Den 17den Maart verlaten wij Tsjittore en slaan den weg noordwaarts in
naar Ajmeer of Adsmir, de voornaamste stad der Aravallis. Dien dag en
de volgende dagen voert onze tocht ons nog altijd door de staten van
den maha-rana, door de vruchtbare, maar niet overal evengoed bebouwde
vlakten van Mewar. Onderweg maakten wij kennis met den rajah van
Bunera, een van de aanzienlijkste vasallen van den maha-rana, die mede
uit den koninklijken stam der Sesoedias is gesproten en een prachtig
kasteel, geheel van wit marmer opgetrokken; bewoont. De titel van
rajah (koning) werd aan een der voorouders van dezen hoogen edelman,
als belooning voor bewezen diensten, door de mongoolsche keizers
geschonken. De rajah ontving ons met die uitgezochte hoffelijkheid
en waardige voorkomendheid, die eene der goede eigenschappen van den
radsjpoeten adel mag worden genoemd. Wij brachten op zijn kasteel
een paar allergenoegelijkste dagen door.
In den morgen van den 23sten trokken wij de Kuhri-Nadi over, die de
staten van den rana van de provincie Ajmeer scheidt. Deze provincie
is het eenige gedeelte van Radsjpoetana, dat rechtstreeks onder
britsch gezag staat. Zij behoort aan de Engelschen sedert 1818;
in de vijftiende eeuw kwam zij in handen der mongoolsche keizers,
en later, toen het groote rijk uit elkander viel, in de macht der
mahratten-koningen van Gwalior; toen de Engelschen optraden als de
erfgenamen van den Padishâh, eischten zij ook deze provincie, als deel
uitmakende van de keizerlijke goederen, en sedert is zij ook aan hen
verbleven. Dit belangrijk gewest ligt aan alle zijden ingesloten door
de staten der vorsten van Mewar, Marwar, Jhodepoor en Kishengurh.
Den volgenden dag bereikten wij Nusserabad, een van de gewichtigste
engelsche militaire stations in Radsjpoetana. Het kamp maakt een
allertreurigsten, somberen indruk; in 1857 maakten de opstandelingen
zich van dezen post meester, verbrandden al de woningen, hakten
al de boomen om en vernielden de plantages: de gansche streek werd
een wildernis. Ook de indische stad onderging hetzelfde lot als het
engelsche kamp en werd bijna geheel verwoest; tegenwoordig is zij
niet veel meer dan een grooten bazar, die echter eene bevolking telt
van twintigduizend zielen. Men heeft zooveel mogelijk getracht de
aangerichte schade te herstellen: maar de boomen langs de wegen hebben
al het voorkomen van bezemstelen; en alle pogingen om nieuwe tuinen
en plantages aan te leggen, hebben tot dusver schipbreuk geleden:
de grond, door de brandende zonnehitte geblakerd, en beroofd van de
hier vooral zoo onontbeerlijke schaduw, is uitgedroogd en zoo hard als
metaal geworden. Maar zoo het uiterlijk voorkomen van Nusserabad weinig
opwekkend is, wijkt die indruk toch spoedig bij nadere kennismaking:
de talrijke bezetting maakt zich hier het leven zoo aangenaam mogelijk,
waartoe zeker de nabijheid van Ajmeer en de tegenwoordigheid van een
aantal Europeanen zeerveel bijdragen.
Hier kon ik op nieuw de ervaring opdoen, dat er weinig landen zijn,
waar de vreemdelingen een guller en hartelijker onthaal vinden,
dan in de engelsche stations van Hindostan. Om aan de verschillende
uitnoodigingen te kunnen beantwoorden, zagen wij ons verplicht, vijf
dagen te Nusserabad te vertoeven. Trouwens, die dagen werden op de
aangenaamste wijze doorgebracht: onder anderen ook door een uitstapje
naar de Aravallis, waar wij, met eenige officieren, gingen jagen. De
vlakten om het kamp zijn overrijk aan allerlei soorten van wild; en
in de dalen en kloven der groote bergketen huizen eene menigte wilde
dieren. De jacht is dan ook een van de voornaamste uitspanningen der
officieren, die zeer weinig te doen hebben; ieder jaar organiseeren
zij groote expeditiën, die aan eene menigte tijgers, panthers, beren
en dergelijken het leven kosten, en stof opleveren voor gesprekken en
verhalen gedurende het gansche jaar. Het ontbreekt op die jachten dan
ook dikwijls niet aan dramatische incidenten en treffende ontmoetingen;
doorgaans zelfs loopt het niet zonder ongelukken af. Want de tijger,
schoon in gewone omstandigheden eer lafhartig dan moedig en zoolang
mogelijk de voorkeur gevende aan de vlucht, wordt toch, als hij eenmaal
gewond en in de engte gedreven is, een allergevaarlijkste tegenpartij,
die niets meer ontziet en geen gevaar kent.
