Een zeldzaam voorbeeld van vóór alles schrijver te zijn, levert
gedurende de oorlogsmaanden Stijn Streuvels. Zijn Dagboek ademt de
milde rust van een man die aan opmerking en overpeinzing in een breed en
harmonisch landschap gewend is. In het begin wil hij zooveel mogelijk
alles zien en bijwonen, met de uitgesproken bedoeling ondervinding
optedoen en voorraad voor toekomstige onderwerpen. Hij tracht zelfs aan
het front te komen en kan niet weerstaan aan de verzoeking het leder
aan de broek van een duitsch krijgsgevangene tusschen duim en vinger
te nemen. Maar innerlijk behoudt hij tegenover zichzelf en tegenover
de gebeurtenissen zijn kalmte van waarnemer en verhaler. Te Kortrijk
zijnde merkt hij op dat daar voor het eerst het nationaal gevoel bij
het volk wakker wordt. Hij wordt er niet door meegesleept, ook blijkt
niet van vertrouwen in leger, overheden, bevolking. Wel het tegendeel.
Over het algemeen is zijn houding sceptisch. Van heldenmoed, vrees en
oorlogsmaatregelen om hem heen ziet hij al de belachelijke kanten.
Met dat al is hij standvastig en rustig, houdt bij anderen de moed
erin, beweegt zijn vrienden hun huis niet in den steek te laten, de
omstandigheden kalm af te wachten. Als dan de Duitschers in zijn dorp
komen, voelt hij voor het eerst verontwaardiging en wrok bij de gedachte
dat de vaderlandsche bodem overweldigd is. Ook dan evenwel stijgt dat
gevoel niet tot haat. Als hij die eigen avond, alleen loopend op de
straatweg, de eenig overgeblevene van de 's morgens doorgetrokken
Uhlanen tegenkomt: op een hinkend paard een tengere jongen van
negentien jaar die stilhoudt en schreiend „Kameraden all todt,” zegt:
dan zou hij persoonlijk geneigd zijn de jongen een bed aantebieden, en
troost hem met de verzekering dat niemand hem kwaad zal doen. Even
menschelijk verhoudt hij zich tegenover het verhaal dat een vriend hem
anderdaags doen kwam van hoe die Uhlanen te Kortrijk door fransche
dragonders verslagen waren; het wekte zijn uitbundige lachlust op.
Stijn Streuvels' gevoelens waren bij het uitbreken van den oorlog in de
hoogste mate tegenstrijdig. Hij hield eigenlijk van de Duitschers en
niet van de Franschen, voelde zich een Vlaming en niets anders, was
hartstochtelijk verknocht alleen aan zijn streek en zijn huis en wat
bij zijn vast gegrond beschouwend en voortbrengend leven behoorde. Zijn
land zag hij misschien het meest verwant met het onze, waarin hem ook
het heden en de toekomst van zijn werk het zekerst gewaarborgd scheen.
De oorlog maakte plotseling het bestand van heel dit innerlijk en
uiterlijk leven, van heden en toekomst, wankelend. In het tumult van
deze weerstrijdigheid trachtte Streuvels zijn waarnemen en denken rein
te houden. Niet in staat zich geestdriftig te scharen bij eenige
wijdere gemeenschap, hield hij vast aan zijn huis, zijn omgeving,
zijn naastbijliggende plichten, en vond bij het onbevangen tegemoet
treden van menschen en omstandigheden voortdurend gelegenheid de
menschelijkheid te zien uitkomen bij zichzelf en anderen. Het zou
moeilijk vallen onder een ander volk dan bij de zoo weinig tot natie
vergroeide Belgen een dergelijke persoonlijkheid aan te treffen.
Zeldzamer nog zulk iemand te vinden die bovendien schrijver is en onder
alle omstandigheden niet aflaat zichzelf in tallooze kleine trekjes en
grootere verhalen uittebeelden. Een bizonder levendig en zichtbaar
tafreel van Streuvels' verkeer met duitsche officieren, die zich op hun
doorreis van het Wester- naar het Oosterfront bij hem inkwartierden,
las ik onlangs in een dagblad. Hij verzwijgt er geen enkele van zijn
aandoeningen: zijn oorspronkelijk voornemen niets van hen te verdragen,
hun de heele boel liever over te laten en er zelf van door te gaan,
zijn verrassing over hun beschaafd optreden, zijn genoegen aan hun
gezellige manieren, zijn ingenomenheid met de tafelbeleefdheid waarmee
zij het genot, door hem gedeeld, van al zijn opgezamelde keuken- en
keldervoorraden verguldden. Met een glimlach merkt hij het goede
vertrouwen op waarmee zij, aftrekkende naar al zijn slaapkamers,
hun wapens en helmen achter lieten op zijn kleerenstandaard. Het
Casino-voorkomen van zijn verlichte kamers ontgaat hem niet. En als zij
vertrokken zijn en de hartelijkheid van weerzijdsche omgang voldoende
aanleiding geweest is om een Tot weerziens na de Vrede uittespreken, dan
bekent hij volmondig dat hij met honderd van zijn dorpelingen zich niet
zoo aangenaam zou hebben onderhouden als met deze vijanden. Het gevoel
in dit stukje is zoo menschelijk en de uitbeelding zoo oprecht en
voortreffelijk, dat men zich geweld zou moeten aandoen om te wenschen
dat het anders was, en toch wekt het ons nadenken dat, bij de inwoner
van een verwoest en onderworpen België, een dergelijke onbevangenheid
mogelijk is.