Ik herinner mij de dag van de mobilisatie: het gevoel dat er maar één
noodzaak was: naar de grens te gaan; het innerlijk besef afgesloten te
hebben met het leven, nu niets meer te zijn dan alle anderen, niets
bizonders meer, maar alleen de dienst te doen waartoe men met het heele
volk geroepen was. Het was een toestand van groote rust en van ontheven
zijn aan het leven, die een daglang duurde. De volgende dag merkte
ik dat hij verdwenen was: ik kon hem niet terugroepen. Als ik eraan
dacht, deden zich allerlei onmogelijkheden op. Ik zou niet bestand zijn
tegen sommige inspanningen en ontberingen, maar bovenal, ik ben een
onverbeterlijke droomer: er zou heel veel kans zijn dat ik om het zoeken
naar een versregel vergat dat de veiligheid van mijn kameraden afhing
van mijn nauwlettendheid. Ik begon toen te meenen dat ik als vaderlander
het goed bedoel maar heel weinig bruikbaar ben.