VI

Een zeldzaam voorbeeld van vóór alles schrijver te zijn, levert

gedurende de oorlogsmaanden Stijn Streuvels. Zijn Dagboek ademt de

milde rust van een man die aan opmerking en overpeinzing in een breed en

harmonisch landschap gewend is. In het begin wil hij zooveel mogelijk

alles zien en bijwonen, met de uitgesproken bedoeling ondervinding

optedoen en voorraad voor toekomstige onderwerpen. Hij tracht zelfs aan

het front te komen en kan niet weerstaan aan de verzoeking het leder

aan de broek van een duitsch krijgsgevangene tusschen duim en vinger

te nemen. Maar innerlijk behoudt hij tegenover zichzelf en tegenover

de gebeurtenissen zijn kalmte van waarnemer en verhaler. Te Kortrijk

zijnde merkt hij op dat daar voor het eerst het nationaal gevoel bij

het volk wakker wordt. Hij wordt er niet door meegesleept, ook blijkt

niet van vertrouwen in leger, overheden, bevolking. Wel het tegendeel.

Over het algemeen is zijn houding sceptisch. Van heldenmoed, vrees en

oorlogsmaatregelen om hem heen ziet hij al de belachelijke kanten.

Met dat al is hij standvastig en rustig, houdt bij anderen de moed

erin, beweegt zijn vrienden hun huis niet in den steek te laten, de

omstandigheden kalm af te wachten. Als dan de Duitschers in zijn dorp

komen, voelt hij voor het eerst verontwaardiging en wrok bij de gedachte

dat de vaderlandsche bodem overweldigd is. Ook dan evenwel stijgt dat

gevoel niet tot haat. Als hij die eigen avond, alleen loopend op de

straatweg, de eenig overgeblevene van de 's morgens doorgetrokken

Uhlanen tegenkomt: op een hinkend paard een tengere jongen van

negentien jaar die stilhoudt en schreiend „Kameraden all todt,” zegt:

dan zou hij persoonlijk geneigd zijn de jongen een bed aantebieden, en

troost hem met de verzekering dat niemand hem kwaad zal doen. Even

menschelijk verhoudt hij zich tegenover het verhaal dat een vriend hem

anderdaags doen kwam van hoe die Uhlanen te Kortrijk door fransche

dragonders verslagen waren; het wekte zijn uitbundige lachlust op.

Stijn Streuvels' gevoelens waren bij het uitbreken van den oorlog in de

hoogste mate tegenstrijdig. Hij hield eigenlijk van de Duitschers en

niet van de Franschen, voelde zich een Vlaming en niets anders, was

hartstochtelijk verknocht alleen aan zijn streek en zijn huis en wat

bij zijn vast gegrond beschouwend en voortbrengend leven behoorde. Zijn

land zag hij misschien het meest verwant met het onze, waarin hem ook

het heden en de toekomst van zijn werk het zekerst gewaarborgd scheen.

De oorlog maakte plotseling het bestand van heel dit innerlijk en

uiterlijk leven, van heden en toekomst, wankelend. In het tumult van

deze weerstrijdigheid trachtte Streuvels zijn waarnemen en denken rein

te houden. Niet in staat zich geestdriftig te scharen bij eenige

wijdere gemeenschap, hield hij vast aan zijn huis, zijn omgeving,

zijn naastbijliggende plichten, en vond bij het onbevangen tegemoet

treden van menschen en omstandigheden voortdurend gelegenheid de

menschelijkheid te zien uitkomen bij zichzelf en anderen. Het zou

moeilijk vallen onder een ander volk dan bij de zoo weinig tot natie

vergroeide Belgen een dergelijke persoonlijkheid aan te treffen.

Zeldzamer nog zulk iemand te vinden die bovendien schrijver is en onder

alle omstandigheden niet aflaat zichzelf in tallooze kleine trekjes en

grootere verhalen uittebeelden. Een bizonder levendig en zichtbaar

tafreel van Streuvels' verkeer met duitsche officieren, die zich op hun

doorreis van het Wester- naar het Oosterfront bij hem inkwartierden,

las ik onlangs in een dagblad. Hij verzwijgt er geen enkele van zijn

aandoeningen: zijn oorspronkelijk voornemen niets van hen te verdragen,

hun de heele boel liever over te laten en er zelf van door te gaan,

zijn verrassing over hun beschaafd optreden, zijn genoegen aan hun

gezellige manieren, zijn ingenomenheid met de tafelbeleefdheid waarmee

zij het genot, door hem gedeeld, van al zijn opgezamelde keuken- en

keldervoorraden verguldden. Met een glimlach merkt hij het goede

vertrouwen op waarmee zij, aftrekkende naar al zijn slaapkamers,

hun wapens en helmen achter lieten op zijn kleerenstandaard. Het

Casino-voorkomen van zijn verlichte kamers ontgaat hem niet. En als zij

vertrokken zijn en de hartelijkheid van weerzijdsche omgang voldoende

aanleiding geweest is om een Tot weerziens na de Vrede uittespreken, dan

bekent hij volmondig dat hij met honderd van zijn dorpelingen zich niet

zoo aangenaam zou hebben onderhouden als met deze vijanden. Het gevoel

in dit stukje is zoo menschelijk en de uitbeelding zoo oprecht en

voortreffelijk, dat men zich geweld zou moeten aandoen om te wenschen

dat het anders was, en toch wekt het ons nadenken dat, bij de inwoner

van een verwoest en onderworpen België, een dergelijke onbevangenheid

mogelijk is.

Holland en de oorlog · 第 50 / 138 题