roof was volbracht.
De opening was juist onder de doodkist gezaagd. Nu had Raffles vrij
spel.
Maar daar naderde de trein een station. De locomotief floot, de rem
werd aangetrokken, de geweldige vaart verminderde en ten slotte stond
de trein heelemaal stil.
Dat was een gevaarlijke toestand.
Zoolang de trein in volle vaart was, behoefde Raffles geen ontdekking
te vreezen. Maar aan het station kon hij gezien worden. Hij maakte in
allerijl de touwen los waarmee hij zich had vastgebonden.
Daarna liet hij zich op den grond glijden en klom naar den kant, waar
geen menschen waren.
Terwijl de trein een tijdlang stilstond, keek Raffles eens rond om den
toestand goed te overzien. De goederenwagen waarin de doodkist lag, was
slechts spaarzaam verlicht.
De soldaten stonden voor de coupédeuren en keken over de vlakte.
Zij bemoeiden zich weinig met het overschot van den dooden generaal.
Waarom ook?
Die beenderen zouden niet hard wegloopen.
Charly Brand had van het oponthoud van den trein gebruik gemaakt om
vlug den coupé te verlaten en naar zijn vriend om te kijken.
Hij liep voorzichtig naar den goederenwagen, waarin het lijk verborgen
was en deed toen alsof iets van hem op den grond was gevallen, opdat
hij onder den wagen zou kunnen zien.
Maar Raffles was nergens te ontdekken.
Hij was en bleef verdwenen.
Zielsbedroefd keerde Charly terug naar den waggon, die voor den
grootvorst was gereserveerd en geheel gebroken viel hij neer op de
kussens.
Toen het signaal tot vertrek gegeven werd, kroop Raffles weer te
voorschijn en ging naar zijn oude plaats.
Nu kon hij den laatsten hinderpaal uit den weg ruimen.
Hij zaagde een ronde opening in de doodkist en daar stroomde als een
gouden vloed de blinkende geldstukken in de leeren tasch.
Het was gelukkig, dat de trein zoo’n oorverdoovend geweld maakte en het
geluid van de geldstukken geheel en al overstemde.
De leeren tasch kon den gouden last nauwelijks dragen.
Raffles moest dit eerste deel van den buit in veiligheid brengen
voordat hij meer haalde.
Hij bond den wollen doek zóó vast dat het uitstroomende goud er door
werd opgevangen en klauterde toen terug naar den grootvorstelijken
coupé.
Charly Brand kon van vreugde niet spreken, toen hij zijn vriend door
het venster zag binnenklimmen. Hij viel hem om den hals en uitte zijn
blijdschap op onstuimige wijze.
„Laat dat, Charly! Daarvoor is nu geen tijd,” lachte Raffles. „Breng
het goud zoo spoedig mogelijk in veiligheid. Berg het in onze koffers.
Ik moet terug om een nieuwen voorraad te halen.”
„Wat! Wil je dien dollen tocht nog eens wagen?”
„Ik moet. Want tegelijkertijd wil ik de sporen van den diefstal doen
verdwijnen.”
„Je schiet er nog eens het leven bij in.”
„Geen nood, Charly! Geef me maar wat houtlijm.”
Charly deed het.
„We moeten een beetje haast maken. Als men uit Irkoutsk telegrafeert,
moet jij zoo gauw mogelijk den trein kunnen verlaten.”
„Wat? Ik alleen?”
„Ja.”
„En waarom? Waarom gaan we niet samen?”
„Omdat dat waarschijnlijk niet kan.”
Raffles klom weer terug naar de doodkist, roofde wederom een grooten
voorraad goudstukken en lijmde toen het uitgezaagde gedeelte weer in
het hout.
Daarna ging hij weer naar Charly Brand.
„’t Is hoog tijd, Charly, de trein stopt spoedig aan het station
Kursan. Daar stappen we uit, ik verkleed mij vlug en rijd verder mee
als een Engelsche aristocraat. Jij gaat met de koffers naar Irkoutsk
terug en logeert dan als Mr. Brand in Hotel de Londres.”
„Moet ik naar Irkoutsk terug?”
„Ja.”
„Wat moet ik daar doen?”
