Engeland heeft de kunst verstaan zich als verdediger van België de
fraaiste houding te geven. Nog eenmaal beroemt het er zich op, de
kampioen te zijn voor de vrijheid en het publieke recht van Europa. In
de rede die Asquith op 27 Augustus in het Lagerhuis gehouden heeft,
klinkt de toon die herinnert aan de beste overleveringen van
Groot-Brittanje.
Naar alle zijden ziende moeten wij nochtans bedenken dat onmiddellijk na
de Boeren-oorlog de engelsche staatslieden aan het werk zijn gegaan om
te keeren wat zij het duitsche gevaar achtten. De uitbreiding van de
vloot en de verstandhouding met Frankrijk en Rusland waren maatregelen,
zoo niet van bedreiging, dan toch van voorzorg tegen Duitschland. Het
bondgenootschap met Japan mogelijk eveneens.
Zoo is het dus in de hoogste mate waarschijnlijk dat, toen de oorlog
uitbrak, hij evenzeer een voortzetting was van engelsche maatregelen
tegen Duitschland, als van duitsche die tegen Engeland gericht waren.
Duitschland dreef de noodzakelijkheid van zijn groei, Engeland die van
zijn voortbestaan.
Toch moet men niet daaruit afleiden dat Engelands leus: voor de vrijheid
en het publieke recht van Europa, een fraze is. Iedere strijdende
partij zegt door haar leus niet wat ze is, maar waarvoor ze wil worden
aangezien. Ieder volk geeft in zijn leuzen uitdrukking aan wat het voelt
dat zijn rol als volk moet zijn, wat het in zijn beste oogenblikken
heeft verwerkelijkt en wat het bewonderenswaardig vindt. Als de Pruisen
zeggen dat zij het europeesche bolwerk vormen tegen de russische
barbaren, dan drukken zij daarmee uit wat zij moesten zijn, wat zij
vroeger waren en wat door een deel van hun bevolking nog als noodig en
werkelijk wordt gevoeld. Te goeder trouw kunnen dus velen onder hen de
leus: tegen de Barbaren! aanheffen, al heeft hun regeering het die
barbaren sinds lang niet benauwd gemaakt. Het is ook niet vreemd als
hun regeering die leus, als een nationale, overneemt, al voert zij zelf
eigenlijk meer dan tegen de Russen tegen Belgen en Franschen oorlog.
Haar legers kunnen dan in Leuven en elders zelf de Barbaren zijn, en het
eigenlijke doel van hun aanval niet het barbaarsche Rusland, maar het
hoog-beschaafde Groot-Brittanje, zonder dat men hun daarom het recht mag
ontzeggen van eigen leuzen gebruik te maken, en voor bestrijders van de
Barbaren door te gaan.—Zoo is het ook met Engeland, dat inderdaad, als
verdediger van België zijn traditioneele taak als handhaver van de
vrijheid en het publieke recht op zich genomen heeft, maar nochtans als
in bondgenootschap met Rusland strijdende, de vrijheid van Finland en
het publieke recht van oostelijk Europa schadelijk is.—
Er volgt uit deze tegenstrijdigheden niet dat leuzen leugens zijn: zij
drukken integendeel de ware roeping van de volken uit. Door ze aan te
heffen zeggen die volken dat zij heel goed weten wat zij doen moesten.
Zij kunnen het slechts niet. Engeland weet heel wel dat het Finland
moest helpen en Rusland tegenstaan. Het heeft dit echter niet gekund.
Zoo weet ook Duitschland voortreffelijk dat Pruisen zijn ware opgaaf
vervullen zou, indien het Europa's bolwerk tegen Rusland was. Maar
Duitschland heeft zich sinds lang met Rusland op goede voet bevonden, en
kweekte een andere eerzucht. Niet naar het Oosten, maar inderdaad naar
het Westen gingen alle duitsche begeerten en bedoelingen. Een drang
die zijn oorsprong had, juist in Pruisen, dat daardoor allereerst zijn
historische taak miskende, en die van Pruisen uit het heele al te
welvarende, al te zeer op grooter stoffelijke winst beluste Duitschland
doordrong.
Ons die de Boerenoorlog beleefd hebben, moet het als een hoogtepunt van
lugubere belachelijkheid voorkomen, dat Engeland zich als verdediger
opwerpt van de onafhankelijkheid van kleine staten. Ons die weten hoe
Duitschland gedurende ons heele leven geweest is: de ootmoedige dienares
van een Pruisen, dat het spoor van zijn eigen geschiedenis bijster
is, terwijl wij voor onze oogen zien hoe voor de maatregelen van zijn
legerbestuur geen Leuven heilig was, ons moet het wel als deerniswaarde
verblinding aandoen dat dit volk zich beschouwt als strijd te voeren
tegen het Barbarisme. Maar toch zullen wij, als, over en weer, de
bekende leuzen worden aangeheven, niet antwoorden met hoongelach. Wij
zullen ze integendeel voor heiliger ernst houden dan als welke de
strijders van nu ze aanhieven; wij zullen zeggen tot de eenen: goed,
beschouw gij u als de verdediger van de kleine staten en zorg dat ge
na de oorlog ook Finland vrijmaakt, en gij, ga terug, strijd tegen het
Barbaren-dom en boet de misdaden die ge in westelijk Europa bedreven
hebt.