Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van
feesten, die onafgebroken tot den 17den Januari voortduurden. In dien
roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden
te doen, eer wij Jhodipoor, de eerstvolgende plaats onzer bestemming,
bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde
te maken, en deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20sten
te vertrekken.
Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen:
de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte
houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene
schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn vertrek
dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel
vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer hedendaagsche
touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een
demon voort; altijd gejaagd en gehaast en voortgedreven, zien zij
eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen,
vragen zij zich zelf twijfelend af, waarom zij zich toch zoo gehaast
hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu,
dan zou ik er vier of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik
zou dan ook inderdaad iets gezien hebben.
In den morgen van den 18den Januari heerschte er in den omtrek van de
residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk
is van het vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de
majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd, waren er
verscheidene olifanten en een aantal kameelen noodig, om de tenten,
de bagage en de mondbehoeften te vervoeren. Zulk een pleiziertochtje is
hier in dit land geene kleinigheid: weelde en prachtvertoon is overal
onontbeerlijk; en voor eene jachtexpeditie, die hoogstens veertien
dagen zou duren, moest de majoor een volledig ameublement medenemen:
tafels, stoelen, bedden, sofa's, buffetten en zilverwerk. Het zou
zijner hooge waardigheid en zijn aanzien afbreuk hebben gedaan, indien
zijne slaapkamer in het kamp minder weelderig ware gemeubeld geweest,
dan in zijn paleis te Oodipoor.
Het hof zal eerst den volgenden dag op reis gaan; de majoor, dokter
Cunningham, mijn reisgezel en ik zullen den nacht doorbrengen in een
huis buiten den Guirwô, en den volgenden morgen naar de bergen van
Nahrmoegra, de algemeene verzamelplaats, trekken. Tegen twee uur,
worden wij in twee open calèches, ieder met zes paarden bespannen
afgehaald; de zweepen klappen, en wij vertrekken in vliegenden
draf, gevolgd door een eskadron lanciers van den rana. Voor wij
de bergengte bereiken, die naar de vlakte van Mewar voert, geleidt
de majoor ons naar het meer Oedey-Sâgur, aan het uiteinde van den
Guirwô, tegenover Oodipoor, gelegen: een schilderachtige waterkom,
door donkere wouden omzoomd, en aan drie zijden beheerscht door de
toppen van de Aravallis, die aan geheel het landschap een verheven
ernstig voorkomen geven. Evenals het meer Petsjola is ook dit meer
kunstmatig gevormd, door afdamming van de rivier Bunas, een op zich
zelf zeer onbeduidend stroompje, dat op die wijze twee der fraaiste
meren van Indië, op eenige mijlen afstands van elkander gelegen,
voedt. De dijken van de meren Oedey-Sâgur en Petsjola verdienen met
eere genoemd te worden onder de groote werken, door de Radsjpoeten
tot stand gebracht. De dijk van Petsjola heeft een omtrek van twee
kilometers; het door den dijk omsloten meer ligt tien of twaalf el
boven den bodem der vallei, en bevat eene watermassa, die gerust op
meer dan twee milliards kubiek el kan worden geschat; de dijk is zoo
stevig aangelegd, dat hij eene gansche stadswijk dragen kan. De _bánd_
van Oedey-Sâgur is zeshonderd el lang en gemiddeld twintig el hoog;
de watervlakte heeft eene lengte van vier en eene breedte van drie
kilometers: de gemiddelde diepte bedraagt tien el. De dijk is van
steen gebouwd, met trappen en kiosken voorzien; op de kruin verheft
