Voordat wij de beide vrienden op hun tocht verder vergezelle

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 4 DE MILLIOENENSCHAT IN DE DOODKIST.

DE MILLIOENENSCHAT IN DE DOODKIST.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN AFGELUISTERD GESPREK.

„Stil Charly! Ga de „Nowoje Wremja” lezen en bemoei je niet met mij of

met het tafeltje naast ons!”

Raffles fluisterde deze woorden bijna zonder de lippen te bewegen,

terwijl hij, als een echte man van de wereld, in zijn leunstoel

achterover lag.

Dit gesprek had plaats in de eetzaal van het Hotel „Sint Petersburg”,

het voornaamste van de stad Irkoetsk.

Voorname kalmte heerschte in de groote zaal, waar een zwaar, Oostersch

tapijt elken voetstap dempte en de kellners zich geluidloos bewogen.

Onder de elegante verschijningen die zaten aan zwaar met kristal en

zilver beladen tafeltjes, bevond zich ook John C. Raffles.

Schijnbaar in gedachten verdiept, luisterde hij toch zeer nauwkeurig

naar het gesprek aan het naburige tafeltje.

Een tweetal heeren zaten daar druk te redeneeren.

De een droeg de rijk versierde uniform van een Russisch generaal, de

ander was in smoking.

Het gesprek werd op gedempten toon gevoerd en scheen voor geen vreemde

ooren bestemd.

Charly Brand, de vriend, of, zooals hij genoemd werd, de secretaris van

den lord, had zich schijnbaar geheel verdiept in de „Nowoje Wremja”,

doch in werkelijkheid luisterde hij echter ook naar zijn buren.

Hij verstond evenwel geen woord van het gesprokene.

Verscholen keek hij dan weer naar het gelaat van Raffles, dat ijzig

kalm was en wiens oogen onverschillig rondkeken.

Maar Charly kende het gebarenspel van zijn vriend veel te goed om niet

terstond op te merken, dat aan het naburige tafeltje een gesprek werd

gevoerd, dat Raffles niet alleen levendig interesseerde, maar dat hem

ook toornig maakte.

De beide heeren staakten thans hun gesprek en verlieten de eetzaal.

Nauwelijks was dit geschied of Raffles riep den kellner.

Deze verscheen terstond.

„Wie zijn die beide heeren, die zoo juist de zaal verlieten?”

„Zijne Excellentie de gouverneur van Irkoetsk Ortschkoff en graaf

Barjatinsk, zijn districtschef.”

„Waar logeeren ze?”

„Kamer 38 en 39 op de eerste etage!”

„Dank je!”

De kellner ging.

Charly Brand kon zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.

„Edward,” zei hij, „wat ben je van plan?”

Hij beefde van opwinding, want het koude, sfinx-achtige gelaat van zijn

vriend, dat als uit marmer gehouwen was, vertelde hem maar al te

duidelijk, dat Raffles weer iets buitengewoons in het schild voerde.

Hij begreep, dat zijn vriend het gesprek van de heeren had gehoord

Maar lord Lister was er de man niet naar om met zijn geheimen te koop

te loopen, zelfs niet tegenover zijn vriend Brand, die, zooals Raffles

zei, „zoo schrikkelijk nerveus was.”

„Edward, ik smeek je! Vertel mij toch, wat er gebeurt! Ik beef voor je

leven!”

Lister lachte.

„Poeh! Jij beeft altijd, Charly. Dat moet je afleeren. Je verandert mij

toch niet!”

„En waarom niet, Edward? Dat is geen leven om altijd vol angst en zorg

te zitten. Staak die gevaarlijke ondernemingen toch! Ik ben er van

overtuigd, dat je hersens weer de een of andere dolle streek hebben

uitgebroed!”

„En als dat nu eens zoo was?”

„Dan zou ik je willen verzoeken om die dolle plannen te laten varen in

je eigen belang, of—”

„Of?”

„Of ik moet je verlaten!”

„Je bent een groot kind, Charly!”

Raffles stak een sigaret op.

„Neen, Edward, ik ben geen kind! Integendeel! Ik zie verder dan jij!

Jou zullen je streken nog eens — —”

„Aan de galg brengen! Dat bedoel je immers, Charly? Wel, waarom niet?

Ik wil ook wel eens met den strop kennis maken!”

Brand verbleekte.

Zijn oogen openden zich wijd.

Lord Lister legde de hand op den arm van zijn vriend.

„Luister, Charly! Je moet niet zulke rare gezichten trekken! Heusch

niet! Je verraadt mij, voordat ik nog iets gedaan heb. Luister! Ik zal

je tot zekere hoogte met mijn plannen bekend maken. Je bent mijn vriend

en moet mij vergezellen!”

„Wil je weg?”

„Ik moet!”

„Waarom?”

„Omdat ik die schurken niet kan uitstaan.”

„Van wie spreek je?”

„Van de beide kerels, die aan het tafeltje naast het onze hebben

gezeten.”

„Van den generaal en den chef?”

„Ja.”

„Ken je ze?”

„Ik heb ze leeren kennen.”

„Door den kellner?”

„Neen, door hun eigen gesprek. De kellner noemde alleen hun namen en de

nummers van hun kamers.”

„Waarom wilde je die weten?”

„Omdat ik de schurken en hun plannen nauwkeurig wil bestudeeren.”

„Hoe wil je dat doen?”

„Wij gaan verhuizen.”

„Waarheen?”

„Naar nummer 36 of 39.”

„En als die bezet zijn?”

Lord Lister glimlachte.

„Je bent een echt kind, Charly! Weet je dan niet, dat wij in een

Russisch hotel zijn en veel geld hebben? Voor een paar roebel maken de

kellners hier alles in orde!”

„Maar waarom wil je juist in een van die beide kamers wonen?”

„Omdat ik de schurken wil beluisteren. Ze hebben buiten den waard

gerekend.”

„Wat hebben ze dan misdaan, dat je zoo verbitterd bent?”

„Ik zal het je op onze kamer vertellen. Hier zou ik niet kalm genoeg

blijven.”

„Zijn het zulke schoften?”

„Zij zijn meer dan dat. Het zijn vampiers. Maar kom nu, laat ons onzen

kostbaren tijd niet verliezen!”

Raffles vouwde zijn servet samen, bekeek een oogenblik met peinzend

gebaar den prachtigen briljant aan den ringvinger van zijn rechterhand,

zette zijn hoogen hoed op en verliet met Charly Brand de eetzaal.

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET GEHEIM VAN TWEE SCHURKEN.

Hoofdschuddend was Charly Brand zijn vriend gevolgd.

Hij geloofde geen oogenblik, dat het mogelijk was, de kamers zoo gauw

te verlaten als Raffles had beweerd.

Maar lord Lister was een beter menschenkenner dan zijn secretaris.

Geen tien minuten waren verloopen, toen werden reeds de koffers en

kleeren van een gast naar een andere kamer gebracht en de beide

vrienden hadden hun doel bereikt.

Lord Lister sloot de kamerdeur en luisterde toen aan den muur, die

nummer 39 van nummer 38 scheidde.

