Wanneer een staat een zoodanig lot heeft getroffen als België,
dan krijgt hij in de verbeelding van de volken een gestalte die
onverwoestbaar is. Het België dat koning Albert aan de IJzer handhaaft
is inderdaad een van de onuitroeibaarste kleine scheppingen, die het
ooit de Geschiedenis behaagd heeft voort te brengen. Het geeft niet
of wij, tijdgenooten, lettend op de werkelijkheid, in de Belgen enkel
een nietig en dan nog verdeeld volkje zien, weinig vaderlandlievend,
achterlijk in zijn onderwijs, van allesbehalve oorspronkelijke
ontwikkeling, en dat, hoewel even moedig als anderen, nooit door de
deugd van krijgshaftigheid heeft uitgemunt. Het vertrapte, onder de voet
geloopen België, plotseling aan de IJzer zijn laatste vaandel opheffend,
en met gelukkige uitslag weerstand biedend aan het sterkste leger dat
de machtige veroveraar ertegen kon afzenden, blijft een beeld dat de
menschheid zich nooit ontrooven laat. Koning Albert, in wie dat België
zich vertegenwoordigd ziet, trekt alle profijt daarvan. Koningin
Elizabeth, achter de linie tot de gewonden gaand en ze met eigen handen
verzorgend, voegt aan de voorstelling elementen toe die nú al de vorm
aannamen van europeesche legenden. Men zou wenschen dat alle Belgen,
ook zij die, opgesloten in het veroverde land als in een kerker, in de
herinnering terugziend, hun vroegere regeering haten, hun oogen met deze
vizioenen niet alleen eens troostten maar er de beteekenis van inzagen.
De oorlogvoerende volken ondergaan er de kracht van en zij zal zich, bij
hun regeeringen, nog omzetten in eene, niet enkel dichterlijk, maar die
in daden een bevrijd België en zijn koningshuis ten goede komt. Dit zou
dan een zeldzaam teeken zijn van hoe zich de poëzie ook thans nog op de
lichtbewogen en voor verbeelding toegankelijke menschheid haar invloed
weet te verzekeren.