De maand Februari ging voorbij met de verschillende feesten van
den Holi, het lentefeest en tevens het indische carnaval, waarbij
de uitgelatenste vroolijkheid en ook de ergerlijkste zedeloosheid
en dartelheid allerwege den boventoon voeren. De rana had ons
overgehaald tot na den afloop dezer feesten en die van de godin Goeri,
te Oodipoor te blijven; nu echter stond mijn besluit om te vertrekken
onwrikbaar vast. Wij hadden ons afscheidsbezoek bij den rana gebracht,
en alle toebereidselen voor de reis waren voltooid. De rana had de
beleefdheid gehad zijne kameelen te onzer beschikking te stellen:
maar de vakil, de stalmeester, had--ik weet zelf niet waarom--ons
allerlei moeilijkheden in den weg gelegd. Hij zond ons kreupele,
onhandelbare of zwakke dieren, die wij niet konden gebruiken. Eindelijk
gaf ik hem te kennen dat ik mij tot den resident of des noods tot den
rana zelf zou wenden; dit hielp: en weldra had ik nu vijftien sterke
kameelen tot mijnen dienst, die onze bagage, onze bedienden en onze
tenten moesten vervoeren; twee uitnemende dromedarissen zullen ons
dienen om daarop te rijden. Ons geleide bestaat uit twaalf sowars;
onze bedienden en de kameeldrijvers daarbij geteld, is onze karavaan
meer dan veertig personen sterk.
In den vroegen morgen van den 5den Maart, zond ik al mijn volkje
vooruit naar Dubock; bij het vertrek heerscht de meest volslagen
wanorde, zooals trouwens hier doorgaans het geval is. Wij ontbijten
voor het laatst bij den resident; al onze goede vrienden zitten
nog eens met ons aan tafel. Eindelijk--een laatste handdruk, en dan
vaarwel! Wij springen in het zadel en rijden in galop weg; na een
rit van een uur bereiken wij de bergpassen van Dobarri. Nog eenmaal
wierpen wij een blik op het landschap achter ons: daar lag de rijke,
heerlijke vallei met hare bosschen, hare vruchtbare velden, hare
lachende dorpen; het riviertje de Bairis baande zich kronkelend een
weg tusschen de rotsen. In de verte Oodipoor, de stad van de rijzende
zon, met haar diadeem van paleizen, rustende tegen de Aravallis,
wier prachtige grootsche lijnen zich krachtig in de blauwe lucht
afteekenden. Wij trekken de bergengte door, en hebben de grenzen
van den Guirwô overschreden; voor ons ontvouwt zich het panorama der
vlakten van Mewar, ten oosten begrensd door eene schemerende blauwe
lijn, de bergen van Tsjittore.
Wij bereiken de bungalow van Dubock, waarbij ons kamp is
opgeslagen. Nauwelijks zijn wij daar aangekomen, of twee _harkaras_
of boden van den rana komen ons de _purwanas_ of firmans ter hand
stellen, die de koning ons had beloofd. Deze purwanas zijn gericht aan
de thakoers of baronnen, aan de kotwals of bevelhebbers der steden,
aan de patels of dorpshoofden, en houden den last in, vooreerst,
dat wij behandeld moeten worden met al den eerbied, dien men aan
vrienden van den maha-rana verschuldigd is; voorts, dat ons dadelijk,
zonder eenige vergoeding, de _rassâd_ voor ons en onze lieden moet
worden verschaft. Onder dezen _rassâd_ verstaat men zoowel de noodige
levensmiddelen als de koelies. Op mijn bevel moet dit alles, op de
verschillende plaatsen waar wij ons ophouden, worden geleverd; het
dorpshoofd maakt dan eene lijst op der geleverde goederen, die door
mij wordt geteekend en vervolgens aan den minister van den rana ter
hand gesteld, die voor de betaling zorgt. De purwana voegt daarbij,
dat, aangezien de sahibs reizen om het land te leeren kennen, elk
gehouden is hun alle merkwaardigheden aan te wijzen, en hun alle
verlangde inlichtingen te geven omtrent de zeden, de overleveringen
en legenden der streek. Deze laatste bijvoeging is van groot gewicht:
want daar de inlanders altijd bevreesd zijn op eene of andere manier
in onaangenaamheid te geraken, antwoorden zij zonder zulk een bevel
steeds ontwijkend op al uwe vragen en houden zich als wisten zij van
niets. De beide harkaras, die ons zullen vergezellen, moeten voor de
goede naleving der firmans zorgen.
