De duitsche legers treden tegen belgische vrijschutters op als waren
deze moordenaars. Zij vergeten dat zijzelf, als door hun inval schenders
van het volkenrecht, niet langer geregelde troepen zijn.
X
Het is in deze dagen de plicht van de onzijdigen dat zij het geweten
zijn van de wereld. In het bizonder de inwoners van de kleinere
onzijdige staten, past het, onbelemmerd door voorkeur of afkeer, te
zeggen wat hun het rechte schijnt. Zonder twijfel zijn ook zij partij,
in zooverre als de eene overheerscher hun schadelijker kan zijn dan
de andere, maar die overweging, hoewel stemming gevend aan hun
lijdelijkheid, zal de helderheid niet vertroebelen van een inzicht, dat
door de dadelijkheid van een oorlog licht onzuiver wordt. Zij kunnen
aannemen, en moeten er zorg voor dragen, dat de oorlogsroes die hun
naburen aansteekt, hún geest met vrede laat. Die rust van hun geest te
bewaren, is hun niet alleen geboden in hun persoonlijk belang, opdat zij
de verstoring van hun onzijdigheid niet mogelijk te wijten hebben aan
eigen onverstand, maar ook in het belang van de strijdenden. Dat deze
hun door hartstocht mismaakt gelaat bij tijd en wijle kunnen zien in de
heldere spiegel van hun buren, is voor hen en voor allen een voordeel.
Bovendien is het voor de heele menschheid van onschatbare waarde, dat in
verwarrende en tot ontaarding neigende tijden, ergens ter wereld zulk
een klare rustige spiegel bestaat. Niet de strijd toch, maar de aan
allen gemeene menschelijkheid is het bezit waarop we, na slechting van
alle veeten, de hoogste prijs stellen. Die menschelijkheid vlucht in
tijd van oorlog naar de onzijdigen. Als het belang van personen en
groepen haar rondom vervangen heeft, ligt zij rustig en wacht tot ieder
weer naar haar zal luisteren. Maar elk oogenblik ook, als zij meent
dat zwijgen schande zijn zou, heft ze haar stem op en zegt wat ze de
waarheid acht. Wee hun, die dan niet naar haar luisteren, die in de
koorts van hun eigenbelang eigen ijlwoorden voor waarheid, eigen
droombeelden voor werkelijkheid aanzien, en ze zelfs anderen willen
opdringen. Erger dan kinderen die in hun koortsvizioenen het
geneesmiddel weigeren, zijn zij als aangestokenen door een besmettelijke
ziekte, die gevaar opleveren voor hun omgeving.
Er is nog een reden, waarom het getuigen voor waarheid en
menschelijkheid in oorlogstijd zoo bizonder het deel moet zijn van de
onzijdigen. Het recht van menschelijkheid dat door oorlogvoerenden
niet alleen weersproken, maar licht gebroken wordt, is, voor zoover
het geformuleerd werd, gebonden aan de naam van volkenrecht. Wat nu
is volkenrecht voor machtige staten in tijd van oorlog? De duitsche
kanselier heeft het naïefweg uitgesproken: „een vodje papier”, dat
verscheurd wordt als men er genoeg van heeft. Maar wat is het voor de
kleinere en minder machtige? De grondslag van hun bestaan temidden
van de grootere. Het vodje papier waarbij Duitschland met de andere
mogendheden de onzijdigheid van België waarborgde, was de grondslag van
een veilig en arbeidzaam België. Wel mag het dus aan de kleinere staten
zijn toevertrouwd het volkenrecht hoog te houden. Allereerst alweer in
hun eigen belang; maar daarna ten behoeve van alle anderen. Want men mag
nog zooveel zeggen dat macht recht _maakt_, dat macht recht _verscheurt_
zagen we vaker, en niet ondienstig is het dus dat de _onmacht_ het recht
tenminste met haar stem verdedigt. Indien immers, wat de leiders van
staten soms zeggen te meenen, het recht een zaak van beteekenis is.
_Is_ het recht een zaak van beteekenis?
Indien de Macht ja zegt, dan zal zij het goedkeuren dat haar vergrijpen
tegen het recht worden aangewezen. Zegt zij neen, dan is het duidelijk
dat de taak het recht te verdedigen vanzelf aan de Onmacht behoort toe
te vallen.