Zooals dat in hotels gebruikelijk is, bevond zich een deur tusschen de

beide kamers, die natuurlijk afgesloten was.

Brand kon zijn ongeduld niet langer bedwingen.

Ook hij ging aan de deur luisteren.

„Pst,” fluisterde Raffles. „Laat dat! Jij kunt niet luisteren, Charly,

en verstaat toch niets!”

„Jij wel?”

„O, ja!”

„Is er iets belangrijks?”

„En of!”

„Wat is het toch, Edward, vertel het mij!”

„Hm! Kun je zwijgen, Charly? Ernstig zwijgen?”

„Dacht je misschien, dat ik je zou verraden?”

„Neen! Verraad vrees ik niet!”

„Wat dan wel?”

„Je tong. Ik verwacht geen waarschuwingen!”

„Edward!”

„Al goed, Charly! Ik ken je! Ik weet, dat je het goed meent!”

„Ik doe immers alles uit louter vriendschap!”

„Juist, m’n jongen! En dat is ook je eenige verontschuldiging.”

„Vertel me dan toch eindelijk wat je met die beide lieden voor hebt!”

„Nu goed! Ik zal het je vertellen. Maar je moet mij beloven, dat je

niet zult probeeren, mij van mijn plan af te brengen. Je zoudt me maar

boos maken en verder kom je er toch niet mee!”

„Ik beloof het, Edward!”

„Hoor dan!”

„Die gouverneur Ortschkoff met zijn gouden tressen en zijn borst vol

ridderorden is een gemeene ploert. Hij perst het geld, dat hij

verbrast, van de allerarmsten. Aan al die schandelijk verdiende kopeken

kleven bloed en tranen.”

Charly Brand stond verbluft.

Raffles had alle koelbloedigheid verloren.

Hij vervolgde:

„De man, die bij den generaal is, is zijn districtschef graaf

Barjatinsk, die de belastingen voor hem int. De beide schurken hebben

goede zaken gemaakt, doordat zij pas de belastingen hebben verdubbeld.

„Ortschkoff is er nu op uit om het voor hem gestolen geld naar Sint

Petersburg te brengen.”

„Heb je dat allemaal in de eetzaal gehoord?”

„Alles! Je weet, dat ik een buitengewoon scherp gehoor heb!”

„Dat heeft je ook al heel wat diensten bewezen, Edward!”

„Om nu vooral nergens eenig opzien te baren, is de generaal op een sluw

denkbeeld gekomen. Hij heeft Von Barjatinsk alles in een doodkist laten

pakken, die oogenschijnlijk het stoffelijk overschot van zijn oom

bevat. Het lijk van den militair zal nu onder sterk militair geleide in

een aparten goederenwagen naar Sint Petersburg worden gebracht. Je

begrijpt, Charly, dat niemand zich aan een lijk zal vergrijpen, zelfs

als—er iets gebeurde.”

„Wat bedoel je, Edward?”

„Hm! Wil je beslist alles weten?”

„Ja, je moet mij de heele zaak vertellen!”

„Nu dan, de trein rijdt door groote vlakten, waarin de arme bevolking

woont, die als een citroen is uitgeknepen.

„De lui hebben niets te verliezen en hun hart is vervuld van wraak,

toorn en bitterheid. Het zou niet de eerste keer zijn, als de trein

werd overrompeld.”

„En wat wil jij nu doen?”

„Kun je dat nu inderdaad niet denken, Charly?”

„Neen! Je weet, dat ik jouw overmoedigen gedachtengang niet kan

volgen!”

Raffles knikte.

„En toch is het de natuurlijkste zaak van de wereld!”

Brand werd ongeduldig.

„Je stelt mij wel héél erg op de proef, Edward. Plaag mij nu niet

langer. Wat is in jouw oogen de natuurlijkste zaak van de wereld?”

„Dat ik den generaal zijn schat ontroof, voordat de Siberiërs het

doen!”

Charly Brand was sprakeloos.

Hij keek Raffles aan, alsof deze een spookverschijning was.

Den schat rooven?

Uit de doodkist, die door vele soldaten bewaakt werd?

Hoe wilde hij dat doen?

Dat was immers onmogelijk!

„Charly, ik heb je hulp noodig,” viel Raffles plotseling in, nadat hij

weer een oogenblik aan de deur had geluisterd.

„Bij de uitvoering van dat waanzinnige plan misschien?”

Lord Lister glimlachte.

„Ja en neen! Bij de uitvoering zelf kan ik je niet gebruiken, want de

haren zouden je te berge rijzen. Maar bij de voorbereidingen Charly,

heb ik je noodig!”

„Goed. Zeg maar, wat ik te doen heb!”

„Ga nu maar eens naar het station om te informeeren wanneer de trein

weggaat, die het lijk van den generaal vervoert, en in welken waggon

het ligt.”

„Hoe moet ik dat gewaar worden?”

„Doodeenvoudig. De doodkist zal wel door een eerewacht bewaakt worden!”

„Ik vlieg al,” antwoordde Brand, blij, dat hij van dienst kon zijn. „Ik

kom gauw terug.”

„Zorg, dat je alles precies weet, Charly, en bestel in den slaapwagen,

die het dichtst bij de doodkist is, voor ons twee bedden!”

Charly keek Raffles aan.

Hij begreep er niets van.

En hoofdschuddend vertrok de secretaris.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN NOODLOTTIGE KLIMPARTIJ.

Brand verliet de kamer en Raffles grendelde haar zorgvuldig.

Hij had zijn vriend naar het station gestuurd om alleen te zijn, want

hij voerde iets in het schild, waarbij hij geen angstig toeschouwer kon

gebruiken.

Toen deed hij de balkondeur open en keek naar buiten.

Het was volslagen donker; slechts enkele vensters waren flauwtjes

verlicht.

Achter al de kamers van het hotel waren balkons aangebracht, waarop de

gasten wat frissche lucht konden scheppen.

Lord Lister overzag den toestand nauwkeurig.

Hij wilde op het balkon van nummer 38 komen om te zien, of de bewoners

zich daar ophielden of dat zij misschien in het aangrenzende kabinetje

waren.

Maar de kloof tusschen de beide balkons was diep.

Zelfs voor een geoefend turner als Raffles was het geen kleinigheid,

over dien afgrond te komen.

Maar de meesterdief deinsde voor niets terug.

Hij had zich voorgenomen het geheim van generaal Ortschkoff te

ontsluieren en nu was hem ook geen moeite te groot.

Vlug haalde hij zijn wandelstok en een ladder, van paardenhaar

gevlochten, die zóó dun was, dat hij haar makkelijk in den zak kon

steken.

De wandelstok kon, evenals een hengelroe, uit elkaar genomen worden.

Maar de wandelstok noch de touwladder reikten tot het volgende balkon.

Lord Lister liet zich echter niet afschrikken.

Tusschen beide balkons hing een brandladder van het dak van het hotel

tot den tuin omlaag. Dat brak dus den afstand.

Met groote handigheid slingerde hij de touwladder om de brandladder,

haalde toen met den uitgeschoven wandelstok het uiteinde weer naar zich

toe, maakte de beide einden stevig vast aan het balkon, waarop hij

stond en begon toen op handen en voeten door de lucht te klimmen.

