Hadden we vóór de oorlog ooit de mogelijkheid verondersteld van een
arm Europa? Toch is de voorstelling nu niet langer denkbeeldig. Al
de opgespaarde schatten worden gebruikt om middelen te maken tot
verwoesting van nog meer schatten. Zij die schatten voortbrachten worden
gedood of dooden anderen die schatten voortbrachten. Millioenen mannen
zijn werkloos, grondstoffen worden niet gekweekt of niet aangevoerd,
handen komen te kort om te voorzien in het verbruik van volken en
legers. Schaarste is in elk land merkbaar, zuinigheid het wachtwoord
van de rijkeren. En de armeren—zij wassen in aantal en armoede. We
voelen nu hun last nog niet. Zij moeten geholpen worden, zoover het
gaat dan, bij wijze van noodhulp, tijdens de oorlog. Maar straks, wie
weet na hoelang, als de oorlog geëindigd is, zal de hulp eerst recht
noodig zijn. Dan zal het gebrek, dat we ons nu nog verheimelijken, ons
aangrijnzen. Zelfs de oorlogswinsten blijken dan schijnbaar. De personen
die ze maakten, zullen toch niet verwachten dat een noodlijdend Europa
ze hun laten zal?