„Dat heb ik je toch al gezegd, je moet als Mr. Brand in Hotel des
Londres logeeren.”
„Ja, maar waarom dat?”
„Omdat dat tot mijn plan behoort.”
„Altijd die duivelsche plannen van jou, Edward.”
„Zonder plannen komt men tot niets, Charly!”
De trein floot.
„Gauw, Charly, ga je verkleeden”.
TIENDE HOOFDSTUK.
REISGEZELSCHAP, DAT NIET WELKOM WAS.
De trein verliet het station Kursan en bij den gouverneur in zijn coupé
nam een elegante Engelschman plaats.
Zijne Excellentie keek allesbehalve vriendelijk toen dit reisgezelschap
instapte.
Raffles deed natuurlijk alsof hij niets daarvan bemerkte:
„Lord Cruzon,” sprak hij met voorname houding.
Ook Ortschkoff noemde zijn naam.
John Raffles ging tegenover den gouverneur zitten.
Hij haalde zijn sigarettenétui voor den dag, opende dit en hield het
zijn reisgenoot voor:
„Kan ik u dienen?” vroeg hij.
Ortschkoff nam een cigarette.
Hij was zeer ingenomen met zijn nieuwen reisgenoot, die zeker tot de
voornaamste kringen van Engeland behoorde.
Die voorname jonge man boezemde hem niet het minste wantrouwen in.
Het was een vervelende reis; waarom zou men dan niet een gesprek met
elkander beginnen?
„Reist ge voor uw pleizier, Lord?” vroeg de Russische officier.
In plaats van antwoord te geven, deed Raffles een wedervraag:
„Staat ge mij toe, voordat ik u antwoord, een vraag te doen? Ge hebt u
voorgesteld als baron Ortschkoff. Zijt gij misschien de gouverneur van
Irkoutsk?”
„Inderdaad,” antwoordde de baron een weinig bevreemd, „wist gij dat?”
„Ja, dat wist ik. Ik geloof zelfs, dat ik nog in de uitoefening van
mijn beroep met u te doen zal krijgen.”
„Wat bedoelt ge daarmee?”
Ortschkoff vroeg het op onrustigen toon.
„Ik ben detective van de Engelsche politie en erop uitgezonden om den
grootsten aller spitsboeven te vangen, namelijk den meesterdief John C.
Raffles.”
De gouverneur schrikte. Hij dacht eraan, dat hij den schat vervoerde,
maar in het volgende oogenblik ook weer was hij gerustgesteld. Die
Engelsche gauwdief kon onmogelijk weten, wat er in de doodkist
verborgen zat.
„Zou die Raffles dan hier in de buurt rondspoken?” vroeg hij.
„Men vermoedt inderdaad, dat hij op den Siberischen spoorweg is, en men
heeft hem zelfs in Irkoutsk gezien.”
„Zoo? Inderdaad?”
„En op een station tusschen Irkoutsk en Krasnojarsk moet hij zich zelfs
voor den grootvorst Peter Andrejeff hebben uitgegeven.”
„Hel en duivel!” schreeuwde de gouverneur, „dan is de gauwdief in
Koutoulik in den trein gekomen.”
„Wat?” riep John Raffles, „in dezen trein?”
„Zeker! De kerel had de brutaliteit, zich door zijn adjudant als
grootvorst Peter Andrejeff te laten aandienen.”
„Is een adjudant bij hem?”
„Ja. Hij draagt de uniform van het regiment van Kaluga.”
„En de grootvorst?”
„Die draagt de generaalsuniform met verscheiden orden en eereteekenen.”
„Maar dat is toch onmogelijk?”
„Waarde heer, ik heb de beide spitsboeven met eigen oogen gezien en
zelfs een ervan gesproken. Zij stapten in dezen trein, waar een aparte
wagen voor de dieven werd aangehaakt.”
„Maar dat is belachelijk,” beweerde de Lord op vroolijken toon. „De
gewiekste oplichter zal dan zeker wel het een of andere schelmstuk in
zijn schild voeren, dat hij in dezen trein heeft plaats genomen.”
„Zoudt gij dat denken?”
De gouverneur stoof op.
Zijn gelaat werd donkerrood en zijn oogen traden uit de kassen.
