsche begrippen, het minste waren wat hij vragen kon. Polen en

de oostzee-provinciën niet weer russisch, België niet onder fransche of

engelsche invloed. Van de vrije zee werd niet gerept. Met verscherping

van de eischen, in geval de vrede niet spoedig tot stand kwam, werd

dit keer niet, zooals een vorige keer, gedreigd. Men moet erkennen dat

Duitschland werkelijk niet veel minder vragen kon zonder toe te geven

dat het overwonnen was. Het spreekt niettemin vanzelf dat het zijn eisch

niet zal zien ingewilligd.

Dat een belangrijk deel van de sociaal-demokratische

volksvertegenwoordigers gemeend heeft zich te moeten afscheiden,

bewijst—zooals zij ook verklaarden—dat de oorlog hun, en met hen een

groot deel van het duitsche volk, als door Duitschland niet gewonnen

en niet winbaar voorkomt. Zij handelen niet, gelijk Liebknecht, als

vredesvrienden en rechtsverdedigers, maar als nuchtere verstandige

kenners van het dagelijksch leven. Het spel is niet langer winbaar,

zeggen ze;—laat ons het opgeven.

Hun overige partijgenooten in de Rijksdag verschillen op dit stuk

misschien niet veel van hen in meening, maar zij zien dat de regeering

naar de vrede gaat en zij willen aan haar zij blijven. Als de

oorlogzuchtiger groepen de eischen door hun uitlegging trachten te

verscherpen, dan kunnen zij ze tot hun oorspronkelijke bedoeling

terugbrengen en als de regeering genoopt zal zijn ze te verzachten, haar

daarbij dienen. Zij denken als Rijksdagleden en willen het voordeel

regeeringspartij te heeten, niet lichtvaardig opgeven. In hun hart

kunnen zij nu dankbaar zijn dat de afgescheiden genooten, en het volk

achter deze, hun een aanleiding verschaffen om de noodzakelijkheid te

betoogen van gematigdheid,—al doen ze dat dan binnenkamers.

Holland en de oorlog · 第 93 / 138 题