Den 30sten Maart begeven wij ons op weg naar Ajmeer, waarvan wij nog
slechts vijftien mijlen verwijderd zijn. Even voorbij Nusserabad begint
het bergland, en weldra bevonden wij ons midden in de Aravallis. Juist
toen wij de eerste bergengte doortrokken, verhief de zon zich boven de
kimmen, en zette het prachtige landschap eene nieuwe bekoorlijkheid
bij; aan alle zijden verrijzen getande, afgebrokkelde, wonderlijk
gevormde naalden en spitsen en toppen, waartusschen zich diepe
afgronden openen, in ondoordringbaar duister gehuld. De zonnestralen,
door de rotspunten gebroken en weerkaatst, vlechten rooskleurige
lichtkransen om de hoogere toppen; reusachtige cactussen, de
eenige plant die op deze hoogte tiert, vormen schilderachtige
groepen en fantastische bosschages; op de bergvlakten verheffen
zich enkele breedgebladerde acacias met vuurroode bloementrossen;
duizende patrijzen, in het kreupelhout verscholen, begroeten met hun
doordringend geschreeuw de opkomende zon, terwijl van tijd tot tijd,
bij onze nadering, een pauw opvliegt, en als een krans van stralende
smaragden voor onze oogen schittert. De frischheid van den morgen,
het gezang der vogels, de schoonheid van het landschap, doen ons
alle vermoeienissen vergeten; eene vroolijke opgewektheid bezielt
ons allen; wij zijn weldra aan het doel. Wij slaan een hoek om,
en daar ligt Ajmeer voor ons, met zijne beroemde citadel Teraghur;
een prachtige, verrassende aanblik: de witte huizen der stad zijn
in een breeden krans van groen gevat, waardoor zij eene bloeiende
oase schijnt te midden dezer wildernis van rotsen en klippen. Eene
breede vallei scheidt ons nog van haar, en wij hebben niet minder
dan twee uren noodig, om die vallei door te trekken; nabij de stad is
het veld overal bezaaid met bloemen, die reusachtige perken vormen,
en waaruit de zoo beroemde oliën en reukwaters vervaardigd worden.
Ten negen uur trekken wij, door eene der oude poorten Ajmeer binnen,
en verliest zich onze karavaan in smalle en schilderachtige bazars,
die op het eerste gezicht aan die van Kaïro herinneren. Onze
voornaamste zorg is het vinden van een geschikt logement; hier is
geen rana, die een paleis ter onzer beschikking kan stellen; hier
is zelfs geen bungalow, want er komen hier zoo weinig reizigers,
dat de stad geene inrichting van dien aard bezit. Wel hebben wij
brieven voor den gouverneur der provincie, den majoor Davidson,
en zouden wij dus een beroep kunnen doen op zijne gastvrijheid;
maar het valt licht te begrijpen, dat ongevraagde gasten niet altijd
welkom zijn, vooral niet, als zij met een gevolg van een vijftig
personen komen. Ik herinnerde mij evenwel dat de majoor Nixon ons
den raad gegeven had, om, wanneer wij in verlegenheid mochten zijn,
ons in zijn naam te wenden tot een bankier van de sekte der Djaïnen,
den Seth Partah-Mull. Ik vraag een der voorbijgangers mij de woning
van den Seth te wijzen; en na verschillende groote straten, met fraaie
huizen omzoomd te zijn doorgegaan, komen wij bij den bankier. Zijne
bedienden ontvangen ons met groote beleefdheid; en weldra sta ik
tegenover den Seth, een man van omstreeks veertig jaar, met een zeer
innemend voorkomen. Nauwelijks heb ik hem de reden van ons bezoek
medegedeeld, of zonder verdere ophelderingen of verontschuldigingen
af te wachten, geeft hij onmiddellijk last dat een zijner huizen tot
onze beschikking zal worden gesteld. Met innemende vriendelijkheid
weigert hij zelfs onze dankbetuigingen aan te hooren, verklarende dat
hij ons dank verschuldigd is voor de bewezen eer, ons tevens dringende
om van de lange reis te gaan uitrusten. Een half uur later bevonden
wij ons in een keurig, indisch huisje ver van de bazars in eene der
voorsteden; de bedienden van den Seth brengen haastig alles in orde
voor ons verblijf: rondom onze woning strekt zich een groote boomgaard
uit, met granaat- en citroenboomen beplant; een kanaal met stroomend
water loopt door deze bosschage, overal frischheid verspreidende. Dit
alles heeft Purtab-Mull, met vorstelijke gastvrijheid, geheel tot onze
beschikking gesteld voor al den tijd dien wij hier zullen vertoeven.
