Ben ik niet bruikbaar? Ik kan niets anders als denken en dichten.
Ik moet erbij zeggen dat ik ook niet denken kan over een opgegeven
onderwerp. Mijn denken is grillig, onberekenbaar. Het kan tot niets
bepaalds dienen: het is enkel een goed soort denken en heeft dus waarde,
alleen in zoover het denken op zichzelf waarde heeft. Ook mijn dichten
is niet van de soort die menschen van de daad nuttig achten. Het heeft
geen ander doel dan gedicht te zijn. Geen middel om de menschen
aantedrijven, te bezielen, van hen gedaan te krijgen dat zij dit of dat
uitvoeren. Geen middel tot iets anders, maar alleen zijn eigen doel. Het
goede gedicht werkt niet naar één, maar naar alle richtingen. Het is
een knooppunt van leven, waaraan men niet een éénzijdige werking kan
voorschrijven, maar dat men overlaat tot iedere werking waartoe goden en
menschen het willen in staat stellen. Het is ook zoozeer ons maaksel
niet. Denken en dichten,—ze maken zich ondanks ons, en ik geloof dat
het ons kwalijk vergaan zou, als wij met onze voorbedachtelijke
werkzaamheid hun in de weg kwamen.
_16 Aug.–9 Sept. '14._