Wat in Duitschland dichters en fijnere geesten verbindt met de militaire
kaste is het machts-instinkt. Omdat die kaste de stoffelijke wereld
wil doen heerschen over de geestelijke, haatten en bestreden zij haar,
maar zonder zich te kunnen losmaken van het besef dat ze de tastbare
belichaming is van de Macht, die ook van hun geestelijke wereld de
inhoud uitmaakt. Hun ideaal is Nietzsche's Machtwil en nu zij die in
werking zien, nabij en vaderlandsch en gericht tegen vreemden, valt hun
denk-gemeenschap met hun volksverwantschap samen, en voelen zij zich met
hun wederpartijders in de uitbarstingen van de machtsdrift opgenomen.
Maar omdat niet door hen, doch alleen door de strijdbare kaste de macht
inderdaad wordt verwerkelijkt, en deze alle onbewuste krachten van
het volk aan zich onderwerpt en met zich sleurt, zijn zij niet zelf
de—geestelijke—kracht die zij wilden wezen, maar ondergeschikt
geworden aan de stoffelijke die zij bestreden. Zonder het vooralsnog
te begrijpen hebben zij de ervaring opgedaan dat de Macht—ondanks
Nietzsche—geen geestelijk doel kan zijn. Zij hebben een nederlaag
geleden en zullen moeten terugkeeren en zich duidelijk maken dat de
Machtwil onvermijdelijk voert tot heerschappij van het stoffelijke over
het geestelijke. De Macht als het uiteraard onbevredigde kan niet het
doel zijn van een geest die zich boven de tijdelijke betrekkingen
verheffen wil,—tenzij hij onder Macht Eeuwigheid verstaat. Zoo
begrepen, maar ook zóo alleen, is ze werkelijk het doel van groote
dichters en denkers, en de kans is gering dat deze hun godheid zouden
zien in het wapengeweld.