Te Ajmeer aangekomen, haast ik mij, het geleide, dat de rana ons
gegeven had, terug te zenden, en den koning tevens kennis te geven
van de wijze, waarop wij onderweg zijn ontvangen geworden; vervolgens
geef ik den majoor Davidson bericht van onze aankomst. De majoor
zond ons aanstonds een zijner rijtuigen, en stelde zich geheel te
onzer beschikking voor het bezoeken der stad en hare omstreken. Het
is bijna onnoodig hierbij te voegen, dat ik ook bij hem hetzelfde
vriendelijke onthaal en dezelfde voorkomende hulpvaardigheid vond,
waaraan de hooge engelsche ambtenaren in Indië mij reeds gewend hadden.
Ajmeer is eene zeer oude stad; in de eerste eeuwen onzer jaartelling
werd zij gesticht door den Sjohan Aja-Pal, die, volgens de legende,
aanvankelijk een herder was, maar later een machtig vorst werd. Hij
bouwde de beroemde citadel, die de stad beheerscht, en maakte zich van
geheel de omliggende landstreek meester. Vandaar de naam der stad, die
sommigen Aja-Mer, de berg van den herder, of Aji-Mer, de onverwinlijke
berg, noemen. In 1191 maakte de Sultan Shahab-Oedin zich meester
van Ajmeer, in 1559 voegde Akbar ook dit gewest bij het rijk van den
Groot-mogol. De latere lotgevallen van de stad vermeldde ik reeds.
Ajmeer ligt in eene bekoorlijke vallei; aan de eene zijde breidt
de stad zich uit langs den oever van eene schilderachtig meer,
de Ana-Sagur; aan de andere zijde leunt zij tegen de hellingen van
een prachtigen berg, op welks top zich het fort Teraghur verheft. De
schoone ligging en het heerlijke klimaat lokten al vroeg de mongoolsche
keizers, die de vallei met hunne paleizen en parken vulden. Een der
fraaiste dezer paleizen is dat van Daôlat-Baugh, dat in de zestiende
eeuw door keizer Jehanghir werd gebouwd, en tegenwoordig de residentie
is van den engelschen gouverneur. Sierlijke marmeren paviljoenen
verrijzen aan den oever van het meer, en bieden het heerlijkst
panorama over de stad en de omliggende bergen. De groote tuin is vol
eeuwenheugende boomen: daar ontving der trotsche Jehanghir eens den
gezant van koning Jacobus I van Engeland, die hem de hulde van zijn
meester kwam brengen.
Het meer is, evenals alle meren in dat gedeelte van Indië, gevormd
door het kunstmatig afsluiten eener rivier; de reusachtige dijk
werd in de elfde eeuw, onder de regeering van koning Ana-Dévâ,
aangelegd. De stad is omsloten door een gordel van zware muren, op
bevel van keizer Jehanghir opgetrokken, die aan de eene zijde langs de
toppen der aangrenzende bergen loopen en zich aan de citadel Teraghur
aansluiten. Acht groote, fraaie poorten geven toegang tot de stad. Aan
de zijde der vlakte wordt Ajmeer verdedigd door een versterkt kasteel,
dat een groot paleis en kazernen voor de bezetting bevat, maar alleen
in tijd van nood wordt gebruikt. Geene andere stad van Radsjpoetana,
Jeypoor uitgezonderd, bezit zulke fraaie bazars als Ajmeer; het is die
gedeeltelijk aan de Engelschen verschuldigd. Deze bazars zijn fraaie,
breede, wel aangelegde straten, ter wederzijde van trottoirs voorzien;
de benedenverdiepingen der huizen zijn tot sierlijke winkels ingericht;
de gevels prijken met balkons en verandahs. De woningen der rijken
zijn van wit marmer, en daaronder zijn er verscheidene, die met
volle recht op den naam van paleizen aanspraak mogen maken. Ik wijs
slechts op het paleis der Seths, het eigendom van eenige bankiers van
de sekte der Djaïnen, een wonderschoon gebouw, eerst in den laatsten
tijd verrezen, maar dat gerust de vergelijking kan doorstaan met de
uitnemendste gewrochten van de kunst der Radsjpoeten.