„Ik heb u door die mededeeling toch niet beleedigd?” vroeg Lord Lister,
terwijl hij even boog.
„Neen, maar ik ben geweldig geschrikt.”
„Hoe zoo? Hebt ge soms een groote som gelds bij u?”
„Dat is het juist. Niet meer of minder dan de belastinginkomsten van
het geheele gouvernement Irkoutsk over het geheele kwartaal. Ik moet
het geld aan de Russische regeering afdragen.”
„Gij persoonlijk, heer gouverneur?”
„Ja, ik mag het niemand toevertrouwen, onze beambten zijn niet te
vertrouwen.”
De gouverneur veroordeelde zichzelf met deze opmerking. Hij had het
transport van het geld op zich genomen om hiervan zelf zooveel mogelijk
te kunnen stelen.
Raffles moest onwillekeurig glimlachen.
„Gij zult er wel voor gezorgd hebben, heer gouverneur,” sprak hij, „dat
het geld goed opgeborgen is. Ik weet niet, of het u bekend is, dat voor
dezen genialen dief niets veilig is!”
„Maar dat is verschrikkelijk!” riep Ortschkoff, weer verbleekend, „doch
ik heb mijn schat zoo goed verzekerd, dat er aan geen diefstal te
denken valt, Lord!”
„En hoe hebt ge dit gedaan, generaal?”
„Ik wil het u wel vertellen, want gij zijt eigenlijk mijn bondgenoot.
Ik heb het geld in een doodkist gedaan, die schijnbaar het lijk van
mijn overleden oom bevat. Soldaten met geladen geweren waken er bij.”
„En denkt gij door zulke middeltjes den gewieksten „Raffles te kunnen
terughouden? Neen, generaal! Die heeft wel andere dingen
klaargespeeld.”
De gouverneur was sprakeloos.
Doodsbleek en met geopenden mond staarde hij Raffles aan.
„Ge wilt zeggen...” stamelde hij eindelijk.
„Ik wil zeggen, dat John Raffles u stellig het geld uit de doodkist zal
halen—of het reeds heeft gedaan.”
De gouverneur uitte een kreet.
Daarop sprong hij op en trok met alle macht aan de noodrem.
Een gillend gefluit van de locomotief weerklonk, de snelle vaart van
den trein verminderde en eindelijk stond deze geheel stil.
Dat was juist, wat Raffles had gewild. Er moest tijd gewonnen worden en
dat gebeurde op deze manier het best.
Hier konden geen telegrammen worden verzonden.
John rekende er op, dat aan een der volgende stations een telegram uit
Irkoetsk ontvangen zou worden, met het bevel, den voorgewenden
grootvorst en zijn adjudant gevangen te nemen.
Dit oogenblik moest hij zoo lang mogelijk verschuiven, om zoowel voor
Brand als voor zich zelf tijd te winnen om den buit in veiligheid te
brengen.
Nauwelijks stond de trein stil of de gouverneur snelde naar den
bagagewagen, waar hij in groote opwinding dadelijk de doodkist liet
openen.
Een luide gil weerklonk.
Het grootste gedeelte van den schat was verdwenen. Slechts weinige
goudstukken bedekten nog den bodem.
„Schurken, waar hebt ge mijn geld gelaten?” riep hij buiten zichzelf
van woede tot de soldaten, die hem met domme gezichten aankeken.
„Dieven, verraders en spionnen! Ge hebt mij bestolen! Geef het geld
terug, of ik zweer jelui, dat ik je in stukken zal laten hakken!”
De ongelukkige dragonders en kozakken durfden zich niet te bewegen,
zelfs niet toen hun chef hen in zijn groote woede sloeg en trapte.
Nu naderde ook Lord Cruzon den gouverneur.
„Ik ben er van overtuigd, dat deze lieden geheel onschuldig zijn, heer
gouverneur. Ik zou echter den trein laten doorzoeken. Wanneer de
soldaten, wat ik niet veronderstel, het geld gestolen hebben, dan moet
het zich immers in den trein bevinden. Verder lijkt het mij het
verstandigste den vermomden grootvorst en zijn adjudant gevangen te
nemen. Ongetwijfeld vinden wij in hun bagage de vermiste som!”