zich een fraai zomerpaleis. Deze kunstmatige meren hebben evenwel
nog eene andere bestemming, dan om louter tot verfraaiing van het
landschap te dienen. Men vindt ze overal door geheel Radsjpoetana,
dat voornamelijk aan hen zijne buitengewone vruchtbaarheid dankt;
het water, aldus opgesloten in een bekken, dat eenige ellen boven den
beganen grond ligt, onderhoudt, vooral in het droge jaargetijde, eene
weldadige frischheid en vochtigheid, en voedt de putten en bronnen
der naburige dorpen. Verbreek de dijken dezer meren, en de rivieren,
die ze vormen, zullen weder worden wat zij vroeger waren: woedende,
vernielende bergstroomen in den regentijd, in het overige van het
jaar droge, dorre ravijnen; en deze nu zoo vruchtbare vlakten zullen,
binnen weinige jaren, weder terugkeeren tot de woestijn, waaraan zij
zijn ontwoekerd. De volken, die elkander in het bezit dezer landen,
en over het algemeen van Centraal-Indië zijn opgevolgd, hebben,
van de vroegste tijden, het nut dezer kunstmatige meren erkend;
overal hebben zij het water door reusachtige afdammingen opgehouden,
om het vervolgens naar hun wil en keus te geleiden. Sommigen van deze
waterwerken zijn duizende jaren oud, en wekken nog, door hun grootschen
aanleg, de bewondering der reizigers op; velen zijn echter sedert
vervallen, en alom waar dit, door de zorgeloosheid der regeeringen,
is geschied, is het land tot een wildernis geworden.
Na ons bezoek aan het meer, keeren wij naar den grooten weg terug,
en bereiken, tegen steile hellingen opklauterende, den ingang
van den bergpas van Dobarri. Ter wederzijde verheffen zich hooge
rotswanden, die slechts een weg van weinige ellen breed vrijlaten;
de plek draagt den stempel van eene wilde grootschheid, wel geschikt
om een diepen indruk te maken. In deze kronkelende bergengten heerscht
eene ongestoorde stilte: de steile rotswanden, die loodrecht uit de
omringende afgronden oprijzen, maken zelfs voor dieren den toegang
bijna onmogelijk. Op het smalste punt van den pas bevindt zich eene
versterkte poort, van bolwerken voorzien en gedekt door wallen,
die langs de hellingen naar boven loopen; in een paviljoen nevens de
poort is een militaire wacht geplaatst, die niemand doorlaat dan na
voorafgaand onderzoek; op korten afstand ziet men een tempel en een
waterbron, waar de pelgrims komen uitrusten.
Wij gaan de poort door, en overzien de rijke en vruchtbare vlakten
van Mewar: aan den horizon verheffen zich de bergen van Tsjittore,
de oude stad der Ranas. Op de plek, waar wij ons nu bevinden, stond,
volgens de overlevering, ook eenmaal Pertap-Singh, en wierp een blik
op zijn voorvaderlijk koninkrijk, door de vreemdelingen overweldigd,
aan wie hij hier een eeuwigen haat zwoer. Door de mohammedaansche
keizers van Delhi verdreven en van zijne bezittingen beroofd, bleef
Pertap niets meer over dan het enge gebied, binnen den kring van den
Guirwô ingesloten; toch bleef hij onverzettelijk de vredesvoorstellen
der Mongolen afslaan, die hem, tegen den vrijwilligen afstand zijner
souvereiniteitsrechten, eer en schatten aanboden; hij verklaarde
hun een onverzoenlijken krijg. Met een handvol edelen, die hem
getrouw waren gebleven, en de hulp der wilde Bhîls, weerstond
hij, aan de bergengte van Dobarri, de herhaalde aanvallen der
keizerlijke legers, en wist het, door onbezweken heldenmoed en schier
bovenmenschelijke inspanning, zoover te brengen dat hij langzamerhand
geheel Mewar herwon. Weinig natiën kunnen op eene geschiedenis bogen,
zoo rijk aan heldendaden, zoo luide getuigende van zelfopofferende
vaderlandsliefde, als die der Radspoeten van Mewar; van alle indische
stammen waren zij de eenigen, die volstandig weigerden, de knie te
buigen voor de Muzelmannen, en te midden van gruwelijke vervolgingen
en verdelgingsoorlogen hunne fiere onafhankelijkheid wisten te bewaren.