Het was een halsbrekende tocht, maar ongedeerd belandde hij toch op de

brandladder.

En nu moest hij zich naar het balkon van nummer 38 slingeren.

Ook dat gelukte.

Door den sprong viel echter een steentje neer in den tuin van het

hotel.

Het trof een kellner, die juist voorbij liep.

„Hallo!” riep de man en hij keek naar boven.

Raffles bukte zich snel en luisterde of de kellner bleef staan.

Een poosje wachtte deze, toen ging hij verder.

Raffles trachtte nu iets gewaar te worden van hetgeen in nummer 38

voorviel.

Van een gesprek kon hij niets verstaan.

Hij hoorde echter duidelijk, dat er geld geteld werd, veel geld.

Hij haalde zijn boor te voorschijn en maakte in de balkondeur heel

voorzichtig een gat.

Toen keek hij erdoor en zag iemand, die een berg van goud voor zich

had.

Maar wat was dat?

Had lord Lister zich vergist?

Was hij voor een verkeerde kamer terecht gekomen?

Hij kende dien man niet.

Zoo’n boeventronie had Raffles zijn heele leven nog niet gezien.

Het was een gelaat, waarin duivelsche ruwheid en hebzucht hun sporen

hadden achtergelaten.

Af en toe liet de geldteller eenige goudstukken in zijn zak verdwijnen,

waarbij hij met schuwen blik naar de deur keek, die naar de

aangrenzende kamer voerde.

Het booze geweten sprak klaarblijkelijk bij dezen kerel.

Raffles was ervan overtuigd, dat hij hier een nieuwe misdaad op het

spoor was, die met den schurkenstreek van den generaal niets had uit te

staan.

Eensklaps schrikte de geldteller hevig.

Vlug liet hij een handvol goudstukken in zijn zakken verdwijnen.

Daarop vloog hij naar de deur, waarop geklopt was op heel bijzondere

wijze.

Tot Raffles’ groote verbazing trad graaf Barjatinsk de kamer binnen.

Hij was buiten adem en erg opgewonden, maar vergat desondanks niet, de

deur af te sluiten.

„Goddank!” bracht hij uit. „Generaal Ortschkoff is afgereisd met het

lijk van zijn oom. Haha! Ik moest lachen om die dragonders en kozakken!

Met den grootsten eerbied stonden ze om de doodkist. Zij zullen den

schat wel veilig overbrengen. Ik zou niemand raden, met die jongens te

beginnen; het lijken wel buldoggen, zeg Pawlow.”

De man, die met Pawlow werd aangesproken, keek op.

Een hatelijke grijns vertrok zijn leelijk gelaat.

„Ortschkoff gaat met den schat naar Sint Petersburg. Ik geloof, dat wij

een reuzendomheid hebben begaan!”

„Hoezoo?”

„Dat wij den gouverneur lieten vertrekken.”

„Hebben wij hem niet genoeg afgezet? Hoeveel zou daar wel liggen,

Pawlow?”

„Alles bij elkaar tachtigduizend, honderdduizend roebel! Een

belachelijke som in vergelijking tot wat de gouverneur wegsleept.”

„Wat hadden we dan volgens jou moeten doen, Pawlow?”

„We hadden steenen in de kist moeten pakken!”

„En als hij het gemerkt had? Dan zou hij ons op levenslangen

dwangarbeid hebben getrakteerd.”

„Hij zal wel oppassen. Hij moet ons ontzien!”

„In ieder geval is het nu te laat. De trein is al op weg naar Europa!”

„Dan is hij vijf uur vroeger vertrokken, dan was aangegeven!”

„Ja, de generaal heeft het doorgezet!”

Deze tijding was een hoogst onaangename verrassing voor Raffles.

Zijn heele plan werd erdoor in duigen gegooid.

De trein was met den schat vertrokken! Inhalen was onmogelijk!

„De mensch moet tevreden zijn met wat hij heeft,” hoorde hij den

districtschef zeggen. „Ik hoop overigens, Pawlow, dat je niets hebt

achtergehouden!”

De schurk kromp ineen.

En bij die onwillekeurige beweging was het Barjatinsk alsof hij een

metalen klank hoorde. Alsof goudstukken legen elkaar rammelden.

Had hij goed gehoord?

Hij moest daar meer van weten.

En hij nam zijn toevlucht tot een list.

„Water, water!” stiet hij plotseling uit, „ik word zoo duizelig!”

De graaf wankelde, greep naar zijn hoofd en viel op de sofa neer.

„Wat is er gebeurd, uwe genade?” riep Pawlow en hij vloog op Barjatinsk

toe om hem te ondersteunen.

Nu werd het goudgerinkel duidelijk hoorbaar in zijn zakken.

De graaf zag, dat zijn secretaris gebogen liep onder den last van het

gestolen geld.

„Nu heb ik je, ellendeling!” schreeuwde hij plotseling op wilden toon.

Hij sprong van de sofa en pakte Pawlow bij de keel.

Hevig schudde hij hem heen en weer, zoodat zelfs enkele goudstukken op

den grond rolden.

Pawlow zag, dat hij verloren was.

De zucht naar al het goud, dat daar lag opgestapeld, benevelde zijn

zinnen.

Hij haalde een dolk van onder zijn vest en stiet in den blinde naar

Barjatinsk.

Maar deze was hem voor.

Ook hij bezat een wapen, een revolver, en nog voordat Pawlow den

doodelijken steek had kunnen toebrengen, drukte Barjatinsk hem het

wapen in het gelaat af.

De kogel drong Pawlow in het linkeroog.

Rochelend zonk Pawlow neer. Uit zijn zakken vloeide een ware goudregen.

VIERDE HOOFDSTUK.

VLUCHT EN VERVOLGING.

Het dreunende schot had natuurlijk het geheele hotelpersoneel op de

been gebracht.

Uit alle vensters keken de verschrikte gasten en de kellners vlogen den

tuin in.

Veel konden zij echter niet zien en het duurde een poosje, voordat

licht werd gebracht.

Raffles had terstond zijn gevaarlijke positie geheel overzien.

Op het balkon van nummer 38 kon hij onmogelijk blijven.

Ieder zou zijn aanwezigheid daar met den moord in verband hebben

gebracht.

Hij mocht tot geen prijs in hechtenis worden genomen.

Iedere minuut, iedere seconde voor hem was kostbaar.

Tuimelde niet reeds de trein, die den schat vervoerde, met razende

snelheid door de vlakte?

Naar het balkon van nummer 39 durfde hij evenmin terugkeeren.

En elk oogenblik kon de tuin helder verlicht worden.

Zijn toestand was hachelijker dan ooit. Van de gang af drong men nummer

38 al binnen.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Intusschen verkeerde Charly Brand in duizend vreezen.

Hij was, zooals boven beschreven, naar het station gegaan om te hooren,

wanneer het „lijk” zou vervoerd worden.

Tot zijn groote ontzetting had hij daar gehoord, dat de trein „met het

lijk van den generaal” al vertrokken was.

Hij was wanhopig en teleurgesteld.