Nevens deze groote ruime bazars, de schepping der Engelschen, breidt
zich een net uit van nauwe, kronkelende, schilderachtig verwarde
straten en stegen, altijd opgevuld met eene luidruchtige menigte. De
kunstenaar vindt daar eerst het ware, echte Ajmeer en weinige steden
van het Oosten, Kaïro daaronder begrepen, kunnen een verrassender,
bekoorlijker aanblik opleveren. Alle stammen en rassen van Indië
ontmoeten elkander in deze nauwe straten, niet meer dan twee el breed,
waar de voornaamste markt gehouden wordt van een land, ongeveer zoo
groot als Frankrijk; in deze duistere winkels vindt ge genoegzaam alle
takken van nijverheid en bedrijf vertegenwoordigd. Niets belangrijker
dan eene wandeling door deze bazars: gedurende mijn verblijf in de
stad besteedde ik geregeld mijne morgenuren, om alleen te midden dezer
schare heen en weder te kuieren; en iederen dag vond ik wat nieuws,
dat mijn aandacht trok. Daar zit op zijn hooge bank, waarheen hij
langs een trap opstijgt, de juwelier, een brahmaan, kenbaar aan
het gewijde koord om het naakte bovenlijf, bezig met het snijden
van keurige edelgesteenten: hij heeft eene groote bril op den neus,
het onmisbaar teeken zijner waardigheid als meester in het vak; zijne
leerlingen, ongetwijfeld zijne zonen, zijn bezig met het smeden of
bewerken van kostbare metalen. Zoodra ik het woord tot hem richt,
neemt hij zijn bril af, groet mij met de uiterste wellevendheid, en
haalt dadelijk uit een ijzeren kistje zijne kostbaarheden voor den
dag; hij laat mij alles zien, en verklaart mij de wijze van bewerking;
hij is volkomen tevreden indien ik eene of andere kleinigheid koop,
zonder mij iets hoegenaamd op te dringen.--Daarnaast is de fabriekant
van armbanden en ringen; voor het vuur neergehurkt, smelt hij zijn fijn
rood- of groenkleurig lak, dat hij vervolgens over een ronden vorm,
in de gedaante van een suikerbrood, uitspreidt; dan verdeelt hij de
massa, met een scherp werktuig, in smalle ringen, en haar plotseling
afkoelende, stelt hij mij in een oogenblik twintig braceletten
ter hand, even licht als sierlijk. Deze kunstenaar is doorgaans
een banian van Marwar of een muzelman; zijne vrouw is hem bij zijn
bedrijf behulpzaam, of wel zij past de braceletten aan de klanten,
die nooit ontbreken, want alle vrouwen en meisjes, van welke kaste
ook, dragen eene menigte van deze armbanden, zoo zelfs dat soms de
geheele voorarm er mede bedekt is; en daar deze sieraden uiterst
broos en tevens zeer goedkoop zijn, is er steeds drukke navraag.
De rij der winkels volgende, komen wij langs de vervaardigers
van muziekinstrumenten, waar ge groote violen, guitaren, gongs
en tam-tams ziet uitgestald; langs de kopergieters, op den grond
neergezeten te midden van stapels van koper vaatwerk van allerlei
vorm en grootte. Somwijlen is eene gansche straat uitsluitend bewoond
door lieden, die hetzelfde ambacht drijven: schoenmakers, zijdewevers,
pottenbakkers, die, zonder iets van de concurrentie te vreezen, hunne
waren nevens elkander uitstallen. De bazars waar laken en zijde en
andere stoffen verkocht worden, zijn de voornaamste; hier zijn de
winkels goed verlicht en netjes; de koopman, op sneeuwwitte kussens
neergezeten, wacht rustig zijne klanten af, terwijl zijn boekhouder,
van den morgen tot den avond op eene eindelooze rol papier zit te
cijferen. Te midden der vroolijke, luidruchtige menigte bewegen zich
voortdurend een aantal straatventers, die u op luiden toon hunne
waren aanprijzen: balletjes van suiker en meel, gebakjes, groenten,
vruchten, betel, messen en vele andere zaken.
