Inwoners van oorlogvoerende landen, zij zelf die wenschten dat België
zijn onzijdigheid had kunnen handhaven, beklagen zich soms dat wij
Hollanders het de onze doen. In een strijd betrokken die hun heilig is,
kunnen zij het maar noode gedoogen dat wij niet wagen, vinden zij het
minderwaardig dat wij de rust genieten en haar voordeelen, en zouden zij
verlangen dat ook wij aan de oorlog deelnamen.
Maar wat is er tusschen hen en ons voor onderscheid? Zij strijden, omdat
het niet anders kon. Wij wapenden ons, om, als het niet anders kan, te
strijden. Streden zij, voordat het noodig was? Tenzij misschien.. maar
zelfs van Italië zijn wij huiverig te gelooven dat het deed wat het
laten kon. In elk geval moeten zijn regeerders zelf de noodzaak hebben
ingezien. De onze doen dat niet. Niemand doet het hier. En toch is het
gevoel waarmee de oorlog hier wordt aangezien geen onverschilligheid,
geen nuchtere berekening, en ook niet onvoorwaardelijke vredelievendheid
of lafhartige vrees. Het vaderlandsche gevoel is hier oneindig sterker
dan in België. Bij het overschrijden van onze grenzen zou er met volle
toestemming van al onze landgenooten oorlog zijn.
Ook dan evenwel, zouden wij niet een vermeerdering van geestdrift
voelen, maar eer een vermindering. Onze vaderlandsche zelfstandigheid
zouden wij dan, gedwongen, verdedigen; maar onze geestdrift geldt niet
deze, maar de volkeren-gemeenschap waarin wij geleefd hebben, die wij
langzamerhand zich zagen verwerklijken, waarvan wij hoopten dat zij zich
zou bevestigen.
Zooals gij allen nu, strijdende volken, zouden wij oorlogend hopen dat
er vrede kwam en dat de grondslagen van die gemeenschap werden
versterkt.
_Augustus 1915._