Het landschap, dat ons omringt, verhoogt de belangstelling, waarmede
wij naar het verhaal van majoor Nixon luisteren; de radsjpoet ruiters,
die ons vergezellen, verheffen zich trotscher in den zadel, nu zij
den grond betreden, zoo menigmalen door het bloed hunner heldhaftige
voorvaderen gedrenkt, en ik zelf kan zekere aandoening, bij de
herinnering aan dit verleden, niet onderdrukken.
Wij worden weldra uit onze mijmering gewekt door het gezicht van de
bungalow van Dubock, waar onze bedienden reeds zijn aangekomen en
waar ons een goed middagmaal wacht. Dubock is een klein dorp, aan
den zuidelijken uitloop van de Nahrmoegraketen (Tijgergebergte),
en slechts eenige mijlen van onze verzamelplaats verwijderd. Wij
brengen hier den nacht door.
Den volgenden morgen breken onze lieden reeds vroegtijdig het kamp op,
en trekken naar het dorp Nahrmoegra; in plaats van den gewonen weg
te volgen, gaven wij de voorkeur aan den tocht over de bergvlakten,
om nauwkeurig bekend te worden met de gesteldheid der streek, waar wij
de volgende dagen ter jacht zullen gaan. De Nahrmoegrabergen vormen
eene kleine keten, die over eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen
evenwijdig aan de oostelijke bergketen van den Guirwô loopt; zij zijn
van deze laatste gescheiden door eene tamelijk breede vallei, met op
zich zelf staande hoogten bezaaid. De hellingen van het gebergte loopen
in eene menigte voorsprongen uit, die op wonderlijke wijze als door
elkander zijn geworpen en een bijkans ondoordringbaar net van kloven
en diepten en ravijnen vormen. De zijden der bergen zijn geheel bedekt
met dicht kreupelhout, bestaande uit een soort van kleinen, doornige
acacia, _Acacia detinens_, die zelden hooger wordt dan drie el, en
eene groote menigte gele bessen voortbrengt, die eene lekkernij zijn
voor de wilde zwijnen. Gansche kudden van deze dieren houden zich in
die bosschen op, veilig onder de bijzondere bescherming des konings:
zonder uitdrukkelijke vergunning van den rana mag niemand hier in
den omtrek een geweer afschieten, veel minder jagen. Terwijl wij
door het dichte hout voorttrekken, zien wij dan ook overal troepen
wilde zwijnen, die bij onze nadering op de vlucht gaan. Het dorp
Nahrmoegra ligt aan het noordelijk uiteinde van de bergketen; een
sierlijk paleis, waarvan de koepels en torens zich boven het geboomte
verheffen, dient den Rajah tot verblijf gedurende den jachttijd.
Bij onze aankomst vinden wij het kamp der jagers reeds geheel kompleet;
nabij het paleis zijn onze tenten geplaatst, die eene aanzienlijke
oppervlakte beslaan. Aan de overzijde van een klein ravijn staan de
gekleurde tenten van het gevolg van den rana, de stallen der olifanten,
en de barakken der kavalerie en van de twee regimenten infanterie,
die als drijvers dienst zullen doen. Meer dan tienduizend menschen
zijn nu bijeen in dit doorgaans zoo stille en rustige oord; uit
het kamp gaat een oorverdoovend gerucht op: toch schijnt er de meest
volmaakte orde te heerschen. De etiquette wordt hier niet minder streng
in acht genomen dan aan het hof zelf; eene deputatie van edellieden
komt ons, met groote staatsie, uit naam van den rana begroeten en ons
het programma der feesten ter hand stellen, die gedurende de veertien
dagen, dat de jachtpartij duurt, zullen plaats hebben. De bayaderen
hebben den last ontvangen, hare tenten in de nabijheid van die der
vreemde heeren op te slaan. In den loop van den avond verschijnt de
Rana, dien wij in het paleis afwachten; hij voert ons zelf door zijne
woning rond, die inderdaad door eenvoud en smaak uitmunt.