„Gij hebt gelijk, de grootvorst, die schurk, is de dader. Waar is de
hoofdconducteur?” brulde de generaal.
Deze was reeds verschenen.
„Breng mij onmiddellijk bij grootvorst Peter Andrejeff, ik wil hem
gevangen nemen!”
De hoofdconducteur antwoordde:
„Zijne hoogheid de grootvorst heeft den trein reeds verlaten bij het
station Kursan.”
„Alleen?” vroeg de generaal.
„Neen, met zijn adjudant!”
„En met zijn bagage?”
„Ja, met zijn bagage.”
„Die schurk heeft mijn geld gestolen!” brulde Ortschkoff met luider
stem.
Een luid gemor der passagiers, die getuige waren van dit gesprek,
weerklonk. Men was niet geneigd deze ongehoorde beschuldiging van een
der leden der keizerlijke familie te slikken.
Nu trad John Raffles naar voren. Hij wilde ook nu doorgaan voor een
Engelschen detective, een vijand dus van den meester-dief, opdat men
hem niet zou kunnen verdenken Raffles zelf te zijn.
„Heeren!” zoo wendde Lord Cruzon zich tot de opgewonden reizigers,
„hier is een misverstand in het spel. De woorden van den generaal
doelden natuurlijk niet op den werkelijken grootvorst Peter Andrejeff,
maar op een spitsboef, die onder zijn naam reist. De schurk, die in
Kursan uitgestapt is, heet John Raffles en heeft den gouverneur voor
meerdere honderdduizend roebels bestolen.
„Ik ben een afgevaardigde van de politie, die hem gevangen moet nemen!”
Groote verbazing ontstond.
„Ik moet natuurlijk dadelijk terug om den dief te achtervolgen,” riep
de generaal buiten zichzelf van woede. „Laat de trein terugrijden!”
De hoofdconducteur verklaarde zich hiertoe niet gemachtigd, wat een
heftige uitval van woede van den generaal ten gevolge had.
Weer trad Raffles kalmeerend op. Hij legde zijn hand op den schouder
van Ortschkoff en fluisterde hem toe:
„Kom, heer gouverneur! Laten wij den kostbaren tijd niet verliezen,
doch tot het volgende station meerijden, waar wij wel een locomotief
zullen krijgen. Ik heb een plan, waardoor wij er zeker achter zullen
komen, waar de schat gebleven is. In elk geval raad ik u, het weinige,
wat in de doodkist is achtergebleven, bij u te nemen. Gij ziet, deze
schuilplaats is niet voldoende gebleken.”
De bestolene snelde naar den bagagewagen en stak het kleine beetje
goud, dat zich daar nog bevond, in zijn zak. In zijn haast en bij de
slechte verlichting lette hij niet op de ronde insnijding, die op den
bodem van de kist te zien was en aan een nauwkeurig opmerker niet zou
zijn ontgaan.
Ortschkoff snelde met zijn kleinen buit naar zijn coupé terug en de
trein kon zich eindelijk weer in beweging zetten.
ELFDE HOOFDSTUK.
EEN NIEUW SPOOR.
John Raffles veranderde nu van taktiek.
Zwijgend nam hij in een hoek plaats, als iemand, die over een
diepzinnig vraagstuk nadenkt, in tegenstelling met den generaal, die
opgewonden in den coupé heen en weer liep.
„Nu?” viel Ortschkoff uit, „gij weet zeker ook geen raad? Ja, het is
niet gemakkelijk, zoo’n genialen spitsboef te vangen! Gij zult het ook
niet kunnen, lord Cruzon!”
„Ik ben van meening, dat Raffles in dit geval even onschuldig is als ik
zelf,” antwoordde John glimlachend.
„En dat zegt gij?” riep de generaal verbaasd, „terwijl gij mij eerst
hebt gezegd, dat niemand anders dan Raffles de dief kan zijn?”
„Dat is waar, maar nu staan de zaken anders!”
„Waarom? Wilt u mij dit duidelijk maken?”
„Zeker! als gij een beetje geduld hebt.”
„Hm! Ik ben zeer nieuwsgierig.”