Charly toch wist maar al te goed, hoeveel het zijn vriend kon schelen

om mee te zijn vertrokken.

Gelukkig echter verloor hij nog niet alle tegenwoordigheid van geest.

Tijd winnen was het eenige, dat hier aan de orde was.

Brand stapte dus dadelijk in een automobiel en suisde naar het hotel

„Sint Petersburg,” waar hij de trappen op vloog.

In de haast had hij heelemaal vergeten, den chauffeur te betalen en

deze bleef dus kalm wachten, in de meening, dat de vreemdeling zijn

diensten nog wel verder zou noodig hebben.

Charly Brand was niet weinig verbaasd, zijn vriend Edward niet in de

kamer te vinden.

Hij rende naar de eetzaal, de leeszaal, de conversatiezaal, de

schrijfkamer.

Raffles was er niet......

Niemand had den heer van nummer 38 het hotel zien verlaten.

Doodelijk ontsteld en ongerust en zonder een oogenblik te denken aan de

wachtende auto vloog hij naar nummer 38 terug en pakte daar alles in

voor het geval, dat men plotseling zou moeten afreizen.

Toen alles gepakt was, viel hem plotseling de automobiel weer in.

Zijn eerste gedachte was nu, den chauffeur zoo gauw mogelijk weg te

sturen.

Hij liet dit plan echter al heel gauw weer varen.

Hij liet den koffer naar beneden brengen en op de auto laden, toen

betaalde hij de hotelrekening, want hij begreep dat Raffles, als hij

terugkwam, dadelijk zou willen vertrekken.

Nadat dit alles was geschied, ging Charly terug naar nummer 39, nam

plaats op de sofa en wachtte doodkalm af, wat verder zou gebeuren.

Plotseling werd in de aangrenzende kamer gedruisch vernomen. Toen

kraakte een schot en klonk het rinkelend geluid van geld.— — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Charly holde naar het venster, want in den tuin werden stemmen gehoord.

Daar zag hij plotseling een donkere gedaante door de lucht vliegen.

Het bloed stokte hem in de aderen.

Die zwarte schaduw was een mensch.

„Almachtige God!” stiet Charly uit en hij sloeg de handen voor het

gelaat om niet te zien, dat de ongelukkige te pletter viel.

Maar er volgde geen noodkreet en geen doffe slag.

Alleen vloog hem iets over het hoofd en hij hoorde de zacht maar

duidelijk gefluisterde woorden:

„Charly, neem de touwladder en wacht mij met hoed en jas op onze

kamer!”

„Dat was Edwards stem”, hijgde Charly toonloos.

Werktuigelijk haalde hij de touwladder binnen en stak die in den zak.

Nauwelijks was hij de kamer weer binnen gegaan of van den anderen kant

kwam—lord Lister, elegant gekleed, de sigaret tusschen de lippen, die

vol voorname minachting over de geheele wereld glimlachte.

Raffles was door de dakgoot geloopen, die hij langs de brandladder

bereikt had, toen was hij door een luik geklommen en met de steeds

dóórloopende lift kwam hij op de verdieping, waar hij wezen moest.

Doodkalm was hij toen naar zijn kamer gestapt.

Charly was verstomd.

En bovendien wist hij niet, hoe hij zijn vriend de Jobstijding moest

meedeelen.

Maar Raffles was hem vóór.

„De trein is al vertrokken, Charly!”

„Wéét je dat al? Van wien?”

„Komt er niet op aan!”

„Maar—”

„Hou je kalm, kerel! Wij moeten den trein inhalen!”

„Inhalen? Dat is totaal onmogelijk!”

Charly volgde echter zijn vriend naar de gang, waar de grootste

verwarring heerschte.

De politie was druk in de weer en alle uitgangen werden afgezet.

Niemand viel het echter in, den voornamen lord Lister en diens

secretaris vast te houden en terwijl alle hotelbedienden diep bogen,

verlieten de heeren het gebouw.

„Naar het station”, beval Charly.

De auto tufte weg.

Raffles liet den automobiel niet voor den hoofdingang rijden; een

eindje tevoren reeds liet hij halt houden.

Vlug trad hij toen het telegraafbureau binnen.

„De trein naar Krasnojarsk is om 7 uur 45 minuten vertrokken, dus vijf

uren vroeger dan was aangegeven. Waar is hij nu?”

De beambte raadpleegde een kaart.

„Ongeveer tusschen Tscheremkowo en Kurulitz.”

„Is hij Kurulitz nog niet voorbij?”

„Neen! Dan zou ik reeds telegrafisch bericht hebben ontvangen.”

„Goed. Telegrafeer dan vlug: De trein moet opgehouden, tot grootvorst

Peter Andrejew met zijn adjudant is aangekomen. Voor den grootvorst

moeten in den voorsten slaapwagen twee afdeelingen tegenover elkander,

elk met twee bedden, gereserveerd worden.”

De beambte boog diep.

Hij twijfelde er geen oogenblik aan of hier voor hem stond de adjudant

van den grootvorst.

Toch antwoordde hij op bescheiden, maar vastberaden toon:

„Uw telegram mag ik niet zonder toestemming van den stationschef

overseinen.”

Nu veranderde Raffles van taktiek.

Hij wist, dat men bij Russische beambten moet werken met den knoet en

den roebel.

Lord Lister deed beide.

Hij gaf den beambte een banknoot van honderd roebel en hield hem

dreigend een revolver voor.

„Dadelijk telegrafeeren, jij hondsvot, anders schiet ik je neer, alsof

je dol waart geworden!”

De beambte werd vaalbleek, maar hij deed, wat verlangd en bevolen werd.

Toen dit geschied was, sprak Raffles:

„En waag het nu niet, door een tweede telegram dit eerste te herroepen.

Het zou onherroepelijk je dood zijn.”

Raffles ging heen.

Hij was ervan overtuigd, dat de telegrafist geen tweede telegram zou

zenden.

Onmiddellijk nam hij weer plaats in den auto, nadat hij den chauffeur

had bevolen, naar „Tscheremkowo” te rijden.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN AUTO-TOCHT DOOR SIBERIË.

De chauffeur ontstelde niet weinig over deze opdracht.

Hij deelde mede, dat deze tocht bijzonder duur was, daar ook de

terugrit betaald moest worden en zeker een tiendubbelen voorraad

benzine moest worden ingeslagen.

„Alle duivels!” barstte Raffles los, „neem zooveel benzine mee als je

wilt. Ik heb naar geen prijs gevraagd. Denk je, dat grootvorst Peter

Andrejew, wiens adjudant ik ben, zoo’n kale jakhals is als jij?

Vooruit!”

De chauffeur boog diep.

Toen suisde hij weg.

Hier moet even worden aangestipt, dat de groote verkeerswegen in

Siberië in uitstekenden staat verkeeren en dus voor automobieltochten

bij uitstek geschikt zijn. Als men tenminste de roovers en de wolven

terzijde laat.

Voordat in Januari 1899 de groote Siberische spoorweg werd geopend,

waren namelijk deze heerwegen de eenige verkeerswegen, die dus door den

Staat goed werden onderhouden.