Het kamp is in de volmaakste orde; de kameelen en paarden zijn aan
palen vastgebonden; de tenten regelmatig geplaatst; ieder man is op
zijn post, en heeft zijn bed, een strooien mat, gereed gemaakt. Van de
verwarring en wanorde, die te Oodipoor heerschten, is geen spoor meer
over. Zoo lang de reis nog niet begonnen is, kunt ge niets van uw volk
gedaan krijgen: de beesten worden slecht geladen; de touwen breken;
elk oogenblik hebt ge met allerlei moeielijkheden te kampen. Maar
nauwelijks zijn zij een paar mijlen buiten de stad, of uwe lieden
begrijpen dat alle verder tegenspartelen nutteloos is, en van nu gaat
alles naar wensch. De Hindoes hebben allen een ingeschapen lust voor
reizen; het eenige waar zij tegen opzien, is het vertrek; maar eenmaal
op weg, zult ge moeielijk lieden vinden, die zich gewilliger en met
meer blijmoedigheid de vermoeienissen en ontberingen van een langen
marsch getroosten; zij zijn op reis bereid te doen, wat zij u in de
stad zeer stellig weigeren zouden, en niemand aarzelt een oogenblik,
de handen aan het werk te slaan.
Nog voor het aanbreken van den dag, werd ik den volgenden morgen door
mijn getrouwen bediende gewekt. Al ons volk is reeds op de been, en
druk bezig, bij het schijnsel der wachtvuren, de kameelen te laden,
die gansch niet in hun schik zijn, dat zij zoo vroeg gewekt worden,
en hun ongenoegen door een luid gebulk openbaren. Het tooneel is
schilderachtig genoeg: dit geraas en rumoer, dat rosachtig schijnsel
der vuren, die zonderlinge dieren, onwillig tegenstribbelende tegen die
door elkander woelende menschen, die groote donkere boomgroepen:--en
dan dat stille rustige, in schemering gehulde landschap daar om
heen. Het is vier uur in den morgen, tusschen de keerkringen het
stille uur; het roofgedierte, dat des nachts rondsluipt, is reeds naar
zijn holen terug gekeerd; de andere woud- en veld- en luchtbewoners
wachten op de komst van den dageraad; de lucht is frisch, koel zelfs:
het doet u goed, bij het wachtvuur te staan. De maan is ondergegaan;
geen ander licht dan het schijnsel der sterren en de heldere glans
van het zodiacaal licht, dat aan den oostelijken horizon als een
langwerpige aureool straalt.
Het land, waar wij ons thans bevinden, behoort zeker tot de door de
natuur meest gezegende streken; de bodem bestaat uit die zwarte, zware
tuinaarde, in het hindoesch _mâl_ genaamd, waaraan de uitgestrekte
landstreek, door de Tsjumboel bespoeld, den naam van Malwa dankt. Maar
de bebouwing staat hier niet in evenredigheid tot de vruchtbaarheid; de
onophoudelijke oorlogen der vorige eeuw hebben het land grootendeels
tot een wildernis gemaakt; het oog van den reiziger dwaalt langs
onafzienbare vlakten, overal bedekt met dat grijsachtige struikgewas,
dat alle indische jungles vormt. Van afstand tot afstand ontmoet
ge een enkel dorp, met zijne woningen en tuinen tegen de hellingen
van een heuvel gebouwd; daar om heen smaragdgroene rijstvelden,
veelkleurige opiumplantages, prachtige akkers met graan. Deze dorpen
zien er allen welvarend uit; bij onze nadering loopen de inwoners
toe om ons te groeten.
Na een tocht van een-en-twintig kilometers door deze fraaie,
hoewel eenigszins eentonige landstreek, komen wij te Mynar, een
schilderachtig dorp, tegen een heuvel gelegen, waarvan de top door
een sierlijken tempel wordt gekroond. Wij slaan ons kamp op in de
schaduw van eeuwenheugende boomen, aan den oever van een fraai meer,
tegenover een grooten plas, waar, tusschen de breede lotusbladen,
gansche zwermen van eenden dartelen. Ik begaf mij daarheen, en schoot
mijn geweer onder den hoop af. Duizende eenden verduisterden de lucht,
en lieten zich dooden met eene gemakkelijkheid, die mij al spoedig
de lust deed vergaan.