Den 20sten, des middags, heeft de plechtige opening der jaarlijksche
jacht plaats. De rana, op zijn olifant gezeten, verlaat zijn paleis,
omstuwd door een koor van barden, die toepasselijke liederen
aanheffen en groote palmtakken, met rozen versierd, zwaaien. De
opperjagermeester, Maharaj Singjee, op een rijk opgetuigde kameel
gezeten, volgt te midden der schaar van bedienden; achter hen komen de
edelen en de genoodigden, ieder op een olifant; een talrijke schaar van
Radsjpoeten te paard sluit den trein. De stoet trekt langzaam voort,
te midden van eene menigte van dorpelingen en landlieden, van alle
kanten saamgestroomd, om getuige te zijn van deze plechtigheid. Op
een mijl afstands van het dorp gekomen, wijst de rana de personen
aan, die de hooge eer zullen hebben met hem zelf te mogen jagen:
die bevoorrechten zijn de resident, de dokter, mijn reismakker en ik,
benevens de beide raos van Baidlah en Pursaoli; al de anderen zullen
zich eenvoudig tot de rol van toeschouwer bepalen. Dit aldus geregeld
en de jacht nu geopend zijnde, verspreiden de drijvers zich in de
vlakte en jagen een troep wilde zwijnen op, die langs de olifanten
heenloopen; vier liggen weldra ter aarde; deze buit wordt voor den
eersten dag voldoende gerekend; de stoet schaart zich weder in orde
en keert naar het kamp terug. Aan den ingang van het paleis komen de
bayaderen, in hare fraaiste kleederen uitgedost, ons geluk wenschen
met den behaalden buit.
De vier volgende dagen waren hoofdzakelijk gewijd aan eene soort van
drijfjacht in de vlakte, om het wild naar het gebergte te drijven. Geen
schilderachtiger aanblik, dan de lange lijn van olifanten, te midden
der ruiters, zich in de vlakte ontplooiende; de reusachtige dieren,
behangen met fraaie dekkleeden, uit de huiden hunner voorgangers
vervaardigd, verheffen zich boven het kreupelhout als wandelende
torens, en schrijden rustig en met vasten tred voort, dwars door
de doornige struiken. Nooit komt de gevatheid en het merkwaardige
instinkt van den olifant treffender uit, dan bij het nazetten der
gewonde dieren. De wilde zwijnen hollen bij troepen langs de jagers
heen; zoodra er een gewond is, verwijdert hij zich van de troep, en
verschuilt zich in het dichte kreupelhout. Daar ieder gewond dier van
rechtswege toebehoort aan den jager, die het 't eerst getroffen heeft,
moet deze zich van de groep zijner makkers afzonderen en zijn wild
gaan opsporen. Daarbij dient de olifant, dien hij berijdt, hem als
speurhond; onvermoeid volgt het dier het spoor, van tijd tot tijd
snuffelende, waar het wilde zwijn geloopen heeft; de gang van den
olifant is zoo zacht, dat hij dikwijls langs de schuwste dieren heen
gaat, zonder dat deze hem gewaar worden. Het is mij meermalen gebeurd,
dat ik, op een olifant gezeten, het spoor van een of ander wild
volgende, op weinige schreden afstands een troep damherten zag, die
rustig bleven doorgrazen. In de nabijheid van het gewonde dier gekomen,
staat de olifant eensklaps stil; en dikwijls kunt ge eerst na scherp
rondzien het arme opgejaagde wilde zwijn ontdekken, gewond tusschen
de struiken neergezonken; een kogel maakt een einde aan zijn lijden,
en de olifant verkondigt de zegepraal door een luiden vreugdekreet.
