XIII

Met Jezus' zeggen: gaat en verkondigt het Evangelie aan alle kreaturen,

is de onderscheiding van de Staten opgehouden. De staten hadden vroeger

hun eigen god. Voortaan was er één god die in alle landen aanbeden werd.

Als daarna de volken van hun god spraken—zoo wij in de vorige eeuw van

Neêrlands God, zoo de Duitschers nog nu van de God der Duitschers en de

oude Frans Jozef van zijn bizondere huis-god—dan waren en zijn dit

stoffige retorische figuren die, alleen tijdelijk, uit de vaderlandsche

musea gehaald worden in de gerechtvaardigde hoop dat ze indruk zullen

maken op de menigte. Zij die ze tevoorschijnbrengen weten wel dat er

geen bizondere goden meer zijn, dat er maar één god is die alle staten

gemeen hebben, waaruit ze leven en waarin landslieden van alle talen met

elkander verkeeren. In ieders hart staat het geschreven dat, wanneer

zij oorlogen, zij tegen hun eigen geloof handelen. Zij gelooven aan de

God van de Menschheid, niet aan de goden van hun bizondere staten. Van

tweeën een dus, zij moeten toegeven dat zij, door te oorlogen, tegen

hun god, die de god van alle menschen is, handelen, òf zij moeten zich,

tijdelijk, wijsmaken dat hun god de god is van hun bizondere staat. Het

is duidelijk dat dit wijsmaken alleen mogelijk is in een kortstondige

roes van opwinding en zelfbedrog. Met andere woorden: oorlog een gewijd

werk achten, kan alleen de verblinde of de bedrogene. Wie waarlijk de

oogen van zijn geest wijd open houdt, moet inzien dat oorlog in onze

dagen een onheilig bedrijf is, waaraan hij niet ontkomen kan, maar dat

hij in zijn hart vervloekt.

Uit alle volken staan op dit oogenblik belijders van een zelfde

goddelijkheid tegenover elkander. Zij kunnen dat niet doen in de wijding

van hun geloof: zij kunnen het enkel omdat zij onder de ban geraakten

van een geloof dat niet meer het hunne is. Hun aanvoerders zijn de

wijding-loozen, die zij levenslang bestreden en veroordeelden. Of de

achterlijken die nog altijd in het geloof leven aan lokale godheden.

Deze, de machtigen van het gepeupel, hebben macht gekregen, ook over de

edelen. In een roes en een waanzin bevangen offeren zich ook die besten

aan de afgod Staat.

Holland en de oorlog · 第 41 / 138 题