De sowars rapen den buit op, en volgen mij, bij zich zelven mompelende
en lachende, tot aan mijne tent; maar nauwelijks heb ik mijn ontbijt
gebruikt, of een zwaarlijvige brahmaan komt mij vertellen dat het
niet geoorloofd is op het meer te gaan jagen, omdat het dorp gewijde
grond is. Ik tracht hem onder het oog te brengen dat ik, indien ik
al kwaad heb gepleegd, dit dan toch onwetend heb gedaan, en dat de
rana mij bovendien heeft vergund om overal in zijne staten zonder
eenige beperking te jagen. Deze uitlegging schijnt den brahmaan niet
te voldoen, die blijft razen en tieren, tot ik hem buiten het kamp
laat zetten.
Mynar is inderdaad een _sahsun_, dat wil zeggen eene kerkelijk
domein; de priesters beweren dat hun dit goed geschonken werd door
den mythischen rajah Mandhata, die vóór Vicramaditya te Dhar regeerde
en wiens rijk zich uitstrekte tot de Aravallis. Deze koning, eens te
Doendia, eene naburige stad, zijnde, bracht daar den goden de aswamedha
of het offer van een paard; na afloop der plechtigheid, wilde hij de
beide ritsjis of heilige kluizenaars, die geofferd hadden een geschenk
vereeren, maar deze weigerden iedere gave. Toen nam de koning zijne
toevlucht tot list: hij verborg in de bîra, het bosje betelbladen,
dat hij hun aanbood, een brief, waarbij hun het dorp Mynar met de
daarbij behoorende gronden in eigendom werd geschonken. De ritsjis,
de bîra aangenomen hebbende verloren hun vermogen om wonderen te doen;
zij vestigden zich toen op hun nieuw domein en werden landbouwers.
In geheel Radsjpoetana is er geen enkele staat, waarin althans niet
een vijfde gedeelte van den grond het eigendom is der brahmanen; in
den loop der eeuwen heeft de brahmaansche kerk onberekenbare schatten
opgestapeld, wier bezit zij met alle kracht verdedigt. Worden de
vorsten niet in de oude gewijde boeken van Manoe zelf vermaand,
om vóór hun dood al hunne persoonlijke bezittingen aan de priesters
te vermaken? En worden zij, die de hand zouden durven slaan aan de
gewijde goederen, niet bedreigd met een verblijf van zestigduizend jaar
in het lichaam van een onreinen worm? Het moet toch wel hard zijn,
na al de weelden van den troon genoten te hebben, zoo ontzettend
diep te vallen; en aan den anderen kant is het recht aangenaam uit
dit leven te scheiden met het bewustzijn dat, zoo uwe erfgenamen al
teleur zijn gesteld, dan toch uwe ziel van alle smet is gereinigd
en der zaligheid deelachtig wordt;--daarom geven de koningen, en
de kerk behoudt wat zij eens ontving. In het koninkrijk Mewar gaat
een vijfde van de staatsinkomsten in de handen der brahmanen over;
en ter nauwernood durft de koning het wagen om gronden, die reeds
voor eeuwen aan de priesters werden geschonken en nu geheel verlaten
liggen, weder bij het kroondomein te voegen. Tot het dorp Mynar
behooren vijfduizend _bigahs_, ongeveer zesduizend-vierhonderd bunders
bouwland, waarvan meer dan drie vierde gedeelte onbebouwd en woest
ligt, door de afwezigheid of het uitsterven der oude bezitters. Niet
alleen laten de koningen dus een groot deel van hun land ongebruikt
en braak liggen, maar nog voortdurend maken zij nieuwe schenkingen,
die het land nog meer verarmen; doch deze staat van zaken kan niet
eindeloos voortduren, en waarschijnlijk is de tijd niet meer verre dat
de vorsten op aansporing der engelsche agenten, hunne bijgeloovige
vrees zullen overwinnen en maatregelen nemen om althans de woeste
gronden weder aan den landbouw terug te geven.