In korten tijd was een reusachtige benzinevoorraad ingeslagen en de

tocht werd ondernomen.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Voordat wij de beide vrienden op hun tocht verder vergezellen, moeten

wij even nagaan, wat gebeurde in hotel „Sint Petersburg”, daar eenige

der daar aanwezige personen later nog onze belangstelling zullen

wekken.

Toen de inspecteur van politie kamer 38 binnendrong om te constateeren,

wat gebeurd was, stond hij, tot zijn niet geringe verbazing, plotseling

tegenover zijn chef, graaf Barjatinsk.

Pawlow, die eenige getuige van den moord—want van de aanwezigheid van

Raffles op het balkon wist geen sterveling iets—was dood.

Hoog opgericht stond graaf Barjatinsk in het vertrek en zei:

„Hier is een afschuwelijke moord gepleegd. Ik kwam juist erbij, toen de

moordenaar langs de balkondeur verdween. Het is voor mij een raadsel,

hoe de kerel is ontkomen, maar hij moet nog in huis zijn.”

„De uitgangen van het hotel worden bewaakt”, sprak de

politie-inspecteur, „ik zal alles onderzoeken.”

„Doe dat! Hier is de revolver, waarmee de moordenaar zijn slachtoffer

overhoop heeft geschoten!”

De graaf gaf zijn eigen wapen.

En terwijl Raffles en Charly Brand vooruitstoven, werd in Irkoetsk het

heele hotel Sint Petersburg op z’n hoofd gezet.

De moordenaar moest op de een of andere manier op het balkon zijn

gekomen, waar hij zijn slachtoffer had zien geld tellen, totdat hij was

binnengedrongen en den man had overhoop geschoten.

Met verbazing werd nagegaan, welk een halsbrekenden sprong de

moordenaar moest hebben gedaan en men kwam tot de overtuiging, dat het

een gewiekst inbreker moest zijn geweest, die hier aan het werk was

gegaan.

De politie trok aan het werk.

Al haar nasporingen echter leidden tot niets en geen oogenblik werd er

aan gedacht dat de voorname gentleman, die met zijn secretaris op 39

had gelogeerd, iets van deze donkere daad kon afweten.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Raffles leunde op zijn dooie gemak achterover in den auto.

Charly Brand daarentegen werd hoe langer hoe zenuwachtiger.

„Je maakt me nog dol, Charly”, begon Raffles. „Je lijkt wel mal.”

„Ik snap er vandaag nog minder van dan anders. Edward, wat beteekent

deze dolle tocht? Wat wil je in het nest Tscheremkowo, dat midden in de

steppe ligt?”

„Ik wil me eens verfrisschen.”

„Ga je daarom naar dat arme, Siberische dorp?”

„Er zal wel een herberg te vinden zijn!”

„Dat denk ik ook! Maar ’t is een gat, hoor!”

„Hm!”

„Is dat de eenige reden?”

„En waarom niet?”

„Omdat het waanzinnig is!”

„Dank je!”

„Niet te danken!”

„Zeg, Charly!”

„Watblief?”

„’t Is toch niet de eenige reden!”

„Dat dacht ik al!”

„Ik ben van plan, in dat nest grootvorst Peter Andrejew te ontmoeten!”

„Jij? John Raffles?”

„Ja ik! Maar niet als John Raffles, doch als Teodor Timofejew!”

„Waarom?”

„Omdat ik onder dien naam een baantje als adjudant heb aangenomen!”

„Jij? Een baantje als adjudant? Bij grootvorst Peter Andrejew?”

„Zooals ik zei!”

„En wat moet dat allemaal beteekenen? Wie is die grootvorst eigenlijk?”

„Jij.”

„Ik?”

Charly schreeuwde het uit. Hij schrikte onnoembaar.

„Je schijnt je rol nog niet heel goed te kunnen spelen.”

„Neen! Ik heb er geen talent voor, Raffles. Ik snap er weer eens

niemendal van, Edward!”

„Zie je wel, Charly, dat je nog altijd een onnoozel kind bent? Heb je

wel eens een grootvorst of een ander groot heer gadegeslagen?”

„Ik geloof, dat wij daarvoor op onze internationale reizen nogal eens

de gelegenheid hebben gehad.”

„Dan heb je al heel slecht opgelet Charly!”

„Hoezoo?”

„Omdat je anders moest weten, dat de adjudant feitelijk de leidende

persoon is, terwijl de grootvorst niets is dan de ledepop.”

„Ik begrijp je. Je wilt dus je handen vrij hebben en mij behandelen als

een trekpop!”

„Niet als een trekpop, Charly, maar als een grootvorst!”

„Dat is hetzelfde.”

„Nu heb je me begrepen. Maar vind je niet, dat onze auto

verschrikkelijk langzaam rijdt?”

En met deze woorden deed hij de deur open en klom op den bok.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN MEDELIJDEND AUTOMOBILIST.

De chauffeur was niet weinig verbaasd over deze handeling van zijn

passagier.

Lord Lister liet hem echter geen tijd, van deze verbazing te doen

blijken, maar vroeg hem, waarom hij niet sneller reed.

„Het is al donker,” luidde het antwoord, „er is zoo weinig te zien op

den weg!”

„Maar man, dan ben je blind! Ik zal je eens wijzen, hoe je moet

rijden!”

Lord Lister nam het stuur.

En nu raasde de autokar met verdubbelde snelheid voorwaarts.

Maar halt!

Wat was dat?

Een dikke stofwolk dwarrelde op, de motor pufte met zoo’n kracht, dat

een ontploffing onvermijdelijk scheen.

Charly stiet een kreet van schrik uit en vloog van zijn plaats.

De chauffeur kwam met een groote bocht op den straatweg.

De auto stond stil.

Raffles had in allerijl gestopt, want ondanks de heerschende duisternis

had hij een vrouw en twee kinderen voor het voertuig zien vallen.

De ongelukkige had zich met haar spruiten van het leven willen

berooven.

Zij lag nu met haar schreiende kleinen midden op den weg.

Raffles nam eerst de kinderen op en zette ze in den auto.

Hij zei Charly, dat deze hen moest troosten, want ze beefden van

schrik.

De arme vrouw ging te keer als een waanzinnige.

Zij verweet Raffles in vele woorden, dat hij den auto had gestopt,

zoodat zij niet met haar kinderen den dood had gevonden, waarnaar zij

zoozeer had verlangd.

„Beste, goede vrouw”, sprak Raffles in antwoord op de grove verwijten,

„is uw leed dan zoo groot, dat ik het niet kan helpen verzachten?

Vertel mij eens, wat u dreef tot deze wanhoopsdaad. Weet ge wel, dat

het heel zondig is om u zelve en uw kinderen van het leven te

berooven?”

„Ik deed het, omdat ik mijn kinderen lief heb. Omdat ik een einde wilde

maken aan hun jammerlijk bestaan. Het is beter zoo te sterven, dan den

hongerdood te gemoet te gaan!”

„Is het dus de honger? Als dat uw grootste zorg is, kan ik er u spoedig

van bevrijden!”

„Gij? Wilt gij ons van den honger bevrijden, die ons martelt, zoover

onze herinnering strekt?”

