De moedigste man in Duitschland is nu Liebknecht. Het zou mij niet
verbazen als zijn medeleden van de Rijksdag hem voor waanzinnig hielden.
Zij bespotten en hoonen hem. Zij leggen er nadruk op dat hij onder
hen allen de eenige is die een eigen meening heeft. Zij maken hem het
spreken onmogelijk en weigeren zijn vragen te beantwoorden. Zonder
twijfel zijn er onder hen sommigen die vroeger zijn vrienden waren,
anderen die hij wegens hun talent of karakter hoogschatte. Het oordeel
van zulken kan hem niet onverschillig zijn. Nochtans, zoodra een spreker
uitroept: wij zijn het allen er over eens dat wij ons op Engeland wreken
moeten, zegt hij rustig: Neen, niet allen. Er is waarlijk moed noodig om
te midden van de woedende tierende bende die toen de Rijksdag was, dit
woord te spreken. En niet de moed van een waanzinnige. Het maakt immers
op ieder onbevangen buitenstaander de indruk het eenige wijze, en
misschien wel edele woord te zijn, dat daar op dat oogenblik te spreken
viel. Want van tweeën een: de beschuldiging tegen Engeland die bij deze
gelegenheid zoo'n bizondere woede opwekte, was waar of niet waar. Daar
ze geenszins bewezen werd, is ook het laatste mogelijk. Deze overweging
alleen al rechtvaardigt Liebknechts onthouding en stempelt zijn woord
tot het eenig wijze. Maar nemen we aan dat ze waar is, ja zelfs dat ze
reeds voldingend bewezen is waar te zijn. De Engelschen hebben dan iets
gedaan dat rechtmatige woede opwekt. Het gevolg is dat de Duitschers
wraakroepen. Wat zou Jezus gezegd hebben? „Wie uwer zonder zonde is....”
Liebknecht onthoudt zich en ik ben zeker dat hij er wijs aan deed. Of
gelooft hij, met zijn medeleden, dat de Duitschers menschelijk, maar de
Engelschen onmenschelijk oorlogvoeren? In dat geval was zijn tegenstand
meer dan wijs, was ze edel, want dan stelde hij zijn persoonlijk belang,
de voldoening van zedelijke of vaderlandsche gekrenktheid, achter bij
het algemeenere van een gewenschte vrede.