IV.

Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident

eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana,

officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor

russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere

gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons

als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde

ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste

audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten,

door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar

het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke

lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime

voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana

ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op.

Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal

moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone

vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden

bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien;

torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans

duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:--en dat alles van

wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik

had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar

zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering

daaraan niet licht wijken zal.

Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien:

wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die,

zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal

ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men

in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij

ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en

staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord

soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke

ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.--Een der binnenplaatsen

op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek

keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan;

de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen;

zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring

geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn

troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand,

en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder.

Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien

jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken

missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van

zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk,

voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met

groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling,

die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt:

redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan

ons verzoek gevolg te geven. Hij luistert met groote belangstelling

naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet

mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne

verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd

rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen

wij--de resident, mijn reismakker en ik--uit handen van den rana

zelf, het bosje betelbladeren, _bîra_ genaamd, en besprenkelt hij

zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie,

die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is,

heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam,

beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de

bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk

een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde

bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug,

gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen.

Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van

geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die

evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar

de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten

aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door

drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware

reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken;

het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen

en de stallen der olifanten zijn geplaatst.

De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op

die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie

kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang

is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie

rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de

paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort

voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke

vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen

met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige

achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw

bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte

marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche

stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge

aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet.

Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die

zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt:

dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand

dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis

bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld

van Ganesa, den god der wijsheid.

Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste

pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van

het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en

galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar

de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met

gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen

zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt;

overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken

zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten

den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer

en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko's verhoogen

die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd,

en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de

wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen,

bobèches, enz.;--het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het

kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal:

de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van

al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren

takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene

elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans

door het ongewone treft. De fresko's op de muren en zolderingen

van sommige vertrekken zijn van groote, voor 't minst historische

waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen

met Oedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot

Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de

merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende

vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet

geschilderd, zijn deze fresko's uitnemende bijdragen voor de studie

van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias.

Een der grootste merkwaardigheden van het paleis van Oodipoor is

ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd. Ge

kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt,

wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen

en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt

zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide

paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde

kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en

oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke

plek; in het rond zijn fluweelen sofa's geplaatst, waarop de heeren

van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij

de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den

wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang,

met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek

gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der

Muzelmannen hebben verdedigd.

Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het

Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar

Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche

gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit

paleis worden de diners en feesten gegeven, wanneer aanzienlijke

vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar,

die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een

feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de

zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste

panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De

bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam

van _Guirwô_ of cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen

ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden,

en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf

ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer

Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô

bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den

oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el;

zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende

vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot

gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen,

bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets

meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak

tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden.

Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah,

een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en

de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren

van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren

u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen

en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder

fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever:

duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering,

en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele

gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof,

in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen.

Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede,

dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op

het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water.

Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de

stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen

wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu

vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen

en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze

ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters

en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren

vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland

is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar

bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een

ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger

dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet

ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der

fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren

zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in

een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes

gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van

edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana

hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik

onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd

over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit

duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten

hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde,

zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme

schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd,

maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed

en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken

kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren.

Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in

een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar

wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao

van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten,

worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich

de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg,

en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen,

naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde

schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en

zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen,

waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft.

Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van

smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet

der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen

omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen

gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo's uit deze bosschen

op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur

hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier

uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij

de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke

wijze, afscheid van ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij

blijven nog in onze booten om de jacht op krokodillen voort te zetten.

De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier;

hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de

menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is

gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen,

die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning

heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke

omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever

teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn

zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot

op het meer vertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij

weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit

is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen

treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het

meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare

resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk

naar den grond.

Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang

der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons

andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door

het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren

licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende

wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert

ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons

op eenigen afstand volgen.

Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten

ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld

met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana

heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna de schitterende gastvrijheid

van onzen vriend den Guikowar doen vergeten.

Schetsen uit de Indische Vorstenlanden De Aarde en haar volken, 1873 · 第 5 / 11 题