III.

Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van

vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: wij waren aan

het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde

in stomme bewondering het prachtige panorama, dat zich daar voor

mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons

voorgesteld: eene tooververschijning uit de Duizend-en-een-Nacht scheen

plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van

vestingwerken, pagodes en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen

een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages;

en daarachter en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van

torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een

hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit

marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen achtergrond der

bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid,

het wonderschoone beeld wedergeven dezer stad, zoo te recht Oudeypoor,

de stad der rijzende zon, genaamd.

Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden

wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik aan

eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident,

die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot paleis

met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel,

een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van een in scharlaken

roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt,

dat de engelsche resident nog niet van zijne officiëele rondreis was

teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in

de stad een onderkomen zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik

op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een

enkelen boom, waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting

te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des

nachts. Juist kwam een _djemadar_, een chef van het dienstdoend

personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen

van het paleis aan. Hoezeer tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij

vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid

tot het opslaan van mijn kamp zou hebben gevonden.

Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te

gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister van den

koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij

een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze sowars hadden zich, als

gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet

naar de naaste poort der stad. De hooge, zware, gekanteelde muren zijn

omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er

zijn geen aarden werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn

om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand

verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant.

De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt

naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren van den naam

des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede

om ons naar de woning van den dewan te geleiden. Wij bevinden ons nu

in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met

groote vrijpostigheid een weg banen; de voorbijgangers staren ons

met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn

zij niet gewoon andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche

gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der

huizen, het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle

zijden verheffen zich tempels en prachtgebouwen te midden van krotten

en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend

en nieuw, maar ook in de hoogste mate schilderachtig.

Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De

minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een Brahmaan en

geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met

onberispelijke beleefdheid, met die indische beloften en toezeggingen,

die tot niets verbinden. "Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden

toegelaten"--"Zeker, zeker; het zal hem een groot genoegen zijn,

u te kunnen ontvangen";--maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe

en wanneer dit geschieden zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig

onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen,

zonder vooraf met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij

ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in

de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de

gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars gegeven

werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena,

omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, waarop zich van

afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte

daken door zuilenrijen gedragen worden. Het paviljoen, waarin wij

onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren,

in vier rijen geplaatst. Wij hadden van hier een prachtig uitzicht;

en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene

alleszins begeerlijke woning zijn geweest; in dezen, tijd des jaars

was het er evenwel wat al te frisch.

Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een

aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke

gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren

waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met telkens

herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor

spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat wij alleen gekomen

waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te

maken, altijd kwam weder dezelfde vraag terug: "Wie zendt u?"--en wat

ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen,

dat wij enkel uit liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis

hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg,

ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden

en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige wijze,

waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en

vriendelijksten toon met ons:--en vroeg mij toen eensklaps, met het

onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was

opgedragen: hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana

in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef

ontkennen, beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning

zou voorstellen.

Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij

naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen des konings,

Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met

een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, dat ik niet bij den

Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis

stelde met hetgeen ik dezen te zeggen had. Ik gevoelde grooten lust

hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik

bedwong mij, en herhaalde nog eens mijne verzekeringen en verklaringen,

waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat

ik zeide woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij

de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden

ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan

toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten,

dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met

zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere vorsten

der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de

gansche natie beschouwen.

Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van

ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, is hij het

erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der

Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht van Indië. Zijn persoon is

voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert

den weidschen titel van _Hindoe-Soeradje_, Zon der Hindoes. Deze

hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort

slechts tot de vorsten van den tweeden rang; maar zijne familie heeft

zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij

langen tijd aan de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind

overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige

verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi,

en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid van haar

bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts

door weinige vorstelijke familiën van Hindostan gevolgd. Daaraan

dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het

hoofd der indische aristokratie, maar ook vele andere voorrechten en

onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt

de Rana altijd het gestoelte der eere, en heeft het recht te allen

tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën

van kaste of godsdienst tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan,

is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend.

Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante

mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; deze

staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten

jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore verdreef,

en de dynastie der Rana's grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt

ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, ten westen door de

Aravallis, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche

provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op veertig

lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is

geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, kan deze opbrengst

meer dan vertienvoudigd worden.

De Rana's zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is

opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant

zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden,

en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. Naar men

verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den

beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; een ander zou

de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche

keizers. Er is misschien geene tweede familie, die haar stamboom

zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana's van Tsjittore en

Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden genealogie verliest zich in

den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich

bij voorkeur te Oodipoor vrij hebben gehouden van alle vermenging

met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia,

Rhattore, Tsjolan, hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben

de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren,

die fierheid, die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de

bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar en

geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter

gewijzigd door de aanraking met en den invloed van vreemde veroveraars,

hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent

zonen der koningen; en iedere familie voert haar stamboom op tot een

der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die

elk een bijzonderen naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen:

de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen:

eene bepaling, die niet alleen de stammen onderling door steeds

nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is,

om de zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren.