Den 24sten kwamen de shikaris ons verwittigen, dat de _hankh_ of
de jachten in het gebergte een aanvang konden nemen; volgens hunne
verzekeringen hadden de dieren, verschrikt door onze drijfjachten,
zich in grooten getale in de boschrijke kloven en ravijnen
verscholen. Dadelijk werd het plan voor den veldtocht vastgesteld;
wij zouden aan de zuidelijke punt van de bergketen beginnen, en aldus
voortgaan tot den bergpas achter ons kamp, waar de laatste groote
jacht zou plaats hebben.
Den volgenden morgen trok de jachtstoet naar Dubock, en vandaar
naar de _houdi_, waarin wij de jacht zouden bijwonen. Deze houdis
zijn een soort van kleine bolwerken, doorgaans aan den ingang van
een dal of ravijn opgeworpen, zoodat het vuur der jagers de vallei
geheel bestrijkt. Alles is hier voor ons gemak ingericht: sierlijke
leuningstoelen staan gereed voor den rana en de genoodigden; bier,
champagne, limonade met ijs en andere ververschingen zijn in overvloed
voorhanden. Deze manier van jagen is zeker wel de minst vermoeiende,
die men zich denken kan. Achter iederen jager staan twee shikaris,
met eene geheele batterij van geweren; een hunner is belast met het
laden der geweren, terwijl de andere ze aan den jager ter hand stelt,
naarmate hij ze noodig heeft.
De houdi van Dubock is allerfraaist gelegen, beschaduwd door een groep
hoog geboomte, aan den rand van een diep dal; de vlakte en het gebergte
der Aravallis liggen in een wijd panorama voor ons. De drijvers,
die vooruit zijn vertrokken, hebben zich ten getale van drieduizend
man in het gebergte verspreid en alle hoogten bezet; het opgejaagde
wild blijft geen andere uitweg over, dan het smalle dal aan onzen
voet. Weldra klinkt ons uit de verte een luid gerucht tegen; uit het
kreupelhout schettert en dreunt het oorverdoovend geraas van gongs,
trompetten en tamtams. Eenige oogenblikken later ruischt en kraakt het
in de struiken, en een troep wilde zwijnen stormt in het dal: zij zijn
ongeveer ten getale van twintig en blijkbaar zeer verschrikt. Binnen
het bereik onzer geweren gekomen, worden zij door onze kogels begroet;
enkelen storten neder; anderen keeren naar het gebergte terug; sommigen
zijn verstandig genoeg om hun weg te vervolgen en bereiken ongedeerd de
vlakte. Na verloop van een half uur is de verwarring onbeschrijfelijk;
de wilde zwijnen verdringen zich bij honderden in de smalle kloof,
en het vuur van de houdi zwijgt geen oogenblik. Jakhalzen, hyenas
vluchten in wilde warreling met de evers; al deze arme dieren zijn
door een panischen schrik bevangen en loopen blindelings in hun
verderf. Langzaam en voorzichtig treedt een panter te voorschijn;
hij poogt de rotsen te beklimmen, en zoo achter de noodlottige houdi
heen te komen: maar weldra tuimelt hij, door onderscheidene kogels
getroffen, in de diepte, onder het luide gejuich der Radsjpoeten.
Eindelijk komen de drijvers terug; de jacht is afgeloopen. Wij
dalen in de vallei af om het wild te onderzoeken. Het schouwspel is
inderdaad afschuwelijk: de gedoode dieren liggen in schrikkelijke
wanorde op en over elkander; breede bloedplassen bedekken den rotsigen
bodem. Meer dan veertig wilde zwijnen, een vijftiental jakhalzen,
hyenas en wilde honden, en een panter: ziedaar de buit, in anderhalf
uur behaald. Mijne belangstelling wordt vooral opgewekt door de
wilde honden, waarvan ik dikwijls had hooren spreken, maar die ik
nog nooit had gezien. Zij zijn ongeveer zoo groot als een jakhals,
op wien zij veel gelijken, ook door den vorm van hun kop; maar hun
haar is korter, vaalbruin van kleur, en hun staart kaal. Het geblaf
van den wilden hond komt overeen met dat van den gewonen huishond,
maar is ruwer en heeft een onaangenamen, klagenden toon. In talrijke
groepen vereenigd, maken deze dieren jacht op de herten en antilopen,
die zij zonder veel moeite weten machtig te worden; den mensch vallen
zij nooit aan. Zelfs zeer jong gevangen, worden zij nooit recht tam.