„Gelooft gij, dat uw soldaten het geld gestolen hebben?”
„Eerlijk gezegd: neen! Russische beambten stelen, maar Russische
militairen nooit.”
„Goed! Dat denk ik ook. Wie kan het dan geweest zijn?”
„Raffles natuurlijk!” schreeuwde de gouverneur.
De lord schudde langzaam het hoofd en antwoordde:
„Vertelt u mij dan eens, op welke wijze Raffles het geld had kunnen
stelen.”
„Ik? Hoe zou ik dat weten, ik ben geen beroepsdief of inbreker.”
„Ik weet ook niet!”
„Wat wilt gij daarmee zeggen?”
„Dat het onmogelijk is, uw vernuftige schuilplaats te bestelen. De kist
was nergens beschadigd, de soldaten hebben den wagen niet verlaten, er
is niemand behalve gijzelf in den wagen geweest, dus: geen mensch kan
de doodkist bestolen hebben.”
„Zoo schijnt het, maar hebt gij een ander spoor?”
„Zeker. Het staat vast,” begon Raffles met de scherpzinnigheid van een
rechter, „dat de diefstal niet gepleegd kan zijn gedurende de reis.
Daar de schat echter gestolen is, moet dit voor dien tijd geschied
zijn.”
„Gij wilt zeggen,” barstte de gouverneur los, „dat graaf Barjatinsk de
dader is?”
„Dezelfde!”
„Maar hoe zou hij? — —”
„Dood eenvoudig. Hij heeft u geen volle kist geleverd, maar alleen dat
ingepakt, wat gij er nog in gevonden hebt!”
„Ongehoord! Dat zou dus het gemeenste bedrog zijn!” raasde de generaal!
„Maar wat moet ik doen? Ik heb geen bewijzen en de ellendeling zal
alles ontkennen.”
„Dat zal hij ongetwijfeld, maar hij moet gevangen genomen worden!”
„Als hij werkelijk gestolen heeft, en daaraan twijfel ik niet meer, zal
hij het nimmer willen bekennen!”
„Het komt er maar op aan, hoe men de zaak aanpakt.”
„Denkt gij het te kunnen?”
„Ik zou een slecht detective moeten zijn, als ik het niet kon.”
„Maar wat zal het helpen? Natuurlijk heeft hij het gestolene reeds in
veiligheid gebracht!”
De generaal wist uit eigen ervaring, hoe men doet met achtergehouden
gelden.
„Er bestaan middelen, om zelfs den brutaalsten misdadiger tot
bekentenis te brengen,” sprak Raffles kalm. „Zijn slecht geweten zal
een groote rol spelen. Wij zullen eens zien of mijn middel helpt. Ik
rijd met u mee naar Irkoutsk.”
„Dat doet mij genoegen! Gij zijt een flinke kerel, Lord. Wij beiden
zullen goede vrienden worden.”
Het was intusschen volkomen dag geworden. Raffles begaf zich met den
gouverneur naar den restauratiewagen, waar zij, naar Russische
gewoonte, de thee gebruikten.
Het gesprek van alle reizigers draaide natuurlijk om het voorgevallene
van dien nacht, dus in de eerste plaats om Raffles.
Men bewonderde den onverschrokken dief meer dan dat men hem vreesde,
want allen hadden gemerkt, dat zij zelf niet bestolen waren.
Den generaal beklaagde men weinig, want het geld, dat gestolen was, had
aan de Regeering behoord en deze kon het verlies wel dragen.
Men lachte om de voortreffelijk geslaagde list met de doodkist.
Voorwaar, de berooving van de door soldaten bewaakte kist was een
meesterstuk.
De jonge detective, die zoo vertrouwelijk met den gouverneur zat te
fluisteren, werd algemeen beklaagd. Dit zeer elegante, maar schijnbaar
zoo onbeduidende mannetje zou opgewassen zijn tegen den grooten
Raffles?
Neen, neen, met goede manieren, een keurig toilet en goede cigaretten
ving men Raffles niet!
Tegen acht uur kwam de trein in Nischne-Udinsk aan, een plaats aan het
riviertje de Uda of Tschuna.
Hier wachtte een nieuwe verrassing.
