Wij gaan naar de vrede, niet als er in de bevolkingen een drang naar
vrede ontstaat, maar als de regeerders begrijpen dat het geweld niet
langer helpt.
Het eerste teeken van dit inzicht in Duitschland was het gedwongen
aftreden van Von Tirpitz. Toen deze bestuurder van de duitsche zeemacht
de vraag naar een meer of minder van oorlogsgeweld ter sprake bracht,
stemde zijn regeering voor minder, en dit was de eerste duidelijke
daad waarvan de gang naar de vrede dagteekent. Het gevolg ervan zal
onvermijdelijk zijn dat de oorlogzuchtige elementen in het rijk zich
tegen haar keeren en dat zij zal moeten steunen op de vreedzame.
Een tweede teeken was de rede die Bethmann Hollweg 5 April in de
Rijksdag gehouden heeft. Hij noemde vredesvoorwaarden en hij deed dit
nadrukkelijk in antwoord op de voorwaarden die onlangs de engelsche
minister Asquith gesteld had. Het treffende was nu dat zijn eischen,
naar duitsche begrippen, het minste waren wat hij vragen kon. Polen en
de oostzee-provinciën niet weer russisch, België niet onder fransche of
engelsche invloed. Van de vrije zee werd niet gerept. Met verscherping
van de eischen, in geval de vrede niet spoedig tot stand kwam, werd
dit keer niet, zooals een vorige keer, gedreigd. Men moet erkennen dat
Duitschland werkelijk niet veel minder vragen kon zonder toe te geven
dat het overwonnen was. Het spreekt niettemin vanzelf dat het zijn eisch
niet zal zien ingewilligd.
Dat een belangrijk deel van de sociaal-demokratische
volksvertegenwoordigers gemeend heeft zich te moeten afscheiden,
bewijst—zooals zij ook verklaarden—dat de oorlog hun, en met hen een
groot deel van het duitsche volk, als door Duitschland niet gewonnen
en niet winbaar voorkomt. Zij handelen niet, gelijk Liebknecht, als
vredesvrienden en rechtsverdedigers, maar als nuchtere verstandige
kenners van het dagelijksch leven. Het spel is niet langer winbaar,
zeggen ze;—laat ons het opgeven.
Hun overige partijgenooten in de Rijksdag verschillen op dit stuk
misschien niet veel van hen in meening, maar zij zien dat de regeering
naar de vrede gaat en zij willen aan haar zij blijven. Als de
oorlogzuchtiger groepen de eischen door hun uitlegging trachten te
verscherpen, dan kunnen zij ze tot hun oorspronkelijke bedoeling
terugbrengen en als de regeering genoopt zal zijn ze te verzachten, haar
daarbij dienen. Zij denken als Rijksdagleden en willen het voordeel
regeeringspartij te heeten, niet lichtvaardig opgeven. In hun hart
kunnen zij nu dankbaar zijn dat de afgescheiden genooten, en het volk
achter deze, hun een aanleiding verschaffen om de noodzakelijkheid te
betoogen van gematigdheid,—al doen ze dat dan binnenkamers.