XVII

Ben ik niet bruikbaar? Ik kan niets anders als denken en dichten.

Ik moet erbij zeggen dat ik ook niet denken kan over een opgegeven

onderwerp. Mijn denken is grillig, onberekenbaar. Het kan tot niets

bepaalds dienen: het is enkel een goed soort denken en heeft dus waarde,

alleen in zoover het denken op zichzelf waarde heeft. Ook mijn dichten

is niet van de soort die menschen van de daad nuttig achten. Het heeft

geen ander doel dan gedicht te zijn. Geen middel om de menschen

aantedrijven, te bezielen, van hen gedaan te krijgen dat zij dit of dat

uitvoeren. Geen middel tot iets anders, maar alleen zijn eigen doel. Het

goede gedicht werkt niet naar één, maar naar alle richtingen. Het is

een knooppunt van leven, waaraan men niet een éénzijdige werking kan

voorschrijven, maar dat men overlaat tot iedere werking waartoe goden en

menschen het willen in staat stellen. Het is ook zoozeer ons maaksel

niet. Denken en dichten,—ze maken zich ondanks ons, en ik geloof dat

het ons kwalijk vergaan zou, als wij met onze voorbedachtelijke

werkzaamheid hun in de weg kwamen.

_16 Aug.–9 Sept. '14._

Holland en de oorlog · 第 45 / 138 题