De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander

merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den

oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor,

de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens dat een der

voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar

op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, dat hij eene groote vlieg

inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem

zoo ondragelijke smarten, dat bij het voornemen opvatte, zich van het

leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om

den Rana te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukje van het oor eener

koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast,

en liet het den Rana inslikken. Zoodra dit stukje oor in de maag van

den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich

daarop, en werd zoo gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch

was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt

was. De fakir zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de

ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den

Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne

lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook onbewust,

te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven;

hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen te reinigen, door

gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om

zich vereenigd hebbende, nam de Rana met vaste hand den kelk met

het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar,

o wonder! het vloeiende lood ging over zijne lippen zonder ze te

verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat

was de hand der hooge goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo

zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den

naam aan van Sesoedia, van het zelfstandig naamwoord _siça_ (lood).

De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen;

groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, dragen hunne

edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere

arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf dan den wapenhandel;

in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire

rangen; moedig, tot vermetelheid toe, zijn zij uitstekende ruiters en

onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of

een tijdverdrijf, zij is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst

zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars

ter jacht te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder

dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet

wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat

hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen heeft gedood,

die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn

schild en zijn zwaren _catâr_ (een soort van slagzwaard) gewapend,

begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud,

waar de wilde zwijnen gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand

af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter

aarde, en houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken

slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert hij

naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal,

waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt.

De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat

uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden pantalon,

beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten

en de armen dragen ook de mannen zware ringen van massief goud: eene

gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De

vorm van den tulband is zeer verschillend, doch steeds sierlijk; ook

weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te

dragen, die hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen

zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den

schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen

versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, en worden

met groote zorg onderhouden en gekweekt.--De vrouwen der Radsjpoeten

zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; de echtgenooten der

edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand

zijn vrij en verschijnen met ongedekt gelaat op straat, maar zoodra

zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij

dragen een wijden geplooiden rok, die tot over de knieën reikt; een

klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den

rug bloot laat; en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij

zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar

hoofd geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan,

overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden en

zilveren sieraden.

Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet

alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven eene zeer

gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is

ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke vraag, dadelijk

antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is

het hare beslissing, die hij u later mededeelt. De Radsjpoeten betoonen

der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering,

die een eigenaardig kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne

gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing

van eene of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame

het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna altijd

eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene

beleediging te wreken heeft, een armband aan een of anderen krijgsman,

dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu,

op straffe van oneer, verplicht, als wreker der dame op te treden. De

kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken

van heldenmoed en zelfopoffering ook der vrouwen.

Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of

heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere stam, iedere

aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard of

_bhât_, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude

overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij houdt de

geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen

voor, waarin de groote daden der voorvaderen worden geprezen. Ook de

huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des

avonds zet hij zich in den kring en doet allen luisteren naar zijne

verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin

gewijd; hij is de overbrenger van de oorlogsverklaringen; hij is de

voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de

meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig met sterrenwichelarij;

en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien

dan de priester van Brahma zelf. Hoe dit alles herinnert aan onze

eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de

europeesche reiziger te moede, als hij hier eensklaps, in het hart

van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver

alleen uit de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd

ondergegaan waande.

De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas:

met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der krijgslieden,

de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever

de militaire adel van arischen stam, die de landen aan den voet

van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij

beweren dan ook af te stammen van den beroemden koning Rama, den

overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne

vestiging in het land zou dus tot omstreeks tweeduizend jaren voor

Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt,

dat de verschijning der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel

later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden

de Kshatriyas allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten,

aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had

gesteld; dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats

gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas

in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij

verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten

wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der

Soedras behoorden.--De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks de zesde

of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië

te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de grenzen des lands,

aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende

hen te moeten rekenen tot de skytische stammen, die langzamerhand

de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen

de zesde en de zevende eeuw zien wij deze Radsjpoeten-stammen zich

snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa,

de Tsjohans en Rhatores maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de

Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd

hielden de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes,

waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. Zij waren

destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme,

met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering deden zij ook

hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken,

wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot op dezen dag, nooit

uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm,

zoozeer van dien der andere Hindoes afwijkende, als door hunne zeden

en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen,

dan aan de oorspronkelijke vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk

zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland

van Midden-Azië in Indië doordrongen.

Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te

dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen op

te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht

bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende hulp aanbood. De

Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding

van onze komst vernomen, of hij haastte zich ons te komen begroeten en

zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend

gevolg, in een prachtigen draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet,

reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem,

met de verschuldigde eerbewijzen, naar zijn zetel.

"Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs

doorgaans niets weten?" vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem nu van mijn

langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met

den Guikowar, en van het doel mijner komst in Mewar. Hij luisterde

aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk

tot hem gewend had, en gaf mij de verzekering, dat de Rana zich

stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen,

en mij niet minder goed zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao.

De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een

Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; in zijn spreken

paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en

ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre van algemeen is. Hij is

het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van

het koninkrijk Mewar: die machtige leenmannen, die, voor dat de

Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van

den souverein bijna geheel aan zich getrokken, en hem zelf tot een

schijnbeeld gemaakt hadden.

Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen

aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne gewesten of

heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts

zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, en zijn soms

in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft

gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te breken, en den Rana het

verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar

zeer ten deele geslaagd. De bezittingen van den Rao van Baidlah zijn

zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton

per jaar op, zijne hoofdstad is slechts eenige mijlen van Oodipoor

verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het

hof verschijnen kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan

zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo

worden, bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen

der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den Rao ter

hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen

bij den Rana, welke hem in persoon aan den ingang van het paleis

ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd,

heeft hij het volle vertrouwen van den jongen vorst weten te winnen,

en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt

hoogen prijs op de handhaving van den alouden luister der vorstelijke

dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel;

maar tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en

instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen;

en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en

nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit bestaanbaar

is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was

de bescherming te danken, die de europeesche vluchtelingen, tijdens

den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen

in veiligheid gebracht, maar zelfs gedurende vele maanden kosteloos

gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid,

den ouden Rao een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare

zelfvoldoening toonde.

Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze

bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral grooten schik

in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles;

hij kon zich van de beschouwing dezer platen niet verzadigen, zoodat

ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met

de gewoonten der beschaafde wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen

een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde

mij ten hoogste: want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo

aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten

volgde; later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen,

dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de

Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden.

Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden

morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze deur gereed,

vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des

konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal dienen, voert ons

door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas

of landhuizen hebben; aan alle kanten verheffen zich sierlijke

heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen

het dichte groen, sierlijke kiosken, smaakvolle paviljoenen en wit

marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen,

den voorbijganger tegenlachen. Wij trekken de stad binnen door

eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een

prachtigen bazar- of winkelstraat; de huizen zijn allen van steen

gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder

booggangen, die de straat ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes

en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid

schilderachtig; elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt

met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko's, die aan iedere woning

een bijzonderen artistieken stempel geven.

Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel

rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote drukte. Ook

hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche

steden, zijn de verschillende beroepen en bedrijven allen bij elkander

in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der

schoenmakers, der vervaardigers van tulbanden; der wapensmeden, der

goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare,

stoffen. In de adellijke wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen,

echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer

slechts, dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en

bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen

midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk

begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten

koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken,

maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den tijd

gebracht zijn.

Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk

paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor rijtuigen

bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis

voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft zich de groote koninklijke

pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw

door Pertap-Singh gebouwd. Zij staat op een hoog, wit marmeren terras,

waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven

snuit bewaakt, voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken

en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren

verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor

het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen rustende en

met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs

aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna voorstellend.

Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan

den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds eenmaal uit de

verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige,

witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; door deze poort trekken

de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten

zich naar het meer begeven. Wij stappen in eene gereedliggende boot,

die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de

kalme wateren van het meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der

stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier,

ter wederzijde door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten,

breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit

de eilanden Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen.

Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene

reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. Deze paleizen

bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles

even rijk van stijl en schitterend van versiering. Al deze gebouwen,

groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer

opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige mozaïeken versierd, en

de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen

van groote waarde. Elk gebouw heeft zijn bijzonderen tuin, door

zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken,

bosschages van citroen- en oranjeboomen hunne welriekende geuren, en

slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof,

waar reusachtige mango- en tamarindeboomen met hunne verkwikkende

schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen

verheffen dadel- en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht

wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden

zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid

van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen of

stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht;

het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en dan verpoozing zoekt

van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van

de Zon der Hindoes heerschen.

Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde

mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt voor

ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene

verschijning uit het feeënland voor, met zijne koepels en palmen,

zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan

bij een marmeren trap, en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe

reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland

Jug-Navas. Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen

koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze

vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir,

en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den Rana Koeroen,

den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt

oostersche gastvrijheid; hij liet voor hem op het eiland Jug-Munder

een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen;

het inwendige prijkte met mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en

met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen

stond een troon, uit een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen

gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid

is nog ongeschonden in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland,

een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan

den moord der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen.

Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden,

namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een enkelen

blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het

uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, dat tegenwoordig niet

meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de

Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan de kolossale muur tot aan den

oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met

kiosken; en eindelijk de stad, half wegschuilende achter een woud van

groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië.

Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten

van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer een

honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt,

terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het hoogste terras

staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de

beelden van paarden of pauwen, die uit het water schijnen op te rijzen.

Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurende

eenige dagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze

audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, gewekt

door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van

majoor Nixon, den engelschen resident bij het hof van den Maha-Rana. Ik

schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een

half uur later zaten wij te zamen aan het ontbijt. De koele wijze,

waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te

verwonderen; volgens hem, had men ons waarschijnlijk voor russische

spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf

zouden verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den

Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te zien en

op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet

af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie hadden genomen,

en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren,

den ingenieur en den dokter, die met hem het geheele europeesche

personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die

heeren een genotvollen avond door.

Schetsen uit de Indische Vorstenlanden De Aarde en haar volken, 1873 · 第 4 / 11 题