De trein mocht niet dadelijk het station binnenrijden maar op ongeveer
honderd meter afstand blijven staan.
Daar scheen een geheel leger te zijn opgesteld.
Agenten van politie, gendarmen en geheime agenten waren daar aanwezig
en een geheele compagnie kozakken omsingelde het terrein, zoodat geen
muis had kunnen ontsnappen.
Zooals Raffles reeds had vermoed, was het optreden van den
pseudo-grootvorst reeds bekend geworden en waren telegrafisch
maatregelen genomen om den misdadiger en zijn medeplichtige te snappen.
Helaas was ook nu weer, zooals dat zoo dikwijls gaat, alle moeite voor
niets. De vermetele, die zijn slachtoffers steeds onder de schuldigen
zocht, was ontsnapt!
De hoofdconducteur deelde mede dat hij met zijn adjudant reeds in
Kursan den trein had verlaten, om naar het heette, op de jacht te gaan.
Onmiddellijk werden telegrafische berichten naar die plaats gezonden.
Tegelijkertijd doorzocht de politie den trein nauwkeurig. Wie geen
voldoende identiteitsbewijzen bij zich had, werd onherroepelijk
gevangen genomen.
Raffles had natuurlijk volledige papieren op den naam van Lord Cruzon
en daar hij geen bagage bij zich had, liet men hem volkomen ongemoeid.
Gouverneur Ortschkoff nam intusschen de gelegenheid waar om bij de
hoofdpolitie te Nischne-Udinsk aangifte te doen van den diefstal.
Hij was van plan om, wanneer hij met behulp van Lord Cruzon het geld
werkelijk los zou krijgen van graaf Barjatinsk, dit bedrag geheel en al
achter te houden.
Barjatinsk zou zich wel wachten, hem te verraden en de diefstal der
belastingen op de Siberische spoorlijn was immers officieel
vastgesteld.
Nu kon hij prachtig in troebel water visschen en een dubbelen buit
verwerven!
Tot groote ergernis der reizigers, werd alles wat zich in den trein
bevond, grondig onderzocht.
De wagons werden totaal leeggepakt, koffers, reistasschen,
hoedendoozen, zelfs parapluie-foudraals, alles werd doorzocht en niet
steeds geschiedde dit even voorzichtig.
Raffles slenterde, een cigarette rookend, langzaam heen en weer, alsof
de geheele geschiedenis hem geen belang inboezemde.
Integendeel, hij maakte bezwaren over het onnoodige oponthoud, waartoe
men hem noodzaakte, terwijl hij zich op zijn Lordstitel beriep.
Eindelijk bracht hij het zoover, dat men hem en den gouverneur verlof
gaf, hun weg te gaan.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
VERIJDELDE HOOP.
Gouverneur Ortschkoff zorgde ervoor, dat de terugtocht naar Irkoetsk
zoo snel mogelijk plaats kon vinden.
Hij brandde van verlangen om den verraderlijken districtschef rekening
en verantwoording te vragen en het geroofde van hem terug te krijgen.
Hij kon en wou niet op den volgenden trein wachten, waarom hij een
extra-trein liet samenstellen, bestaande uit locomotief, tender en een
enkel salon-rijtuig.
Hierin aanvaardde hij den terugtocht met Raffles; de zes soldaten en de
geestelijke moesten met den volgenden gewonen trein volgen.
Tegen den avond kwam men in de hoofdstad aan, juist op het oogenblik,
dat de districtschef zich gereedmaakte, om naar het Casino te gaan,
waar hij vermoedelijk een groot deel van het geld, dat hij de boeren
had afgeperst, aan den speelduivel had geofferd.
Graaf Barjatinsk was niet weinig verrast den gouverneur, dien hij reeds
in Krasnojask vermoedde, zoo plotseling voor zich te zien.
De generaal viel terstond met de deur in huis.
„Ge zult u wel verbazen, graaf Barjatinsk over mijn bezoek. Ik wilde u
verzoeken, mij het geld te geven, dat ge hebt vergeten in te pakken.”
De districtschef werd aschgrauw in het gelaat.
Hij was zich in dezen van geen schuld bewust, want hij had den
gouverneur rijkelijk diens aandeel in den buit gegeven.
