IX

Inwoners van oorlogvoerende landen, zij zelf die wenschten dat België

zijn onzijdigheid had kunnen handhaven, beklagen zich soms dat wij

Hollanders het de onze doen. In een strijd betrokken die hun heilig is,

kunnen zij het maar noode gedoogen dat wij niet wagen, vinden zij het

minderwaardig dat wij de rust genieten en haar voordeelen, en zouden zij

verlangen dat ook wij aan de oorlog deelnamen.

Maar wat is er tusschen hen en ons voor onderscheid? Zij strijden, omdat

het niet anders kon. Wij wapenden ons, om, als het niet anders kan, te

strijden. Streden zij, voordat het noodig was? Tenzij misschien.. maar

zelfs van Italië zijn wij huiverig te gelooven dat het deed wat het

laten kon. In elk geval moeten zijn regeerders zelf de noodzaak hebben

ingezien. De onze doen dat niet. Niemand doet het hier. En toch is het

gevoel waarmee de oorlog hier wordt aangezien geen onverschilligheid,

geen nuchtere berekening, en ook niet onvoorwaardelijke vredelievendheid

of lafhartige vrees. Het vaderlandsche gevoel is hier oneindig sterker

dan in België. Bij het overschrijden van onze grenzen zou er met volle

toestemming van al onze landgenooten oorlog zijn.

Ook dan evenwel, zouden wij niet een vermeerdering van geestdrift

voelen, maar eer een vermindering. Onze vaderlandsche zelfstandigheid

zouden wij dan, gedwongen, verdedigen; maar onze geestdrift geldt niet

deze, maar de volkeren-gemeenschap waarin wij geleefd hebben, die wij

langzamerhand zich zagen verwerklijken, waarvan wij hoopten dat zij zich

zou bevestigen.

Zooals gij allen nu, strijdende volken, zouden wij oorlogend hopen dat

er vrede kwam en dat de grondslagen van die gemeenschap werden

versterkt.

_Augustus 1915._

Holland en de oorlog · 第 90 / 138 题