In de reine helderheid van een vroege en wolkenlooze Paschen komen vele
aandoeningen in me samen. Indrukken van een bezoek, de dag tevoren,
van oude vrienden. Gedachten aan vriendschap en schoonheid, die ik
in deze eigen liefelijke natuur genoten heb. Herinneringen aan juist
zulk een Paasch-zondag, vele jaren geleden, toen na weken van haat
en ellende onze gang door dit landschap mij de hemel op aarde leek. En
langzamerhand was het me of nu ook de last van de oorlog die sedert
acht maanden op ons drukt begon licht te worden. Ik kon me voorstellen
dat hij geëindigd was, of liever het deed er niet toe of hij gevoerd
werd. Er is een sfeer van beschouwing waarin ook de vreeselijkste
gebeurtenissen weinig schijnen, alleen beseft worden als tijdelijk. Ook
volgende jaren zal het Paschen zijn. Wijzelf of anderen zullen dan weer
wandelen door dit schoone landschap. Vriendschap en schoonheid, haat en
ellende zullen telkens opnieuw herdacht worden. Menschen zullen in de
aarde hun hemel zien.—De oorlog kan personen dooden, tallooze personen,
en eindeloos velen nameloos ongelukkig maken. Maar hij kan niet beletten
dat altijd weer levenden aan dit eenvoudige geluk deel hebben.