Twee dagreizen brengen ons naar Tsjittore, de aloude hoofdstad
van Mewar, en gedurende eenige eeuwen het laatste bolwerk der
hindoesche nationaliteit tegen de mohammedaansche overweldiging. De
stad ligt op den top van een alleenstaanden berg; het plateau heeft
eene lengte van vijf kilometers, bij eene breedte van gemiddeld
vierhonderd el. De wanden van den berg, die tusschen de negentig en
honderdtwintig ellen hoog is, rijzen bijna loodrecht uit de vlakte op;
een hooge gekanteelde muur, met zware torens voorzien, loopt langs
den rand van den afgrond. Deze natuurlijke gesteldheid, gevoegd bij
uitnemend aangelegde verdedigingswerken, maakte Tsjittore tot eene
bijkans onneembare vesting; rijkelijk van waterputten voorzien, en met
welgevulde reusachtige magazijnen, kon zij ook moeielijk door honger
bedwongen worden:--en toch zijn weinige steden in Indië zoo dikwijls
genomen geworden als juist deze. Haar kwetsbaar punt is eene kleine
bergvlakte, ten zuiden van den berg, die, hoewel lager liggende dan de
muur der vesting, toch voor de aanvallers een geschikt punt oplevert
om de stad aan te tasten. Volgens de overlevering, zou dit plateau,
onder den naam van Tsjittore bekend, zijn ontstaan te danken hebben aan
den tartaarschen sultan Ala-Oedin; inderdaad was het van dit punt, dat
hij den storm waagde, die hem, ten jare 1303, Tsjittore in handen deed
vallen; en daar het beleg niet minder dan twaalf jaren geduurd had,
is het zeerwel mogelijk, dat de belegeringswerken van den sultan de
kruin van dezen vooruitspringenden heuvel aanmerkelijk hebben verhoogd;
naar men wil, had hij op deze hoogte zijne munjanikas of werptuigen
geplaatst. Madhaji Scindia plantte, in 1792, mede op de hoogte van
Tsjittore zijne batterijen, waarmede hij de stad bombardeerde.
Het lagere gedeelte van de berghelling is met ondoordringbaar bosch
begroeid, waarin allerlei gedierte huist; ten oosten aan den voet
des bergs, ligt de Toelaïti of benedenstad; aan deze zijde bevinden
zich ook al de merkwaardige monumenten van Tsjittore. Een enkele
weg voert van de Toelaïti naar boven, naar Tsjittore; deze toegang
was door zeven poorten verdedigd, die tegenwoordig zeer vervallen
zijn. Deze poorten, op verschillende hoogte geplaatst, dragen allen
een monumentaal karakter, en zijn zeer fraai van stijl; zij bevatten
niet slechts wachtkamers, maar zelfs groote zalen. Tusschen de
derde en de vierde poort verrijst een klein marmeren grafmonument,
dat de immer gedenkwaardige plek aanwijst, waar de beide helden
Jeimul en Puttoe, tijdens het beleg der stad door keizer Akbar,
sneuvelden. In de nabijheid is het graf van een anderen martelaar van
de onafhankelijkheid der Radsjpoeten, Ragondeh, tegenwoordig als een
heilige vereerd. De laatste poort is een statig, indrukwekkend gebouw:
een wijde boog geeft toegang tot de stad; ter wederzijde zijn fraaie
wachthuizen, door zuilen gedragen; en boven de poort is de Durri Kana
of groote staatsiezaal der Radsjpoeten vorsten. Het was in deze zaal,
dat de machtige Kangra Rani, de beschermgodin van Tsjittore, aan
den rana Ursi verscheen, en hem de vernedering van zijn doorluchtig
geslacht voorspelde. Maar hier is geen enkel brok muur, geen steen
bijna, waaraan zich niet eene of andere legende uit den heldentijd
hecht, en die niet de herinnering van een schitterend wapenfeit of
van eene edele zelfopoffering voor het geheugen terugroept. Deze poort
leidde vroeger naar eene groote schitterende stad, de roem van Indië,
waarvan nu niets meer over is dan enkele leemen hutten, verloren te
midden der bouwvallen van paleizen en praalgebouwen.
Van al deze overblijfselen van vervlogen grootheid, paleizen en
tempels, is verreweg het merkwaardigste de Kheerut-Khoemb of Toren
der Overwinning van Khoembhoe. Hij werd door den rana van dien
naam gebouwd, ter herinnering aan de groote overwinning, die hij
op de verbonden legers des sultans van Malwa en Goezerate behaald
had. Het eenige monument in geheel Hindostan, dat met dezen toren kan
vergeleken worden, is de toren der Overwinning van Koetub te Delhi,
die de Kheerut in hoogte, maar niet in schoonheid overtreft. De
Kheerut van Tsjittore is een vierkante toren van zeven-en-dertig
ellen hoogte; de breedte van iedere zijde is beneden tien el, en
boven onder den koepel vijf el; de toren rust op een grondslag of
voetstuk van dertien el aan iedere zijde. De vorm van het gebouw is
verre van regelmatig; het is verdeeld in negen verdiepingen, waarvan
de met zuilen versierde vensters, de balkons en uitspringende lijsten
de eenvormigheid der lijnen bevallig breken en eene hoogst gelukkige
uitwerking doen. Zoowel het uit- als het inwendige prijkt met duizende
standbeelden, bas-reliefs en ornamenten; alle goden van den indischen
Olympus zijn hier vertegenwoordigd. De negende verdieping is een
lantaarn, waarboven zich een moderne koepel verheft, daar de oude
door den bliksem is vernield. In deze verhevene zaal bevonden zich
de marmerplaten, waarop de stamboom der Ranas en hunne voornaamste
daden waren gebeiteld; het mohammedaansche vandalisme heeft er
slechts enkelen van gespaard. Van den top des torens geniet men een
overheerlijk uitzicht over de gansche omliggende streek.