Sedert eeuwen reeds in de macht der muzelmannen, bevat Ajmeer geen
enkel monument meer, dat aan zijne vroegere beheerschers herinnert,
die, naar de overlevering verhaalt, de stad met de uitnemendste
kunstgewrochten hadden getooid; van deze heerlijkheid is evenwel
niets overgebleven dan de Araï-Dinka-Jhopra, aan den voet van den
Teraghur, waarop ik straks terugkom. Binnen de stad zelf is het eenige
oude monument de doergah van Kowjah-Sayed: een der meest gevierde
heiligdommen van het mohammedaansche Hindostan. De doergah bevat het
graf van den hoogvereerden Kowjah-Sayed, den eersten prediker van den
islam aan de ongeloovige bewoners van Ajmeer. In het jaar 527 van de
hedsjra in Sijistan geboren, kwam hij te Ajmeer met den veroveraar
Koetub en bleef daar tot aan zijn dood. Hij had, toen hij stierf,
den eerwaardigen ouderdom van honderd-acht jaren bereikt. Zijn leven
was eene opeenvolging van vrome daden en van wonderen, die de stof
hebben geleverd voor tallooze legenden. Na zijn dood vereerden alle
vorsten van Indië zijn graf met geschenken; en keizer Jehanghir liet
hem, in 1610, een prachtig mausoleum oprichten.
Ik begaf mij naar den doergah met een aanbevelingsbrief van den
gouverneur; maar deze had mij toch gewaarschuwd dat ik waarschijnlijk
niet zeer vriendelijk zou worden ontvangen: want in den regel worden
de Europeanen niet tot het inwendige van het gebouw toegelaten. Bij
de eerste poort werd ik terug gehouden door een groep mannen met
een somber en dreigend voorkomen, die mij op ruwen toon toevoegden,
dat ik niet verder mocht gaan, zonder mij eerst van mijne schoenen
te ontdoen. Daar ik mij vast voorgenomen had, alles te zien,
gehoorzaamde ik dadelijk aan dit bevel, en volgde op mijne kousen
een der mollahs, die aanbood mij als gids te dienen. Wij betraden
eene ruime binnenplaats, met wit marmer geplaveid, en aan alle zijden
omgeven door moskeeën en graftomben, allen verblindend wit en stralende
in het zonnelicht; in het midden, door prachtige boomen overschaduwd,
verhief zich het wit marmeren mausoleum. Die weinige boomen, te midden
dezer omgeving van gepolijst marmer, verspreidden eene zachte, als
van licht doortrokken schaduw, en maakten van dezen hof, waar anders
de veelheid der monumenten lichtelijk zou hebben vermoeid en gedrukt,
een waar paradijs. Eene diepe stilte heerschte in het rond; geen enkel
geluid, dan alleen het zacht gemompel van enkele oude mollahs, die, op
de steenen neêrgebogen, gebeden en litanieën prevelden. Ik zette mij
onder een boom neder, en mijn gids liet mij aan mijne overpeinzingen
over. Het was mij niet vergund, het graf zelf van den heilige te
naderen, maar van verre zag ik een massief zilveren kist onder
een troonhemel van goudlaken: daar rustten de kostbare relikwieën,
waaraan telken jare vele duizende pelgrims hunne hulde komen bewijzen.
