XVI

Ik herinner mij de dag van de mobilisatie: het gevoel dat er maar één

noodzaak was: naar de grens te gaan; het innerlijk besef afgesloten te

hebben met het leven, nu niets meer te zijn dan alle anderen, niets

bizonders meer, maar alleen de dienst te doen waartoe men met het heele

volk geroepen was. Het was een toestand van groote rust en van ontheven

zijn aan het leven, die een daglang duurde. De volgende dag merkte

ik dat hij verdwenen was: ik kon hem niet terugroepen. Als ik eraan

dacht, deden zich allerlei onmogelijkheden op. Ik zou niet bestand zijn

tegen sommige inspanningen en ontberingen, maar bovenal, ik ben een

onverbeterlijke droomer: er zou heel veel kans zijn dat ik om het zoeken

naar een versregel vergat dat de veiligheid van mijn kameraden afhing

van mijn nauwlettendheid. Ik begon toen te meenen dat ik als vaderlander

het goed bedoel maar heel weinig bruikbaar ben.

Holland en de oorlog · 第 44 / 138 题