„Ja, goede vrouw, dat wil ik! Ik zal voor u en uw kinderen zorgen.

Leeft uw man nog?”

De arme vrouw knikte bevestigend.

Tranen verstikten haar stem.

„Mijn arme man ligt uitgeput thuis. Hij zal spoedig sterven en om

verdere ellende te ontkomen, wilde ik mij met mijn kinderen van het

leven berooven!”

„Dan is het hoog tijd, dat wij uw man redden!”

Raffles ging weer aan het stuur zitten en liet de vrouw naast zich

plaats nemen, opdat zij hem den weg zou kunnen wijzen.

De arme sloof vertelde hem onderweg treurige dingen.

Het geheele gouvernement was uitgezogen, daar de bevolking krankzinnig

hooge belasting moest betalen. De laatste kopeken werden hun afgenomen,

de laatste koe, de laatste geit uit den stal gehaald en voortgedreven.

Geen wonder, dat de boeren vertoornd waren, daar zij bijna allen tot

den bedelstaf waren gebracht.

Toen de geredde vrouw hoorde, dat zij van lord Lister genoeg geld zou

krijgen om eenige maanden geheel zonder zorg te kunnen leven, kon zij

die blijde boodschap eerst niet gelooven.

John Raffles gaf haar toen een beurs vol goudstukken, opdat zij zou

zien, dat het hem volle ernst was.

Toen barstte de rampzalige los in een wilden schaterlach en zoende de

beurs.

Na eenigen tijd reed de auto een dorp binnen, dat er erbarmelijk en

verwaarloosd uitzag en lord Lister bracht de vrouw en de kinderen naar

een barak, waarin geen stuk huisraad was.

Op een legerstede van vervuild stroo lag de vader van het huisgezin,

die door gebrek aan voedsel totaal was uitgeput.

De edele weldoener gaf den armen stumperd, die zijn geluk niet kon

beseffen, een groote som gelds en ging toen naar den Starosta, den

burgemeester van het dorp.

Deze, een eerwaardige grijsaard, ging diep gebukt onder zorg en kommer.

Hij had zich niet ter ruste begeven, hoewel middernacht allang voorbij

was.

Het ongeluk dat de dorpsgenooten had getroffen, hield de slaap uit zijn

oogen.

De Starosta was hoogelijk verwonderd over deze plotselinge hulp. Hij

knielde neer en begon met luider stem te bidden.

Toen hij eenigszins van zijn verrassing was bekomen, gaf de meesterdief

hem 5000 roebel en daarbij een gesloten brief, waarin hij enkele

woorden had geschreven.

Brand wilde over den schouder van zijn vriend kijken.

„Niet nieuwsgierig zijn, Charly. Je zult gauw genoeg hooren, wat er in

dezen brief staat!”

„En waarom moet het tot zoolang een geheim blijven?”

„Omdat het je te veel zou opwinden!”

Dat was juist voor den zenuwachtigen Brand een reden om opgewonden te

worden.

Raffles nam daarvan echter geen notitie.

Hij sprak tot den starosta:

„Open dezen brief niet, voordat ge in gemeenteraad vergaderd zijt.

Vaarwel!”

De oude man wilde uiting geven aan zijn overgroote dankbaarheid.

Raffles wachtte dat echter niet af.

„Wat doe je toch weer geheimzinnig,” bromde Charly, „waarom geef je mij

toch voortdurend raadseltjes op!”

„Ik denk er niet aan jou raadseltjes op te geven. Ik zou het zelfs veel

beter vinden, als je je wat minder bemoeidet met dingen, die je niet

aangaan. En stap nu in, Charly, wij moeten zoo gauw mogelijk naar

Tscheremkowo. Wij hebben ons hier al veel te lang opgehouden!”

„Zeg mij dan tenminste, wat je in Tscheremkowo wilt!”

John Raffles glimlachte.

„Morgen zult ge alles vernemen, grootvorst Peter Andrejew, want als

zoodanig kun je je adjudant, Teodor Timofejew bevelen te zeggen, wat

hij weet.”

Met deze woorden duwde lord Lister den verbluften secretaris in den

wagen, sprong op den bok en in het volgende oogenblik rende de

automobiel weer door de duisternis.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE GROOTVORST EN ZIJN ADJUDANT.

De heldere morgen straalde in volle pracht, toen de automobiel

Tscheremkowo binnenreed, waar het voertuig stilhield voor een

eenvoudige herberg.

Het was een afgelegen dorpje, dat uit houten huizen bestond.

Charly Brand was koortsachtig opgewonden.

Hij wist dat zijn vriend op het punt stond, een dollen streek uit te

halen, maar wat er feitelijk zou gebeuren was hem een volkomen raadsel.

Waarom moest in dit kleine nest worden opgehouden?

Het lag wel aan den spoorweg, maar de trein was allang gepasseerd.

En wat had die geheimzinnige brief te beteekenen.

Toen de auto stil hield, sprong Raffles van den bok, nam den hoed af en

fluisterde Brand toe:

„Charly, zet een hoogmoedig gelaat, kijk zoo minachtend en verachtelijk

mogelijk, praat alleen met mij, bemoei je met niets en met niemand. In

één woord: speel den grootvorst!”

Brand was zóó verbaasd in het eerste oogenblik, dat hij dacht ineen te

zinken.

Maar de toon van lord Lister was zóó beslist, dat Charly zich

onmiddellijk verplaatste in de hem toebedeelde rol.

De herbergier boog bijna tot den grond, toen hij hoorde, welke gasten

onder zijn nederig dak kwamen vertoeven.

Zoo’n eer was hem nog nooit te beurt gevallen.

Hij rende door zijn huis om het den gasten toch vooral naar den zin te

maken, want de adjudant had eten en drinken besteld, ook voor den

chauffeur.

Nog wijder openden zich de oogen van den waard, toen hij bij terugkomst

den grootvorst zag in galagewaad. Hij had de uniform van het regiment

van Kaluga aangetrokken.

Toen de reizigers zich gelaafd hadden, vertrokken zij weer en reeds van

verre zagen zij aan het station den trein staan, waarover Brand zich

niet genoeg kon verbazen.

Op het station heerschte groote opgewondenheid, want de reizigers waren

er ganschelijk niet over gesticht, dat zij hier werden opgehouden.

Lord Lister was onmiddellijk naar den stationschef gegaan.

„De grootvorst gevoelt zich niet al te wel,” sprak hij, „hij zal

terstond naar den slaapwagen gaan. Is die gereed?”

„Zeker, uwe genade. Zal ik u den coupé aanwijzen?”

„Wacht even! Ik zal Zijne Excellentie vragen, wat hij wenscht!”

Gouverneur Ortschkoff was intusschen ook verschenen en als een hondje

liep hij achter den adjudant aan.

Hij gevoelde zich heel erg onbehagelijk en ondanks de heerschende koude

parelden groote zweetdroppels op zijn gelaat.

De stationschef ook was niets op zijn gemak, zij het dan ook om geheel

andere redenen.

Zijn angst verminderde niet, toen hij bemerkte, dat de „adjudant”

bijzondere belangstelling koesterde voor het lijkentransport.