Van den doergah van Kowjah-Sayed begaf ik mij naar de moskee van
Araï-Din-ka-Jhopra, waarvan de bouwvallen zich schilderachtig
verheffen in een klein bosch, op korten afstand van de wallen van
den Teraghur. Deze beroemde moskee is zeker een der merkwaardigste
monumenten van geheel Hindostan, niet alleen door hare zeldzame pracht,
maar vooral door hare archeologische beteekenis. Zij is tegelijkertijd
een der eerste gebouwen, door de muzelmannen in Indië opgericht,
en ook een der fraaiste exemplaren van de eigenaardige architectuur
der Djaïnen, uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Dit schijnbaar
zonderling verschijnsel is evenwel niet moeilijk te verklaren. Toen
de Mohammedanen de indische rijken overweldigden, waren hunne woeste
horden op niets anders dan op plundering en vernieling bedacht,
zonder er zich in het minst om te bekommeren wat de plaats zou moeten
innemen der kunstgewrochten, die zij verwoestten. Eenmaal meester van
het land geworden zijnde, en zich daar voorgoed willende vestigen,
haastten de eerste sultans zich, tempels op te richten ter eere van
den waren God; en daar zij zelf geen bouwmeester hadden, moesten zij
daarvoor de hulp der Hindoes inroepen. De prachtige paleizen der oude
inlandsche koningen en de wonderschoone tempels der afgoden leverden
hun bouwstoffen in onuitputtelijken overvloed. Zij lieten slechts de
afgodsbeelden wegnemen, eenige eigenaardige ornamenten aanbrengen,
en gaven aan het aldus gemetamorphoseerde gebouw den stempel eener
moskee door het bijbouwen van een gevel of portiek met puntbogen. Aldus
ontwikkelde zich die grootsche, indrukwekkende stijl, waaraan sommigen
den naam van indo-sarraceenschen hebben gegeven, en waaraan Indië,
voor een goed deel, zijne uitnemendste kunstgewrochten dankt.
De Araï-Din-ka-Jhopra--dat wil zeggen, het werk van twee-en-een-halven
dag--staat op een hoog terras, waarheen vroeger breede steenen trappen
voerden, die tegenwoordig verdwenen en door een eenvoudiger stoep
vervangen zijn. De aanblik van deze ruïnen is zeer schilderachtig:
dicht geboomte omhult den voet van het terras, en laat niets
doorschemeren dan alleen de gebeeldhouwde kroonlijst der moskee. Eene
sierlijke poort voert naar eene groote geplaveide binnenplaats, waarvan
de zerken meerendeels verbroken zijn. Tegenover deze poort verrijst
de moskee; maar de gevel is bijna geheel verborgen door eene rij
groote boomen en een modernen muur, hetgeen het effect bederft. Aan de
drie andere zijden is de hof omgeven door zuilengalerijen, die groote
paviljoenen, in een ernstigen stijl gebouwd, dragen. Eerst als ge door
het poortje in den muur zijt gegaan, kunt ge de moskee in haar geheel
overzien. In het midden van den voorgevel verheft zich eene hooge
majestueuse poort, ter wederzijde omgeven door drie lagere booggangen:
deze zeven poorten dragen de namen van de zeven dagen der week. De
gansche voorgevel is als met een net van beeldhouwwerk bedekt, zoo
fijn en zoo smaakvol, dat het alleen met kant te vergelijken is. Het
inwendige der moskee is dezen prachtigen voorgevel volkomen waardig:
moeilijk kunt ge u iets schooners denken dan deze ruime hal, waarvan
het heerlijk gebeeldhouwde gewelf door vier rijen sierlijke zuilen
gedragen wordt.
Het middenschip is gedekt door eene reeks koepels in den eigenaardigen
djaïna-stijl; de zijschepen hebben platte zolderingen, in vakken
verdeeld en evenals de koepels, met de grootste weelderigheid en
rijkste verscheidenheid van beeldhouwwerk bedekt. De zuilen zijn
evenzeer uitnemende modellen van den djaïna-stijl; door hun slanken
vorm en hunne schikking geven zij aan den tempel een karakter van
grootschheid en majesteit, meer dan anders aan de heiligdommen dezer
secte eigen pleegt te zijn.
Geen enkel opschrift geeft den tijd der stichting van dezen tempel
aan; in den muur bevindt zich wel een zwart marmeren plaat, waarop
eenige regelen in het sanskriet zijn gebeiteld, maar dit opschrift
is volstrekt onleesbaar. Todd meent dat de tempel gesticht werd door
koning Swamprithi, twee eeuwen vóór Christus; en tot staving van
dat gevoelen beroept hij zich op de gelijkenis van dit monument
met de ruïnen van een ander heiligdom te Komulmair, waarvan de
stichting aan dien vorst wordt toegeschreven. Het komt mij juister
voor, de stichting van dezen tempel te plaatsen omstreeks de vierde
eeuw van onze jaartelling, toen de zoogenaamde djaïna-stijl, zich
van den boeddhistischen stijl losmakende, zich zelfstandig begon
te ontwikkelen. Ware de Araï-Din-ka-Jhopra inderdaad door koning
Swamprithi gebouwd, dan zou zij een boeddhistische tempel zijn
geweest. Wat hier ook van zij, de oude tempel van Ajmeer, later in
eene moskee herschapen, is een hoogst merkwaardig kunstgewrocht;
en het is treurig te zien, hoe dit monument gaandeweg in een bouwval
verandert: over weinige jaren zal er zoogoed als niets meer van over
zijn; en den Engelschen zal met recht het verwijt treffen dat zij
een gedenkteeken hebben laten vervallen, zelfs door de wilde horden
van Turkestan ontzien en met eerbied behandeld.