Aan den voet van dezen toren bevindt zich een tempel aan Brâma,
den onzichtbaren god, gewijd, en mede door Khoembhoe, ter eere van
zijn vader Mokul, gesticht. In de nabijheid ligt de Shâr Bâgh of
de koninklijke begraafplaats, met de graftomben van al de Ranas, te
beginnen met Bappa, den stichter der dynastie (782) tot Oedey-Singh,
den laatsten vorst van Tsjittore (1597). Onder deze graftomben zijn er
vele, die eene nauwkeurige studie alleszins waardig zijn. Maar waar
zou ik eindigen, indien ik al de merkwaardigheden wilde beschrijven
van deze aloude hoofdstad, waar nog meer dan driehonderd monumenten,
uit een tijdvak van misschien zeven of acht eeuwen afkomstig, verhalen
van de vroegere heerlijkheid, thans voor immer ondergegaan?
Men zal zich, na het gezegde, eenigermate een denkbeeld kunnen
maken van den geweldigen indruk, dien de rampen van deze stad
op de Hindoes moesten maken: eene stad, die gedurende de lange
onafhankelijkheidsoorlogen het voornaamste brand- en middelpunt der
hindoesche nationaliteit was, en daarbij de trots en de laatste hoop
der ridderlijke Radsjpoeten. Nog is deze herinnering levendig in
aller gemoed, en de naam van Tsjittore, de ongelukkige stad, zweeft
nog steeds op de lippen des volks.
De Hindoes verhalen van drie-en-een-halve _sacas_ (plundering) van
Tsjittore, tijdens het bestuur der Radsjpoeten: en wel, een onder
Lakumsi, en de twee anderen onder Bikramajit en Oedey-Singh. Luisteren
wij een oogenblik naar het verhaal dezer schitterende episoden uit
de laatste heldhaftige worsteling voor de onafhankelijkheid van het
oude Indië.
De rana Lakumsi besteeg den troon zijner vaderen in het jaar 1275;
zijne hoofdstad, tot op dat oogenblik nog door geen vijand vermeesterd,
bevatte bijna alles wat er in Hindostan groots en heiligs was
overgebleven: Delhi was toen reeds gevallen. Bhimsi, oom des konings
en regent gedurende diens minderjarigheid, had de dochter van een
edelman van Ceilon gehuwd, eene vrouw van zeldzame schoonheid en zeer
uitnemende gaven van geest en hart. De sultan Ala-Oedin-Ghilsy, van de
bekoorlijkheden dezer vorstin gehoord hebbende, sloeg het beleg voor
Tsjittore, met geen ander doel dan om deze beroemde vrouw, van wier
voortreffelijkheid het gansche land gewaagde, voor zich te winnen. De
Radsjpoeten verdedigden zich met heldenmoed; en de sultan, wien het
lange, hopelooze beleg begon te verdrieten, verklaarde eindelijk
te zullen aftrekken, indien het hem slechts eenmaal vergund mocht
zijn, het gelaat der schoone Pudmani te aanschouwen. Zijn wensch
werd ingewilligd: en Ala, zich verlatende op het eerewoord en de
ridderlijke trouw der Radsjpoeten, kwam binnen Tsjittore, werd bij
de vorstin toegelaten, en verliet ongedeerd de stad. Bhimsi, zich
niet minder edelmoedig willende toonen dan de tartaarsche sultan,
begeleidde dezen tot buiten de vestingwerken. Juist daarop had Ala
gerekend: de onvoorzichtige Radsjpoet zag zich plotseling overvallen
en als gevangene naar het muzelmansche kamp gevoerd. Groot was de
verslagenheid in Tsjittore, toen men den volgende morgen vernam, dat
Ala zijn gevangene niet wilde loslaten, tenzij hem de prinses werd
uitgeleverd. Pudmani aarzelde niet, en maakte aan allen haar besluit
kenbaar, zich in handen van den sultan te stellen; maar tegelijk
riep zij hare bloedverwanten bijeen en deelde hun het plan mede,
dat zij ontworpen had om haar gemaal te redden. Ala werd mitsdien
geboodschapt dat de vorstin zijne gevangene zou worden in plaats van
Bhimsi: onder voorwaarde evenwel, dat het haar vergund zou zijn, zich
tot aan het vijandelijk kamp te doen vergezellen door hare vrouwen