Hij liet zich den goederenwagen wijzen en de opmerking moest hem van

het hart, dat de eerewacht bij het lijk wel bijzonder groot en prachtig

was.

„Als ge de heele doodkist vol goudstukken hadt”, sprak de meesterdief

tot den gouverneur, „zoudt ge haar niet zorgvuldiger kunnen laten

bewaken dan nu den dooden generaal.”

De gouverneur verbleekte.

De opmerking van den adjudant had hem als een bliksemstraal getroffen.

Het duizelde hem een oogenblik.

Maar toen hij opkeek, staarden zijn ontstelde oogen slechts in een

glimlachend, onbevangen gelaat.

John Raffles wist genoeg.

Hij wist thans zeker, dat de doodkist met goud gevuld was.

Hij liet den gouverneur gaan met een handbeweging en sprak op

welwillenden toon:

„Ik zal den grootvorst rapport doen.”

Ortschkoff haalde verruimd adem.

De meesterdief liet zich thans de voor hem en den grootvorst

gereserveerde afdeelingen toonen.

Hij scheen er niet mee in zijn schik en Raffles—Tirmofejew verklaarde

eenvoudig, dat hij het niet zou durven wagen, den grootvorst deze

ruimte aan te bieden.

De stationschef wist zich gewoonweg geen raad.

Met een Russischen grootvorst valt nu eenmaal niet te spotten.

Maar er gebeurde niets.

De adjudant scheen inderdaad een heel vriendelijk heer te zijn.

Hij stelde er zich mede tevreden, dat voor den grootvorst een aparte

slaapwagen werd aangehaakt.

Als plaats daarvoor wees hij aan de plek vóór den goederenwagen, waarin

de doodkist werd vervoerd.

De chef was blij, dat hij er zóó afkwam en alles werd terstond

geregeld, zooals de adjudant het verlangde.

De reizigers haalden verruimd adem. Zij begrepen, dat men nu heel

spoedig Kutulik zou verlaten.

Intusschen liep de pseudo-grootvorst in de wachtkamer als een hyena in

zijn kooi onrustig heen en weer.

Hij was door Raffles in een toestand gebracht, waarin hij heelemaal

niet thuis behoorde.

Daar kwam zijn vriend eindelijk aan.

Hij sloot de deur, ging in militaire houding staan, sloeg aan en meldde

op korten, zakelijken toon:

„Alles is in orde, Uwe Hoogheid! De slaapwagen wordt aangehaakt, over

een kwartier kunnen wij afreizen!”

„Alle duivels, Edward, laat die gekheid!” barstte Charly los, „zou je

mij nu eens willen vertellen, wat al die poespas beteekent?”

„Ik heb het je toch gezegd, Charly, dat ik het lijk moet hebben!”

„Welk lijk?”

„Dat in de doodkist ligt, die gouverneur Ortschkoff weg brengt!”

„Ik dacht, dat er goud was in die doodkist!”

„Des te beter! Dan neem ik het goud inplaats van het lijk. Ik zie, dat

de trein klaar is. Onze koffers worden al opgeladen; daar moet ik als

adjudant het toezicht op houden. Je moet voor grootvorst spelen,

Charly, trek vooral een lijdend gezicht en wees te ziek om iemand te

kunnen groeten. Denk er aan!”

Raffles was de deur al uit, voordat Brand hem nog kon vasthouden.

Lord Lister beloonde den chauffeur zóó rijkelijk, dat de man als door

midden boog.

Charly’s bleekheid was nu geheel en al verdwenen. Hij was eerder rood

geworden van zenuwachtige spanning en groette met voorname minachting.

De trein kon thans vertrekken.

Raffles gaf den stationschef verlof, dat hij het sein kon geven en

spoedig zette de locomotief zich in beweging over de gladde rails, door

verdubbelde snelheid trachtend, het tijdverzuim in te halen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

WAAGHALZERIJ.

Lord Lister viel zuchtende terug in de zachte kussens van een coupé

eerste klasse, waarin hij natuurlijk met Brand alleen was en strekte de

beenen behagelijk uit.

„Het grootste offer heb ik toch gebracht,” sprak hij met een

sarcastisch lachje.

„Hoezoo?”

„Omdat ik den heelen tijd geen sigaret heb kunnen rooken. Als adjudant

in grootvorstelijken dienst kan ik dat toch onmogelijk doen. Maar ik

zal nu mijn schade inhalen.”

„Heb je het krankzinnige plan om die doodkist te plunderen, nog altijd

niet opgegeven?”

„Zie ik er uit, Charly, alsof ik een plan zou opgeven. En bovendien is

dat, wat ik van plan ben, allerminst, allerminst zot.”

Charly Brand haalde de schouders op.

„Uit een gesloten doodkist, die door soldaten wordt bewaakt, zou jij

den schat willen stelen?”

„Het komt er maar op aan, hoe je dat doet, ouwe jongen! Als jij het

waagstuk zoudt willen ondernemen, zou ik je voor gek verklaren!”

„Ik heb geen flauw vermoeden, hoe jij die boel zult opknappen.”

„Dat begrijp ik.”

„Het is levensgevaarlijk!”

„Inderdaad!”

„Maar hoe ga je dan te werk?”

„Dat zal ik je niet vertellen!”

„Waarom niet?”

„Omdat je mij dan voor razend gek zoudt verslijten!”

„Is het zóó erg?”

„Voor mij niet, voor jou wel!”

Charly draaide op zijn plaats heen en weer.

Lord Lister daarentegen zat doodkalm en knipte de asch van zijn

sigaret.

„Het ergste van deze heele zaak is,” sprak hij, „als ze in Irkoetsk

merken, dat de heele geschiedenis van den grootvorst en het telegram

bedrog is.”

Brand schrikte.

„Heb je dat gedaan?”

Lister gniffelde vroolijk.

„Dan kunnen we elk oogenblik ontmaskerd worden!”

„Hm!”

„Blijf je daar zóó onverschillig onder, Charly?”

„Wat moet ik doen? Ik kan toch niet uitstappen?”

„Als we nu ontdekt worden?”

„Ja, wat dan, Edward?”

„Kom, ’t zal zoo’n vaart niet loopen. Vannacht zal ons in elk geval

niets overkomen. Morgen vroeg hebben wij den buit al te pakken!”

Charly Brand schudde ongeloovig het hoofd. Hij trachtte zijn vriend nog

van het dwaze plan af te houden.

Maar deze bleef onverbiddelijk.

„Laat ik je dan helpen!”

„Als ik je hulp noodig heb, zal ik daarvan heel graag gebruik maken. In

dit geval echter zijn twee te veel; bovendien is de arbeid zoo

halsbrekend als je maar kunt denken.”

„Maar ik kan hier niet rustig blijven als jou gevaar dreigt!”

„De zaak zal toch zeker niet eenvoudiger worden, als jij je zonder

eenig doel óók in levensgevaar begeeft!”

„Maar wat zal ik doen, Edward!”