Ons leven in het kamp van Nahrmoegra is eene opeenvolging van feesten;
om daarvan een denkbeeld te geven, zal ik beschrijven hoe wij in den
regel den dag doorbrengen.
Onze tenten, die tot slaapkamers dienen, zijn in een wijden kring
geschaard om twee groote tenten of liever gebouwen van tentdoek,
van verandahs omgeven en met de grootste weelderigheid gemeubeld;
een daarvan is de eetzaal, de andere is de algemeene salon, waar alle
leden van het gezelschap elkander ontmoeten. Ten zes uur in den morgen
komen de bedienden ons wekken met een glas sherry; opgestaan zijnde,
trek ik mijne kleederen uit, en ga, met een eenvoudigen _janghir_,
een korten nauwsluitenden broek, gekleed, naar buiten. Daar zet ik mij
neder op een bos stroo, en breng mijn eersten groet aan mijne makkers,
die, in hetzelfde kostuum uitgedost, in dezelfde houding, voor hunne
tenten zitten; de _Bhistis_ naderen met hunne zakken ijswater en dienen
ons een stortbad toe. Eenige minuten later zijn wij, in een deftiger
kostuum, vergaderd rondom de tafel in de _Mess-Tent_, de eetzaal,
waar een stevig eerste ontbijt staat aangericht. Vroolijk pratende en
keuvelende, heerlijke _tsjeroets_ van Manilla rookende, gaat de tijd
al ras voorbij; vervolgens stijgen wij te paard en gaan een toertje in
den omtrek maken, onderwijl eenige ganzen en flamingo's schietende. Ten
elf uur wordt op nieuw toilet gemaakt, en het tweede ontbijt gebruikt:
de bedienden van den rana brengen ons daarbij dagelijks een deel
van den koninklijken maaltijd. Twee deurwaarders met gouden staven
wandelen aan de spits van dezen langen stoet van bedienden, die
schotels aandragen met de meest verschillende spijzen beladen. Naar
dit proefje van het dejeuner van den rana te oordeelen, moet die vorst
met eene merkwaardigen eetlust begaafd zijn; waarschijnlijk zal echter
zijn persoonlijk aandeel wel geringer zijn dan de voor ons bestemde
porties. De gerechten van dit ontbijt bestaan in gebraden vleesch,
wilde-zwijnen pooten, reeënbouten, sterkgekruide ragouts en zoogenaamde
_curries_; enkele van deze schotels zouden eener aanzienlijke tafel
in Europa geen oneer aandoen. De _pickles_ van allerlei soort,
suikergoed en gebak vullen zoowat een dozijn schotels. Natuurlijk
raken wij slechts even, voor den vorm, aan dit monster-dejeuner,
dat verder aan onze bedienden wordt overgelaten. Het midden van
den dag is aan de jacht gewijd. Ten vier uur, na ons nogmaals door
een stortbad verkwikt en opgefrischt te hebben, ontvangen wij het
bezoek van de indische edellieden, die over allerlei zaken met ons
komen spreken. Het middagmaal duurt, naar de algemeene gewoonte in
Hindostan, zeer lang, omdat ook hier het engelsche gebruik gevolgd
wordt om na afloop der tafel nog te blijven drinken; de bayaderen,
de goochelaars en het vuurwerk houden ons daarna tot middernacht bezig.
Den 30sten tijgen wij voor het laatst ter jacht; des avonds is er
groot feest in het paleis, ten besluite der jachten van Nahrmoegra. Den
volgenden morgen keerden wij naar Oodipoor.