en dienstmaagden en door de leden harer familie; en voorts onder de
uitdrukkelijke bepaling dat de wetten van de zenanah stipt zouden
worden geëerbiedigd. Deze voorwaarden aangenomen zijnde, daalden den
volgenden dag zevenhonderd draagstoelen van de rotsige hoogte af;
in iederen draagstoel zat, verborgen door de dichte gordijnen, een
uitgelezen strijder van de ridderschap van Tsjittore; de vier dragers
waren vermomde soldaten. Bij het tartaarsche kamp gekomen, werd aan
de gewaande vrouwen, een half uur toegestaan om afscheid te nemen van
Pudmani; de in vrijheid gestelde Bhimsi voegde zich bij zijne helden,
en beraadslaagde met hen, aan aller oog onttrokken door de gordijnen
der draagstoelen. Op een gegeven teeken springen nu de mannen eensklaps
te voorschijn; de soldaten van Ala willen hen gevangen nemen. Van de
verwarring gebruik makende, werpt Bhimsi zich op een paard en ijlt naar
Tsjittore, terwijl zijn makkers zijn terugtocht dekken. De strijd was
bloedig; van de heldenschaar der Radsjpoeten keerden maar weinigen in
de vesting terug; maar het verlies van Ala-Oedin was zoo groot, dat hij
den moed verloor en het beleg opbrak. De indische geschiedschrijvers
noemen dit de halve _saca_ van Tsjittore; want hoewel de stad niet
genomen werd, had zij toch de bloem van haar ridderschap verloren.
In 1290 keerde Ala-Oedin terug en sloeg nogmaals het beleg
voor Tsjittore; ditmaal met het vaste voornemen om deze laatste
wijkplaats der afgodendienaars te vernietigen. Meer dan twaalf
jaren lang bood de onneembare vesting een heldhaftigen tegenstand;
maar eindelijk slaagden de Muzelmannen er in, zich van de hoogte van
Tsjittore meester te maken: en nu begrepen de Radsjpoeten dat hun val
onvermijdelijk was. De legende verhaalt dat, op dit uiterste oogenblik,
de beschermgodin van Tsjittore, de vreeselijke Kangra-Rani, aan den
koning Lakumsi verscheen, en tot hem de ontzettende woorden sprak:
"Ik begeer koninklijke offers! Dat twaalf gekroonde vorsten hun
bloed voor mij vergieten, en uwe nakomelingen zullen over Mewar
regeeren!" Den volgenden dag riep de rana Lakumsi, die allen in
den strijd was voorgegaan, zijne edelen en de voornaamsten der stad
bijeen, en deelde hun de woorden der godin mede; maar de grijsaards
trachtten den vorst te overreden, dat zijne overspannen verbeelding
hem had misleid. Doch nu verschijnt Kangra-Rani ook voor hunne oogen,
en roept hun toe: "Wat baten mij de duizende barbaren, die gij mij
ten offer hebt gebracht? ik dorst naar koningsbloed! Laat iederen
dag een andere vorst worden gekroond; laat hem getooid worden met de
koninklijke insigniën, met de _kirma_ (zonnescherm), met de _sjatta_
(kleine parasol) en de _sjamra_ (waaier); dat hij gedurende drie
dagen zijne bevelen uitvaardige, en den vierden dag ten strijde ga
en sneuvele. Op deze voorwaarden alleen zal ik met u blijven."--De
twaalf zonen van den rana waren aanstonds bereid zich ten offer te
wijden, en betwistten elkander de eer wie het eerst ten doode zou
gaan. Ursi werd het eerst als koning uitgeroepen: en na eene regeering
van vier dagen, sneuvelde hij, strijdende voor Tsjittore. Elf zijner
zonen waren aldus voor het vaderland gevallen, toen de rana zelf
zijn krijgers verkondigde, dat nu de beurt om te sterven aan hem
gekomen was. De laatste zijner zonen, die op uitdrukkelijk bevel van
zijn vader, met een zwak geleide, de vesting verlaten had, bereikte
gelukkig het Aravalli-gebergte. De Radsjpoeten bereidden zich nu
tot den dood: de verschrikkelijke offerande van den johur zou worden
voltrokken. De onderaardsche vertrekken van den Rani Bindar werden
