Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident
eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana,
officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor
russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere
gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons
als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde
ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste
audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten,
door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar
het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke
lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime
voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana
ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op.
Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal
moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone
vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden
bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien;
torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans
duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:--en dat alles van
wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik
had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar
zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering
daaraan niet licht wijken zal.
Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien:
wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die,
zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal
ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men
in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij
ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en
staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord
soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke
ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.--Een der binnenplaatsen
op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek
keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan;
de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen;
zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring
geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn
troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand,
en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder.
Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien
jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken
missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van
zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk,
voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met
groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling,
die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt:
redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan
ons verzoek gevolg te geven. Hij luistert met groote belangstelling
naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet
mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne
verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd
rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen
wij--de resident, mijn reismakker en ik--uit handen van den rana
zelf, het bosje betelbladeren, _bîra_ genaamd, en besprenkelt hij
zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie,
die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is,
heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam,
beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de
bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk
een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde
bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug,
gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen.
Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van
geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die
evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar
de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten
aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door
drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware
reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken;
het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen
en de stallen der olifanten zijn geplaatst.
De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op
die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie
kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang
is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie
rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de
paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort
voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke
vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen
met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige
achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw
bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte
marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche
stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge
aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet.
Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die
zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt:
dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand
dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis
bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld
van Ganesa, den god der wijsheid.
Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste
pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van
het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en
galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar
de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met
gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen
zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt;
overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken
zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten
den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer
en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko's verhoogen
die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd,
en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de
wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen,
bobèches, enz.;--het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het
kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal:
de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van
al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren
takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene
elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans
door het ongewone treft. De fresko's op de muren en zolderingen
van sommige vertrekken zijn van groote, voor 't minst historische
waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen
met Oedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot
Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de
merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende
vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet
geschilderd, zijn deze fresko's uitnemende bijdragen voor de studie
van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias.
Een der grootste merkwaardigheden van het paleis van Oodipoor is
ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd. Ge
kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt,
wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen
en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt
zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide
paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde
kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en
oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke
plek; in het rond zijn fluweelen sofa's geplaatst, waarop de heeren
van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij
de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den
wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang,
met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek
gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der
Muzelmannen hebben verdedigd.
Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het
Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar
Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche
gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit
paleis worden de diners en feesten gegeven, wanneer aanzienlijke
vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar,
die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een
feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de
zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste
panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De
bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam
van _Guirwô_ of cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen
ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden,
en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf
ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer
Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô
bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den
oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el;
zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende
vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot
gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen,
bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets
meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak
tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden.
Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah,
een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en
de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren
van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren
u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen
en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder
fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever:
duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering,
en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele
gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof,
in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen.
Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede,
dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op
het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water.
Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de
stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen
wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu
vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen
en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze
ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters
en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren
vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland
is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar
bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een
ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger
dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet
ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der
fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren
zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in
een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes
gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van
edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana
hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik
onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd
over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit
duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten
hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde,
zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme
schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd,
maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed
en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken
kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren.
Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in
een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar
wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao
van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten,
worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich
de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg,
en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen,
naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde
schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en
zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen,
waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft.
Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van
smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet
der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen
omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen
gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo's uit deze bosschen
op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur
hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier
uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij
de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke
wijze, afscheid van ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij
blijven nog in onze booten om de jacht op krokodillen voort te zetten.
De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier;
hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de
menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is
gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen,
die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning
heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke
omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever
teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn
zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot
op het meer vertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij
weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit
is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen
treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het
meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare
resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk
naar den grond.
Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang
der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons
andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door
het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren
licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende
wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert
ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons
op eenigen afstand volgen.
Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten
ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld
met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana
heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna de schitterende gastvrijheid
van onzen vriend den Guikowar doen vergeten.