„Aan wien?”
„Aan mij!”
„Zijt gij zijn chef niet?”
„Zeker!”
„Dan hebt ge ook geen wraak te duchten!”
„Toch wel!”
„Mijnheer de gouverneur, ge hebt hem alleen te vreezen, als ge zijn
medeplichtige zijt!”
Ortschkoff kromp ineen.
Raffles bemerkte het.
Hij deed echter, alsof hij niets bemerkte en vervolgde:
„En daarvan kan natuurlijk geen sprake zijn, baron Ortschkoff.”
„Neen, neen! Zeker niet! Natuurlijk niet! Maar kom nu mee! De zaak
verveelt me geducht!”
„Niet, voordat graaf Barjatinsk het gestolen geld heeft aangezuiverd!”
„Wat?”
„Hebt ge mij niet verstaan, baron?”
„Ah!”
Ortschkoff was de wanhoop nabij.
„Wacht hier een oogenblik, baron, ik zal met graaf Barjatinsk gaan
spreken. Het zal niet lang duren!”
De gouverneur stond als versteend.
Ieder woord had hem getroffen als een vuistslag.
„Het is uit”, mompelde hij „Heilige George, wat zal er nu gebeuren! Ik
ben een verloren man!”
DERTIENDE HOOFDSTUK.
HOE JOHN RAFFLES RECHT DEED.
Raffles was bij den districtschef in de kamer gegaan.
„Wat wilt gij hier?” vroeg de graaf hem op barschen toon.
„Ge zult mij zeker wel veroorloven, dat ik plaats neem?” vroeg Raffles
op hoffelijken toon.
„In gegoede kringen is het de gewoonte niet, den gast te laten staan,
vooral niet als men zelf zit!”
Een blik van vlammenden haat schoot uit de oogen van den graaf.
„Gij zijt mijn gast niet! Ge zijt een indringer,” brulde Barjatinsk.
„Vertrek onmiddellijk!”
„Een oogenblik, graaf! Ik heb slechts een kleine aangelegenheid met u
in het reine te brengen!”
„Maar ik heb geen lust om met u te redeneeren!”
„Dat spijt me!”
„Waarom?”
„Omdat ik graag zou willen, dat ge mij eenige opheldering gaaft!”
„Opheldering?”
„Ja!”
„Ik aan u?”
„Ja, gij aan mij!”
„En als ik weiger?”
„Dan zal ik mij tot een ander wenden!”
„Doet dat!”
„Uitstekend!”
„En tot wien zoudt ge u dan wel wenden?”
„Stelt ge er belang in, dat te weten?”
„Misschien!”
„Tot uw secretaris Pawlow zou ik mij wenden, graaf!”
De graaf schrikte en kromp in elkander.
Wat?
Hoe kwam die vreemde er bij juist dezen naam te noemen?
Wist hij misschien meer dan goed was?
Raffles was al bij de deur.
„Hebt ge mij nog iets te zeggen?” vroeg toen de graaf plotseling.
„Neem nog een oogenblik plaats.”
Lord Cruzon draaide zich langzaam om.
Toen gaf hij gevolg aan de uitnoodiging.
„Ik heb”, begon hij, „een paar dagen in hotel „Sint Petersburg”
gelogeerd.”
De graaf verbleekte.
Hotel „Sint Petersburg?”
Wat had hij daar gedaan?
„Ik weet niet, of het u bekend is, graaf, dat dieven, oplichters,
moordenaars, ontrouwe ambtenaren en dergelijke bij voorkeur in hotels
logeeren om daar hun duistere zaakjes af te handelen. Dat is, om zoo te
zeggen, onpartijdig terrein”.
De graaf werd nog bleeker.
„Ge ziet wat bleek, graaf; zijt ge misschien wat ongesteld?”
„Inderdaad, ik gevoel mij in de laatste dagen wat overspannen!”
„Het innen der belastingen vooral moet wel zeer vermoeiend zijn,
graaf!”
Dezen brak het angstzweet uit.
Hij gevoelde, dat hij in het nauw werd gedreven.
„Raffles—”, begon lord Lister.
„Wat heb ik met dien Raffles te maken! Hij interesseert mij niet!”
„Misschien toch wel! Ik logeerde dan in Hotel Sint Petersburg om den
meesterdief op het spoor te komen.”
„Op zekeren dag vergiste ik mij in het nummer der kamer.
„Ik wilde namelijk den spitsboef vanaf het balkon bespieden— — —”
„—Vanaf het balkon!”
„Ja. Dat was een fameus idee van mij, nietwaar! En ik zag wonderlijke
dingen!”