met brandbare stoffen opgevuld, en daarboven de schatten opgestapeld,
die de muzelmansche hebzucht het meest konden prikkelen: de juweelen,
de gouden en zilveren vaten en de vrouwen; deze laatsten gingen, ten
getale van eenige duizenden, dit levend graf binnen, op het voetspoor
van hare vorstin, de onvergelijkelijke Pudmani. Toen liet de rana de
poorten der vesting openen, en omstuwd door het overblijfsel zijner
helden, wierp hij zich op het leger van Ala; allen werden tot den
laatsten man gedood, na onder hunne vijanden eene verschrikkelijke
slachting te hebben aangericht. Toen de tartaarsche sultan eindelijk
Tsjittore binnentrok, vond hij eene zwijgende, uitgestorven stad,
waarboven een akelige zware rookwolk hing, die opsteeg uit de
onderaardsche vertrekken, waarin alles, dat zijne begeerlijkheid had
opgewekt, door de smeulende vlammen werd verteerd! In zijne woede,
vernielde hij alle gebouwen binnen de vesting, met uitzondering van
het paleis van Pudmani, de vrouw, die de onschuldige oorzaak was
geworden van den val van Tsjittore.
Aldus de legende, die zekerlijk de historische werkelijkheid heeft
opgesierd. De tweede verovering der uit hare puinen herrezen hoofdstad
had plaats onder de regeering van Bikramajit, omstreeks 1537. De
vroegere rampen waren sinds lang vergeten, en onder de glansrijke
regeering van den rana Khoembhoe had Tsjittore het toppunt van macht en
heerlijkheid bereikt, toen de sultan Bahadoer-Bajazet, de beheerscher
van Goezerate, een inval in Mewar deed, om de nederlaag van zijn
voorganger Mozuffar te wreken. De rana, een man van een heftig
en wantrouwend karakter, door zijne edelen verlaten, die zich in
Tsjittore hadden opgesloten, trok moedig den sultan tegen, maar werd
verslagen. Onmiddellijk werd nu de hoofdstad belegerd, en Bajazet
maakte daarbij gebruik van geschut: een wapen, dat de Radsjpoeten
tot dusverre hadden versmaad. Volgens de verhalen van dien tijd,
werd de muzelmansche artillerie gekommandeerd door een Europeaan:
Labri Khan van Frenghân, waarschijnlijk een deserteur van de vloot
van Vasco De Gama. Hij liet mijnen rondom de vesting aanleggen;
en eene daarvan had eene zoo geweldige uitwerking, dat de wal over
eene lengte van veertig ellebogen instortte, benevens een bolwerk,
waarvan al de verdedigers omkwamen. De radsjpoeten edellieden boden een
hardnekkigen tegenstand, en riepen, bij afwezigheid van den rana, een
der prinsen van het koninklijk geslacht tot koning uit; deze, met de
teekenen der souvereine waardigheid bekleed, begaf zich naar den muur
en liet zich dooden, ten einde door dit offer de vertoornde godheid
te verzoenen. Onder de vele bewijzen van schitterenden heldenmoed,
waarvan ook dit beleg wederom getuige was, roemen de nationale
barden bovenal het gedrag van de koningin-moeder, Jowahir-Baï, die,
van top tot teen gewapend, zelf aan het hoofd eener gewapende bende,
een uitval deed en sneuvelde, na met eigen hand eene menigte vijanden
te hebben omgebracht. Eindelijk was langer tegenstand onmogelijk
geworden; de vijand heeft bijna den wal vermeesterd; de vreeselijke
plechtigheid van den johur zal wederom worden gevierd; maar de tijd
ontbreekt om een brandstapel op te richten; de koningin Kurnavati
en dertienduizend vrouwen vereenigen zich op eene ondermijnde rots:
de lont wordt aan het kruid gelegd; en, na aldus hunne eer en hunne
dierbaarste panden gered te hebben, ijlen de mannen naar de laatste
worsteling, waaruit geen hunner keert. Bajazet werd, bij het gezicht
dezer brandende, met dooden en stervenden opgevulde stad, van afschuw
bevangen, en verliet haar zoo spoedig mogelijk.