„Mijnheer de gouverneur,” begon hij, „ik weet waarlijk niet, hoe ik uw
woorden moet opvatten. Ge vergeet bovendien mij voor te stellen aan uw
geleider.”
„Dat is de Engelsche detective lord Cruzon, die den grooten John
Raffles op het spoor is. Ik maakte in den trein kennis met den lord.
Hij was de persoon, die mij aanried de kist nader te onderzoeken.”
„En welk belang had hij daarbij?” vroeg de graaf op scherpen toon.
„Wij redeneerden over den meesterdief.”
„Dan zal deze zeer zeker uw kas hebben bestolen.”
„Dat dachten wij in den beginne ook. Maar de kist was niet geopend en
nog geheel en al dichtgeschroefd. De kozakken hebben den schat geen
oogenblik verlaten. Het geld moet dus al ontbroken hebben, graaf
Barjatinsk, voordat de kist in den goederenwagen werd geplaatst.”
„Mijnheer de gouverneur!”
De chef werd woedend.
„Hoe kunt gij mij van een dergelijken lagen streek beschuldigen. Denkt
ge, dat ik het geld heb verduisterd?”
De gouverneur werd veel kalmer en gematigder door dezen uitval.
Hij beval John Raffles zelfs een oogenblik in de aangrenzende kamer te
gaan, daar hij nog een en ander met den chef had te bepraten.
Lord Lister boog en verliet den salon.
De gouverneur had gedacht, dat de graaf nu wel zoete broodjes zou gaan
bakken.
Maar de graaf was in dezen werkelijk onschuldig.
En hij verklaarde dan ook onomwonden, dat hij er niet aan dacht ook
maar een kopeke schadevergoeding te betalen.
Dat maakte den gouverneur woedend.
„Niet één enkele kopeke graaf? Vergeet niet, dat ik uw chef ben en u
elk oogenblik kan ontslaan.”
„Dat zult ge niet doen, mijnheer de gouverneur,” antwoordde Barjatinsk
op kouden, snijdenden toon.
„Waarom niet?”
„Vraagt ge dat nog?”
„Natuurlijk!”
„Wel, omdat het u ook uw betrekking zou kosten! In hetzelfde oogenblik
namelijk, dat ge mij uit mijn ambt zou ontslaan, zou ik een brief
zenden naar de regeering, waarin ik eenvoudig verklaarde, dat
gouverneur Ortschkoff mijn medeplichtige is. Hij heeft niet alleen
alles afgeweten van mijn plichtsverzuim, maar hij heeft belastingen
opgelegd en groote sommen gestolen.”
De gouverneur liet een kreunend geluid hooren.
Ja!
Het was maar al te waar!
Hij was medeplichtige! Hij had geroofd en bedrogen en nu kon hij
moeilijk de openbare aanklager worden.
Barjatinsk vroeg:
„Blijft ge bij uw voornemen, mijnheer de gouverneur om mij te willen
aanklagen?”
„Neen, neen!” sprak Ortschkoff op doffen toon, „ik zal geen aanklacht
jegens u indienen. Alles blijft bij het oude!”
Het gelaat van den graaf straalde van duivelsche vreugde.
Hij liet zijn chef de deur uit.
„Nu?” vroeg Raffles dezen met lichten spot. Hij wist natuurlijk, hoe
dat gesprek moest afloopen.
De generaal waagde het niet, den lord aan te kijken,
„Nu?” vroeg deze nogmaals.
„Wat is er?”
„Hoe is het gegaan met den graaf?”
„Er is niets met hem te beginnen. Ik geef het op.”
„Wat? Heeft hij niets bekend? Wil hij niet betalen?”
„Geen kopeke!”
„Geen kopeke?”
„Neen!”
„Dat is een mooie boel! Dan moeten wij hem ertoe dwingen!”
„Om Gods wil, doe dat niet! Het zou toch niets baten! Ik geloof
inderdaad, dat hij ditmaal onschuldig is. De verdoemde Raffles zal wel
een middel hebben gevonden om de doodkist te forceeren!”
„Raffles en altijd weer Raffles? Ik zal u bewijzen, dat graaf
Barjatinsk de eenige schuldige is!”