„Als je met alle geweld iets wilt doen, kijk dan, terwijl ik buiten

ben, uit het venster. Misschien kun je mij dan helpen of mij iets

afnemen. En laat ons nu in den restauratiewagen gaan. Daarna gaan we

slapen en dan— —”

Brand sprong op.

„Altijd bedaard, grootvorst Peter Andrejew” sprak de adjudant

kalmeerend, „vergeet nooit, wat je aan je stand verplicht bent. Kalmte

is vóór alles noodzakelijk!”

„Waar zal ik die vandaan halen, als jou het zwaard van Damokles boven

het hoofd hangt.”

De heeren gingen naar den spijswagen.

Charly Brand genoot weinig van de heerlijke spijzen, maar Raffles

stelde zich dapper te weer en liet zich niet onbetuigd.

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

De avondschemering daalde neer over het Siberische landschap, waardoor

de trein voortrolde, toen de valsche grootvorst en zijn adjudant weer

naar den slaapwagen terug keerden.

„Ziezoo,” sprak John Raffles, „nu zullen we het ons een beetje

gemakkelijk maken en de koffers zoodanig pakken, dat we ieder oogenblik

den trein kunnen verlaten, als de politie ons op het spoor is. Drie uur

kunnen wij rusten en dan aan ’t werk!”

De meesterdief sliep daarna kalm en rustig in en om elf uur des nachts

werd hij weer wakker, het uur, dat hij voor de uitvoering van zijn plan

had gekozen.

Charly Brand echter woelde rusteloos op zijn legerstede heen en weer.

Hij kon den slaap onmogelijk vatten.

Duizend dingen dwarrelden er door zijn hoofd en toen hij eindelijk

tegen half elf insliep, droomde hij van een grootvorst, van een arme

boerenvrouw met twee kinderen, van een telegrafist in Irkoetsk, van den

herbergier in Tscheremkowo, den starosta met den brief en van een

menigte politiemannen, die hem naar Siberië overbrachten, waarheen hij

als misdadiger tot levenslangen dwangarbeid was verbannen.

John Raffles alleen zag hij niet en tevergeefs riep hij hem.

Eindelijk ontwaakte hij, badend in zweet.

Lord Lister stond voor hem, de onafscheidelijke sigaret in den mond.

„’t Is tijd, Charly. Ik ga het goud halen!”

Brand sprong op van zijn legerstede.

Hij wilde zijn vriend nog eens waarschuwen. Maar een enkelen blik op

diens vastberaden trekken waarschuwde hem dit maar liever niet te doen.

Voorzichtig liet Raffles het groote venster naar beneden aan den kant

van den trein, die niet door den helderen maneschijn werd belicht en

staarde in den donkeren nacht.

Donderend ratelde de trein over de rails voort.

En nu begon Raffles het levensgevaarlijke werk.

Hij klauterde door het venster en krabbelde zoo langs den trein.

Met angstig kloppend hart keek Brand hem na.

Plotseling was Raffles verdwenen.

Brand kon een schreeuw niet onderdrukken. De schrik was hem in de leden

geslagen, zijn slapen bonsden, het was hem alsof hij krankzinnig werd.

Gelukkig had geen sterveling zijn angstkreet gehoord. Deze was verloren

gegaan in het snuiven en bonsen en stooten van den trein.

Charly vloog naar den anderen kant van den trein, waar de maan helder

de vlakte belichtte.

Ook hier was niets van Raffles te ontdekken. Nu boog de trein naar

rechts om.

Maar wat was dat?

Wat lag daar op de rails?

Iets zwarts? En het bewoog zich niet—zooals een mensch, die zwaar

gewond, overreden is?

De secretaris keek en keek.

Maar de trein snelde voort, steeds voort en de zwarte vlek verdween in

de nachtelijke nevelen.

Was het lord Lister geweest? Het was heel waarschijnlijk, want hij was

nergens te ontdekken.

Nog langen tijd staarde Charly Brand naar buiten in den nacht, totdat

hem de oogen van inspanning begonnen te tranen.

Zijn vriend zag hij niet weer.

Toen werd hij overmand door smart.

Hij deed het raam dicht, ging op de zachte kussens zitten en schreide

droef, als een kind.

Buiten zongen de wielen hun eentonig, stootend lied en in zeurenden

rythmus donderde de trein al ratelend verder.

NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN GRIEZELIG HELDENSTUK.

Laat ons thans den moedigen klauteraar volgen op zijn griezeligen

tocht.

De meesterdief was uit het venster geklommen en liep nu langs de

treeplanken van den trein.

De dikke, met petroleumdamp bezwangerde lucht dreigde hem te

verstikken.

Maar John Raffles klauterde verder.

Hij drong zich vlak tegen de waggonzijde om niet toevallig te worden

opgemerkt door den een of ander.

Thans had hij het einde van den waggon bereikt. Achter dien, waarop hij

zich thans bevond, was de goederenwagen met de doodkist gehaakt.

Een zegevierend lachje gleed over zijn gelaat; nu was hij bij het doel.

Daar was de plaats, waar de schat verborgen lag. Hij stond voor hem. En

geen levende ziel—Charly Brand uitgezonderd—vermoedde, dat hij zóó

dicht bij het doel was.

Maar hoe moest hij er komen?

De treeplank van den waggon eindigde hier. Overspringen op den

goederenwagen was onmogelijk.

Raffles boog zich naar achteren om tusschen de beide waggons te kunnen

doorzien.

Daar waren de buffers en de koppeling, die van den eenen waggon tot de

anderen een goede verbinding vormden.

Als men echter een misstap deed, als men uitgleed of door het heen en

weer slingeren van den trein werd afgeschud en op de rails viel, zou

een afschuwelijke dood onvermijdelijk volgen.

Het moeilijkst was de sprong van de treeplank tot op den buffer van den

waggon. Deze sprong moest om den hoek worden gedaan; als de voet

uitgleed, zou terstond de dood volgen.

De meesterdief sprong.

Eén oogenblik zweefde hij in de lucht, toen kwam hij neer en het

gelukte hem, nog tijdig zijn evenwicht te herstellen.

Dit was het oogenblik, dat Brand zijn vriend had gezien, die daarna

door den achterwand van den waggon aan Charly’s oog werd onttrokken.

Raffles klom nu verder langs den waggon en het gelukte hem aldra de

plaats te vinden, waar de doodkist stond verborgen.

De meesterdief had een grooten, leeren zak omgehangen, die diende om

den schat te verbergen. Boren, steekzagen, tangen, een dievenlantaarn

en een strik had hij bij zich.

De bodem van den goederenwagen bestond uit hout van tamelijke dikte,

maar tegen stalen werktuigen was hij toch niet bestand.

Spoedig had Raffles, die zich aan ankers en veeren met touwen had

vastgemaakt, zich in liggende houding vastgesnoerd. Nu kon hij met de

steekzaag gaan werken.

Het gedruisch van den arbeid was door het vreeselijke lawaai, dat de

trein veroorzaakte, niet te verstaan. Het duurde dan ook niet al te

lang of John Raffles had in den bodem van den goederenwagen een rond

gat gezaagd, groot genoeg om er de hand door te steken.

Lord Lister No. 0004: De millioenenschat in de Doodkist · 第 1 / 3 段