Als de oorlog over is, zullen wij opnieuw moeten leven met Engelschen
en Franschen, maar vooral met Duitschers. Wij doen dat ook gaarne. Het
duitsche volk is ons buurvolk en voor nauwelijks iets ter wereld zouden
wij de menigvuldige genietingen en de geestelijke opwekking willen
missen die het verkeer ermee ons gegeven heeft. Toen ik voor ongeveer
twintig jaar voor het eerst het geluk had, duitsche vrienden ten
mijnent te zien, was er evenwel één waarheid die ze erkenden, en die ze
de jaren door bleven erkennen, dat namelijk Nederland een oudere en een
meer volledig gevormde beschaving bezat dan Duitschland. Wat zij zochten
als kultuur, vonden ze bij ons aanwezig. Natuurlijk niet wat zij zochten
als duitsche kultuur. Langzamerhand ondergingen zij de eischen van hun
omgeving, maten nederlandsche uitingen meer af naar hun waarde voor een
algemeen germaansch geestesleven, begonnen de koortsachtigheid van hun
vaderlandsche verwachtingen als grondtoon te verlangen in alle, ook
in onze nederlandsche pogingen. Zij verloren misschien eenigszins
hun vroegere reine blik op onze eigenaardigheid. Toch bleef het hun
overtuiging dat er bij ons een begeerenswaardige eenheid bestond van
verleden en heden, de bindende macht van een overlevering en die levend
gehouden door een onafgebroken en gelukkig trachten naar ontwikkeling
van nieuwe vormen en nieuwe gedachten en een uitbreiding en overdracht
van die schat en die werkzaamheid in breede lagen van de bevolking. Ik
heb altijd mijn best gedaan hun die eenheid duidelijker te doen inzien.
Toen het geroep om een kultuur, een toekomst-kultuur, zich van over de
grenzen hoe langer hoe heftiger hooren liet, en eindelijk in Nederland
werd overgenomen, vaak met de onbewuste bijbedoeling dat die kultuur ook
voor ons van duitsche geboorte zijn zou, heb ik me niet verzet, maar
naar vermogen meegewerkt om de buitenlandsche elementen omtezetten
in inheemsche, om de oorspronkelijk-hollandsche voortbrenging te
bevorderen, en om het bewustzijn wakker te houden van de lijn die ons
over Potgieter verbindt met Hooft en Vondel. Geen duitsche kultuur, maar
een nederlandsche beschaving, moest ons einddoel zijn zooals ze onze
oorsprong was. Dit nu lijkt mij van het hoogste belang: dat wij het
tijdperk na de oorlog niet ingaan zonder een verhoogd vaderlandsch
zelfbesef.
Ik durf dit zeggen zonder de vrees verward te worden met hen die een
uitsluitend vasthouden aan het vaderlandsche voorstaan. De toekomst
ligt niet in het afgezonderd bestaan van verschillende landen, maar
integendeel in hun vrije en onverstoorbare gemeenschap. Honderd maal
heb ik dit uitgesproken. Even zeker is het nochtans dat landen zonder
krachtige volks-persoonlijkheid zich niet in die gemeenschap zullen
kunnen handhaven. Als wij niet overtuigd zijn, en dit tot in het merg
van ons gebeente, dat de Nederlanders vóór de zestiende eeuw zich
gevormd hebben tot een natie, met eigen taal, eigen karakter, eigen
zeden en gebruiken, dat zij in en na die eeuw, gewend aan zelfregeering,
onder de eersten gingen behooren in koopmanschap en kunst, in
wijsbegeerte en poëzie, in wetenschap en uitvinding, dat zij in de
achttiende eeuw een eigenaardig volksbestaan geleid hebben en na hun
tijdelijke ondergang langzaam maar zeker zich hersteld tot een volk dat
zijn groote gronders niet geheel onwaardig is;—als wij niet vast
besloten zijn die overtuiging van onze afkomst en onze kracht te laten
gelden tegenover de heele wereld, dan zullen wij in de wereldgemeenschap
niet de plaats krijgen waarop wij voelen dat we recht hebben.
Buitenlanders hebben de gewoonte overal waar ze zijn de beteekenis
van hun vaderland te laten gelden. Wij alleen doen het niet. Wij
zijn bedeesd tegen vreemden, nurks tegen landgenooten. Wij noemen dat
bescheidenheid, goede smaak, rustige bezonnenheid die niet in staat
is haar weloverwogen oordeel optegeven terwille van vaderlandsche
vooroordeelen. Inderdaad is het een gebrek aan moed, aan gulheid en aan
welwillend zelfvertrouwen, misschien ons van nature eigen, maar stellig
verergerd door het eeuwlange besef van onze kleine verhoudingen en de
nietigheid van onze stoffelijke weermacht. Hadden wij die deugden
bezeten, dan zou dat besef van onze betrekkelijke machteloosheid ons
niet zoozeer hebben neergedrukt, tegen onze groote buurvolken hadden
wij minder opgezien en wij zouden, al sedert lang, het gezag van onze
beschaving veel hooger in het buitenland hebben doen achten. Wij hadden
niet zooveel eerbied betoond voor uitheemsche onbeduidendheid, en niet
onze zuurheid bewaard voor inheemsche talenten.
Ik zeg dit niet omdat ik de misprezen handelingen ieder op zichzelf
van zooveel beteekenis vind. Zij zijn integendeel de inkt niet waard.
Maar zij worden het als symptomen van een laksheid, van een gemis
aan veerkracht, die over ons heele eigenlandsch leven haar werking
uitstrekt, ons schaadt in ons aanzien en de vrije uitoefening van onze
vermogens in het buitenland, en ten slotte zelfs onze volksgemeenschap
in haar optreden als staat aantast.
Sedert lang is het een fictie van ons regeeringsbeleid dat de gang van
zaken in de wereldhuishouding ons niet aangaat, dat wij alleen maar
hebben te zorgen goede vrienden met elk te zijn. Alles goed en wel
zoolang wij ook werkelijk geenerlei verplichting hebben tot optreden
buiten onze grenzen. Maar hoe nu, als—om maar één voorbeeld te
noemen—tientallen van jaren Nederlanders van Noord en Zuid al het
mogelijke gedaan hebben om in taal en literatuur en gemeenschap van
geestelijk leven elkander te naderen, en de staatkunde zou oorzaak
zijn dat dit verband verbroken werd. Zou ook dan nog onze taktiek van
van-niets-te-weten kunnen worden voortgezet?