XIV

Wat in Duitschland dichters en fijnere geesten verbindt met de militaire

kaste is het machts-instinkt. Omdat die kaste de stoffelijke wereld

wil doen heerschen over de geestelijke, haatten en bestreden zij haar,

maar zonder zich te kunnen losmaken van het besef dat ze de tastbare

belichaming is van de Macht, die ook van hun geestelijke wereld de

inhoud uitmaakt. Hun ideaal is Nietzsche's Machtwil en nu zij die in

werking zien, nabij en vaderlandsch en gericht tegen vreemden, valt hun

denk-gemeenschap met hun volksverwantschap samen, en voelen zij zich met

hun wederpartijders in de uitbarstingen van de machtsdrift opgenomen.

Maar omdat niet door hen, doch alleen door de strijdbare kaste de macht

inderdaad wordt verwerkelijkt, en deze alle onbewuste krachten van

het volk aan zich onderwerpt en met zich sleurt, zijn zij niet zelf

de—geestelijke—kracht die zij wilden wezen, maar ondergeschikt

geworden aan de stoffelijke die zij bestreden. Zonder het vooralsnog

te begrijpen hebben zij de ervaring opgedaan dat de Macht—ondanks

Nietzsche—geen geestelijk doel kan zijn. Zij hebben een nederlaag

geleden en zullen moeten terugkeeren en zich duidelijk maken dat de

Machtwil onvermijdelijk voert tot heerschappij van het stoffelijke over

het geestelijke. De Macht als het uiteraard onbevredigde kan niet het

doel zijn van een geest die zich boven de tijdelijke betrekkingen

verheffen wil,—tenzij hij onder Macht Eeuwigheid verstaat. Zoo

begrepen, maar ook zóo alleen, is ze werkelijk het doel van groote

dichters en denkers, en de kans is gering dat deze hun godheid zouden

zien in het wapengeweld.

Holland en de oorlog · 第 42 / 138 题