Graaf Barjatinsk had de oogen wijd opengesperd.
Nu begreep hij, waarop lord Cruzon doelde.
Maar de graaf deinsde, als zijn veiligheid op het spel stond, voor geen
tweeden moord terug.
Lord Cruzon vervolgde:
„Ik klauterde dan het dak af, totdat ik het balkon meende te hebben
bereikt, waar ik Raffles kon bespieden. En ik werd getuige van een
moord — —”.
„Een moord?”
„Ja, graaf. Een moord om geld. En den moordenaar heb ik herkend.”
Lord Lister was opgesprongen.
Maar ook de graaf had zich van zijn zitplaats verheven en, den
papiersnijder krampachtig vastgeklemd, stormde hij op den detective
los.
„Sterf ellendeling!” siste hij op heeschen toon.
„Niet verder graaf!”
En Raffles duwde hem zijn revolver onder den neus.
Dat hielp.
„Gooi dat mes weg, graaf!”
Barjatinsk deed het.
„Ik klaag u aan, graaf Barjatinsk, wegens het plegen van een moord, als
ge weigert, in te gaan op mijn voorstellen”.
„En die zijn?”
„Ze zijn heel aannemelijk. Ge moet slechts afstand doen van het geld,
dat ge de boeren hebt afgeperst. Zijt ge daar toe bereid?”
„Ja!”
„Goed. Leg het dan hier op tafel. De gouverneur zal het meenemen.”
„De gouverneur? Die?”
„Laat dat aan mij over. Wilt ge het geld geven of niet?”
„Ja!”
Met bevende handen sloot de graaf de brandkast open en haalde het
gestolen goud te voorschijn, waarvoor hij Pawlow had neergeschoten.
„Is dat alles, wat ge gestolen hebt, graaf?”
„Alles!”
Raffles riep thans den gouverneur.
Deze was niet weinig verbaasd dat hij moest komen.
Raffles sprak:
„Graaf Barjatinsk heeft zich vergist. Hij geeft u bij dezen het
ontbrekende geld. Ge kunt het nemen.”
De baron deed het.
„Wij zullen in „hotel de Londres” logeeren, als ge het goed vindt,
mijnheer de gouverneur. Ge reist zeker morgen met den avondsneltrein
naar Krasnojarsk. Ik zal u met uw geld naar den trein brengen voor alle
zekerheid.”
In het hotel was Charly dol van vreugde, dat hij zijn vriend heelhuids
terug zag.
Maar ook de gouverneur was in zijn nopjes, dat hij op zoo onverwachte
wijze in het bezit van een schat was gekomen.
Hij haalde diep adem, toen den volgenden avond de sneltrein zich in
beweging zette.
„En wat doen we nu?” vroeg Brand.
„Je moet een telegram wegsturen, Charly! Ik zelf ga liever niet in het
telegraafkantoor, de beambte zou mij eens kunnen herkennen!”
Charly keek verbaasd, toen hij las, aan wien het telegram gericht was.
„Is dat den starost, wien je den geheimen brief hebt gegeven?”
„Precies.”
„En mag ik nu eindelijk eens weten, wat dat schrijven behelsde?”
„Ja, dat mag je!”
Charly luisterde aandachtig.
„Er stond in den brief,” vertelde Raffles, „dat ik den starost nog den
juisten tijd zou berichten, wanneer de gouverneur met de afgeperste
belastingpenningen door die streek zou reizen. De boeren zullen dan,
natuurlijk gemaskerd, den trein tot stilstand brengen en den schurk
zijn buit weer afnemen! Een brief, dien zij den uitbuiter van mij
overhandigen, zal beletten, dat de booswicht de zaak aan de groote klok
hangt”.
„Je bent een dolleman!”
„Zoo, Charly! Dat doet me plezier! En ga nu mee een stukje eten!”
Zooals Raffles had gezegd, gebeurde.
Gewapende en gemaskerde mannen brachten omstreeks middernacht den trein
tot stilstand; zij lieten al de passagiers ongemoeid, behalve den
generaal, wien zij den geldschat afnamen. Voordat zij echter weer in
den duisteren nacht verdwenen, reikten zij den gouverneur een brief van
den volgenden inhoud:
„Generaal! De boeren handelen op mijn bevel. Zij zullen slechts
nemen, wat gij en uwe medeplichtige graaf Barjatinsk hun hebt
ontstolen. Als ge iets van deze zaak ruchtbaar maakt, zal ik niet
schromen, uw aandeel in deze afpersing en uw moord op Pawlow de
regeering mede te deelen.
John Raffles, alias lord Cruzon,
voorheen Grootvorst Peter Andrejew.”