Ik richtte nu mijne schreden naar den ouden burcht der Sjohan-koningen,
waarvan de zware muren en torens, volgens de overlevering door Aja-Pal
gebouwd, zich op den top des bergs, ongeveer duizend voet boven mijn
hoofd, verhieven. Dit was geen gemakkelijk werk, want de helling
van den berg is zeer steil; maar de moeite wordt rijkelijk beloond
door het prachtige panorama, dat zich, naarmate men hooger komt,
voor den blik ontvouwt. Van de wallen van den Teraghur overziet ge,
met een enkelen blik, geheel deze breede, wonderschoone vallei, eene
ware oase, verloren te midden van eene wildernis van naakte rotsen en
dorre zandvlakten; naar het westen ontwaart ge eene breede, lange gele
streep: dat is de woestijn van Thoerr, Maroestan, het koninkrijk van
den Dood. Het uitzicht treft bovenal door de rijke afwisseling en de
scherpe contrasten, vlak nevens elkaar; het loont, zooals ik zeide,
volkomen de moeite der beklimming; maar iets anders moet ge hier
dan ook niet zoeken. Geen enkel spoor is meer te vinden van de oude
koninklijke paleizen: niets dan eene kleine, armzalige, witgepleisterde
moskee, en de ruime barakken van het engelsche sanitarium. De lucht is,
op deze hoogte, zeer zuiver, en de temperatuur, bijna het gansche jaar
door, gematigd. De Engelschen hebben daarvan gebruik gemaakt, en de
oude koningsveste ingericht tot een sanitarium of gezondheids-station,
waar de soldaten, die te Nusserabad en te Ajmeer in bezetting liggen,
zich van tijd tot tijd komen verfrisschen en hunne uitgeputte krachten
herstellen.
De omstreken der stad zijn uitnemend schoon en rijk aan bekoorlijke
wandelingen. Een van de voornaamste sieraden der omliggende dorpen zijn
de reusachtige baolis of waterputten. De uitdrukking put is echter
min juist gekozen: het is een soort van vijver, door onderaardsche
bronnen gevoed, en waarvan de waterspiegel altijd verscheidene ellen
beneden den beganen grond ligt. De wanden van dezen reusachtigen put
zijn tot boven den grond met sierlijke galerijen, eenige verdiepingen
hoog, voorzien; ik weet het geheel niet beter te vergelijken dan
bij een huis, waar men door het dak zou inkomen, en ver beneden
op de binnenplaats neerzien. Een koepel kroont het geheele gebouw,
dat in den regel eene stichting is van particuliere liefdadigheid en
den reiziger een vrij verblijf aanbiedt. De galerijen zijn dan ook
meestal met eene bonte menigte gevuld; en beneden, aan den rand van
den vijver, ziet ge altijd mannen en vrouwen, die zich baden of de
door hunne godsdienst voorgeschreven wasschingen volbrengen. Water
en koelte zijn de kostbaarste geschenken, die men in Indië den armen
reiziger, op zijne eindelooze tochten, bieden kan; en waar hij die
vindt, zal hij nooit vergeten voor zijn edelen weldoener te bidden.
Wij vertoefden omstreeks tien dagen te Ajmeer, en brachten dien tijd,
in gezelschap van majoor Davidson en een kleinen kring Europeanen,
zoo aangenaam mogelijk door. Eindelijk moesten wij zorgen voor eene
nieuwe karavaan, om onze reis naar Jeypoor te vervolgen: en daar wij
hier geen inlandsch vorst vonden, die ons dadelijk verschafte wat wij
noodig hadden, had dit vrij wat moeite in. Evenwel, met behulp der
engelsche overheden, slaagde ik er in, de noodige lastdieren bijeen
te krijgen, benevens twee slechte dromedarissen. Daar de wegen veilig
waren, hadden wij geen gewapend geleide noodig.
(_Wordt vervolgd._)