XI

Engeland heeft de kunst verstaan zich als verdediger van België de

fraaiste houding te geven. Nog eenmaal beroemt het er zich op, de

kampioen te zijn voor de vrijheid en het publieke recht van Europa. In

de rede die Asquith op 27 Augustus in het Lagerhuis gehouden heeft,

klinkt de toon die herinnert aan de beste overleveringen van

Groot-Brittanje.

Naar alle zijden ziende moeten wij nochtans bedenken dat onmiddellijk na

de Boeren-oorlog de engelsche staatslieden aan het werk zijn gegaan om

te keeren wat zij het duitsche gevaar achtten. De uitbreiding van de

vloot en de verstandhouding met Frankrijk en Rusland waren maatregelen,

zoo niet van bedreiging, dan toch van voorzorg tegen Duitschland. Het

bondgenootschap met Japan mogelijk eveneens.

Zoo is het dus in de hoogste mate waarschijnlijk dat, toen de oorlog

uitbrak, hij evenzeer een voortzetting was van engelsche maatregelen

tegen Duitschland, als van duitsche die tegen Engeland gericht waren.

Duitschland dreef de noodzakelijkheid van zijn groei, Engeland die van

zijn voortbestaan.

Toch moet men niet daaruit afleiden dat Engelands leus: voor de vrijheid

en het publieke recht van Europa, een fraze is. Iedere strijdende

partij zegt door haar leus niet wat ze is, maar waarvoor ze wil worden

aangezien. Ieder volk geeft in zijn leuzen uitdrukking aan wat het voelt

dat zijn rol als volk moet zijn, wat het in zijn beste oogenblikken

heeft verwerkelijkt en wat het bewonderenswaardig vindt. Als de Pruisen

zeggen dat zij het europeesche bolwerk vormen tegen de russische

barbaren, dan drukken zij daarmee uit wat zij moesten zijn, wat zij

vroeger waren en wat door een deel van hun bevolking nog als noodig en

werkelijk wordt gevoeld. Te goeder trouw kunnen dus velen onder hen de

leus: tegen de Barbaren! aanheffen, al heeft hun regeering het die

barbaren sinds lang niet benauwd gemaakt. Het is ook niet vreemd als

hun regeering die leus, als een nationale, overneemt, al voert zij zelf

eigenlijk meer dan tegen de Russen tegen Belgen en Franschen oorlog.

Haar legers kunnen dan in Leuven en elders zelf de Barbaren zijn, en het

eigenlijke doel van hun aanval niet het barbaarsche Rusland, maar het

hoog-beschaafde Groot-Brittanje, zonder dat men hun daarom het recht mag

ontzeggen van eigen leuzen gebruik te maken, en voor bestrijders van de

Barbaren door te gaan.—Zoo is het ook met Engeland, dat inderdaad, als

verdediger van België zijn traditioneele taak als handhaver van de

vrijheid en het publieke recht op zich genomen heeft, maar nochtans als

in bondgenootschap met Rusland strijdende, de vrijheid van Finland en

het publieke recht van oostelijk Europa schadelijk is.—

Er volgt uit deze tegenstrijdigheden niet dat leuzen leugens zijn: zij

drukken integendeel de ware roeping van de volken uit. Door ze aan te

heffen zeggen die volken dat zij heel goed weten wat zij doen moesten.

Zij kunnen het slechts niet. Engeland weet heel wel dat het Finland

moest helpen en Rusland tegenstaan. Het heeft dit echter niet gekund.

Zoo weet ook Duitschland voortreffelijk dat Pruisen zijn ware opgaaf

vervullen zou, indien het Europa's bolwerk tegen Rusland was. Maar

Duitschland heeft zich sinds lang met Rusland op goede voet bevonden, en

kweekte een andere eerzucht. Niet naar het Oosten, maar inderdaad naar

het Westen gingen alle duitsche begeerten en bedoelingen. Een drang

die zijn oorsprong had, juist in Pruisen, dat daardoor allereerst zijn

historische taak miskende, en die van Pruisen uit het heele al te

welvarende, al te zeer op grooter stoffelijke winst beluste Duitschland

doordrong.

Ons die de Boerenoorlog beleefd hebben, moet het als een hoogtepunt van

lugubere belachelijkheid voorkomen, dat Engeland zich als verdediger

opwerpt van de onafhankelijkheid van kleine staten. Ons die weten hoe

Duitschland gedurende ons heele leven geweest is: de ootmoedige dienares

van een Pruisen, dat het spoor van zijn eigen geschiedenis bijster

is, terwijl wij voor onze oogen zien hoe voor de maatregelen van zijn

legerbestuur geen Leuven heilig was, ons moet het wel als deerniswaarde

verblinding aandoen dat dit volk zich beschouwt als strijd te voeren

tegen het Barbarisme. Maar toch zullen wij, als, over en weer, de

bekende leuzen worden aangeheven, niet antwoorden met hoongelach. Wij

zullen ze integendeel voor heiliger ernst houden dan als welke de

strijders van nu ze aanhieven; wij zullen zeggen tot de eenen: goed,

beschouw gij u als de verdediger van de kleine staten en zorg dat ge

na de oorlog ook Finland vrijmaakt, en gij, ga terug, strijd tegen het

Barbaren-dom en boet de misdaden die ge in westelijk Europa bedreven

hebt.

Holland en de oorlog · 第 39 / 138 题