IX

De duitsche legers treden tegen belgische vrijschutters op als waren

deze moordenaars. Zij vergeten dat zijzelf, als door hun inval schenders

van het volkenrecht, niet langer geregelde troepen zijn.

X

Het is in deze dagen de plicht van de onzijdigen dat zij het geweten

zijn van de wereld. In het bizonder de inwoners van de kleinere

onzijdige staten, past het, onbelemmerd door voorkeur of afkeer, te

zeggen wat hun het rechte schijnt. Zonder twijfel zijn ook zij partij,

in zooverre als de eene overheerscher hun schadelijker kan zijn dan

de andere, maar die overweging, hoewel stemming gevend aan hun

lijdelijkheid, zal de helderheid niet vertroebelen van een inzicht, dat

door de dadelijkheid van een oorlog licht onzuiver wordt. Zij kunnen

aannemen, en moeten er zorg voor dragen, dat de oorlogsroes die hun

naburen aansteekt, hún geest met vrede laat. Die rust van hun geest te

bewaren, is hun niet alleen geboden in hun persoonlijk belang, opdat zij

de verstoring van hun onzijdigheid niet mogelijk te wijten hebben aan

eigen onverstand, maar ook in het belang van de strijdenden. Dat deze

hun door hartstocht mismaakt gelaat bij tijd en wijle kunnen zien in de

heldere spiegel van hun buren, is voor hen en voor allen een voordeel.

Bovendien is het voor de heele menschheid van onschatbare waarde, dat in

verwarrende en tot ontaarding neigende tijden, ergens ter wereld zulk

een klare rustige spiegel bestaat. Niet de strijd toch, maar de aan

allen gemeene menschelijkheid is het bezit waarop we, na slechting van

alle veeten, de hoogste prijs stellen. Die menschelijkheid vlucht in

tijd van oorlog naar de onzijdigen. Als het belang van personen en

groepen haar rondom vervangen heeft, ligt zij rustig en wacht tot ieder

weer naar haar zal luisteren. Maar elk oogenblik ook, als zij meent

dat zwijgen schande zijn zou, heft ze haar stem op en zegt wat ze de

waarheid acht. Wee hun, die dan niet naar haar luisteren, die in de

koorts van hun eigenbelang eigen ijlwoorden voor waarheid, eigen

droombeelden voor werkelijkheid aanzien, en ze zelfs anderen willen

opdringen. Erger dan kinderen die in hun koortsvizioenen het

geneesmiddel weigeren, zijn zij als aangestokenen door een besmettelijke

ziekte, die gevaar opleveren voor hun omgeving.

Er is nog een reden, waarom het getuigen voor waarheid en

menschelijkheid in oorlogstijd zoo bizonder het deel moet zijn van de

onzijdigen. Het recht van menschelijkheid dat door oorlogvoerenden

niet alleen weersproken, maar licht gebroken wordt, is, voor zoover

het geformuleerd werd, gebonden aan de naam van volkenrecht. Wat nu

is volkenrecht voor machtige staten in tijd van oorlog? De duitsche

kanselier heeft het naïefweg uitgesproken: „een vodje papier”, dat

verscheurd wordt als men er genoeg van heeft. Maar wat is het voor de

kleinere en minder machtige? De grondslag van hun bestaan temidden

van de grootere. Het vodje papier waarbij Duitschland met de andere

mogendheden de onzijdigheid van België waarborgde, was de grondslag van

een veilig en arbeidzaam België. Wel mag het dus aan de kleinere staten

zijn toevertrouwd het volkenrecht hoog te houden. Allereerst alweer in

hun eigen belang; maar daarna ten behoeve van alle anderen. Want men mag

nog zooveel zeggen dat macht recht _maakt_, dat macht recht _verscheurt_

zagen we vaker, en niet ondienstig is het dus dat de _onmacht_ het recht

tenminste met haar stem verdedigt. Indien immers, wat de leiders van

staten soms zeggen te meenen, het recht een zaak van beteekenis is.

_Is_ het recht een zaak van beteekenis?

Indien de Macht ja zegt, dan zal zij het goedkeuren dat haar vergrijpen

tegen het recht worden aangewezen. Zegt zij neen, dan is het duidelijk

dat de taak het recht te verdedigen vanzelf aan de Onmacht behoort toe

te vallen.

Holland en de oorlog · 第 38 / 138 题