Een gedachte die eenmaal klaar is, vorm is, kan nooit worden verzwegen.
Zij is een levend wezen dat aan het licht dringt, dat gekend wil worden,
dat van hem die haar kent en verzwijgt, de aandacht onverbiddelijk bezig
houdt, hem belet te denken aan iets anders, hem noodzaakt—zoo hij haar
dan niet mag uitspreken—van en over haar te spreken, zooals men het van
beminde, bewonderde, door anderen niet gekende vrienden doet. Van en
over haar wordt gesproken, zoodat er om haar faam als om die van een
onbekende godheid een sfeer ontstaat van geheimzinnigheid en begeerte.
Het is alsof de menschen haar zien, maar door een sluier, en nu
verlangen dat die sluier ijler wordt en scheuren zal. Tot eindelijk, en
dan juist op het oogenblik dat ieder haar kennen wil, zij tóch gezegd
wordt, en nu met meer kracht en meer innigheid naarmate ze langer
verzwegen werd.