Ruim dertig jaren later was Tsjittore nogmaals uit zijne asch herrezen,
toen keizer Akbar het beleg voor de stad kwam slaan. De eerste maal
werd hij, dank zij den heldenmoed van den rana Oedey-Singh, terug
geslagen; maar kort daarop kwam hij terug. Ditmaal beging Oedey de
laagheid van te vluchten, en de verdediging zijner hoofdstad over
te laten aan zijne onverschrokken vasallen; zij deden wonderen van
dapperheid, maar niets kon de arme stad redden, dus alleen gelaten in
hare worsteling met het ontzachelijke rijk van den Groot-mogol. De
vertegenwoordigers der schitterendste geslachten van den adel van
Mewar vielen in den ongelijken strijd; de weduwe van Saloembra, een
der Omras of pairs des rijks, geleidde zelf haar zestienjarigen zoon
en hare schoondochter naar het gevecht, en alle drie vonden den dood
op de wallen der heilige stad. Twee clanhoofden, Jeimul en Puttoe,
hadden het bevel over de vesting op zich genomen; zij deden al wat
menschelijkerwijze mogelijk was om de stad te redden, en hun onbezweken
heldenmoed wekte zoozeer de bewondering zelfs der aanvallers op, dat
tot op den huidigen dag hunne namen bijna evenzeer door de muzelmannen
als door de Radsjpoeten in hooge eere worden gehouden. Jeimul, door
de hand van Akbar zelf doodelijk gewond, gaf eindelijk, het teeken tot
den Johur. Negen koninginnen, vijf prinsessen en meer dan tienduizend
vrouwen bestegen den brandstapel, terwijl de laatste verdedigers zich
te midden der vijandelijke gelederen wierpen. De groote Akbar toonde
zich onverzoenlijk, en liet allen, die nog in het leven waren gebleven,
ombrengen; hij overtrof in vernielingswoede Ala-Oedin en Bajazet,
en verwoestte of schond al de monumenten van Tsjittore.
De godin Kangra-Rani had beloofd, deze rotsvesting nooit te zullen
verlaten, zoolang nog een der afstammelingen van Bappa zich voor haar
ten doode zou wijden. Getrouw aan deze belofte, hadden de zonen van
Lakumsi, had de koning zelf, en hadden na hem vele andere vorsten, hun
leven vrijwillig ten offer gebracht; maar bij deze laatste worsteling
had geen enkel koninklijk slachtoffer den toorn der vreeselijke
godin bezworen: de betoovering was geweken en de band, die haar aan
de Sesoedias verbond, voor immer verbroken. Zij verliet de rotsburgt,
die door haar koning verlaten was; en met haar verdween het prestige,
dat Tsjittore omgeven had, en het steeds als het laatste en hoogste
palladium van den stam der Radsjpoeten had doen beschouwen. De stad,
die niet zonder recht den naam van de Onverwinlijke droeg, kon geene
verdedigers meer vinden; en zooals de bard zegt, "deze koninklijke
woning, die duizend jaren lang haar hoofd had opgeheven boven alle
steden van Hindostan, is geworden tot een verblijf voor het wild
gedierte, hare tempels zijn onreine holen geworden." Weleer de heilige
stad bij uitnemendheid, wordt zij heden nog wel als een gewijde
plaats beschouwd, maar die nu ten prooi is gelaten aan demonen en
onreine geesten; en het is den rana's uitdrukkelijk verboden, haar te
betreden. Geen hunner heeft, na Pertap-Singh, den voet op deze rots
gezet, en zij, die het hebben gewaagd deze bouwvallen te bezoeken,
werden als door eene onzichtbare macht terug gedreven.
Zulke herinneringen omzweven de eenzame, met ruïnen gekroonde rots,
waarop de aloude hoofdstad der rana's in doodslaap gedompeld ligt,
verlaten en vergeten. Aan haren voet, in de vlakte, ligt de Toelaïti,
de benedenstad, met hare fraaie, drukke bazars, vol leven en beweging,
met hare sierlijke huizen en welvarende bevolking, de tweede stad
des rijks. Maar meer dan al deze welvaart en vooruitgang trokken
mij de bleeke ruïnen der oude koningsstad aan, getuigen van een zoo
schitterend verleden, dat voor immer is voorbijgegaan.