II.

Op den bepaalden dag, den 19den December, stonden de kameelen op de

binnenplaats van de bungalow, gereed om hunne lading te ontvangen. De

twee dromedarissen, die wij berijden zouden, waren prachtig opgetuigd

met zijden dekkleeden en kwasten in overvloed; maar al deze pracht

zou verdwijnen, zoodra wij eenmaal op weg waren. Onze karavaan

bestond verder uit onze vier bedienden, twee samwâllahs en zeven

kameeldrijvers; al deze lieden waren met sabels en geweren gewapend,

en hielden zich waarschijnlijk overtuigd, dat zij zich binnen kort

ook van die wapenen zouden moeten bedienen. Ik riep ze allen bijeen en

hield eene korte toespraak, waarbij ik hun de verzekering gaf, dat het

land, hetwelk wij gingen doortrekken, overal veilig was; en dat wij

bovendien, daar wij goed gewapend waren, niets van de Bhîls hadden

te vreezen. Ik droeg aan een hunner het bevel over de karavaan op,

en gaf hem den last, in het dorp Raypoer, op vier-en-twintig mijlen

afstands van Ahmedabad te overnachten en onze komst af te wachten. Wij

waren overeengekomen eerst den volgenden morgen te vertrekken.

Dien morgen werd ik reeds te vier uur door den samwallah gewekt; ik

wekte op mijn beurt mijn reismakker, en binnen weinige minuten waren

wij gereed. Ik wierp nog eenige kleeden op den zadel, en nam daarop

de achterste zitplaats in; mijn geleider zette zich vóór mij, en de

dromedaris sprong eensklaps overeind. Het zadel der dromedarissen

of rijkameelen is dubbel, of liever voor twee personen ingericht,

die vlak achter elkander plaats nemen. De achterste plaats is juist

niet de beste; maar ik had die uitgekozen, omdat ik nog niet gewoon

was aan de eigenaardige beweging van den kameel, en het dus nog niet

durfde ondernemen, zelf het dier te mennen. Het duurde wel een half

uur eer ik mijn evenwicht gevonden had: ik werd zoo geweldig heen en

weder geslingerd, dat ik stellig gevallen zou zijn, indien ik mij niet

stevig aan mijn voorman vastgehouden had. Ik weet deze beweging niet

beter te vergelijken dan met die van een schip op eene woelige zee;

het gevoel dat zij, bij iemand die daaraan niet gewoon is, opwekt,

heeft dan ook inderdaad veel van zeeziekte. Gelukkig went men er

zich vrij spoedig aan: na verloop van een groot half uur, voelde

ik mij ten minste genoeg op mijn gemak om eenige aandacht over te

hebben voor den weg, waarlangs wij voorttogen. Ahmedabad lag reeds

op verren afstand achter ons; het rijzende morgenlicht vertoonde ons

eene onafzienbare vlakte, hier en daar afgebroken door boomgroepen

en bosschages, waarin de dorpen wegscholen.

Tegen zes uur in den morgen kwamen wij te Raypoer; onze tent was

reeds opgeslagen onder een grooten boom, aan den oever eener rivier,

en op een geweerschot afstands van het dorp. Onder een anderen boom

lag onze bagage; daar was ook de keuken en het verblijf van onze

bedienden; sabels en geweren, aan de takken opgehangen, gaven aan

dat gedeelte van het kamp een zeker krijgshaftig voorkomen. Het was,

vooral op dezen prachtigen morgen, een schilderachtig tafereel, dat ik

met te meer genoegen beschouwde, omdat het voor mij een teeken was,

dat nu eerst mijne eigenlijke reis begon. Tot dusver had ik bekende,

platgetreden wegen gevolgd, landen doorkruist, waar de beschaafde

europeesche invloed zich, in meer dan één opzicht, reeds krachtig had

doen gelden, en waaromtrent ik mij van te voren volkomen had kunnen

inlichten; nu stond ik aan de grenzen van het onbekende. Wat zou ik

in de landen der Radsjpoeten vinden: eene welwillende ontvangst of

een vijandige stemming? eene wildernis of een paradijs? Ik bracht

den dag door met het bezoeken van het dorp, het schieten van eenige

hazen en pauwen, en kon mij des avonds vermeien met het belangwekkend

tooneel van de tehuiskomst der kudden: twee- of drieduizend buffels

en ossen kwamen in galop aanrennen, en spoedden zich naar de rivier

om hun dorst te lesschen.

Twee uur na middernacht verlieten wij Raypoer, doorwaadden de rivier,

en bevonden ons nu weder op het grondgebied van den Guikowar. De

nacht is zeer donker, maar het land is volkomen vlak; onze kameelen

gaan rustig en onvermoeid voort; de dorpen liggen allen op zekeren

afstand van den weg; ter nauwernood ontmoeten wij eene enkele woning,

tot wij te vier uur het stadje Deagaum bereiken. Aan de poort dezer

stad worden wij staande gehouden door eenige _sowars_, die ons naar

de plaats onzer bestemming vragen; en, na bekomen inlichting, ons

eenige _bohimias_ verschaffen, die ons naar het naaste dorp brengen

moesten. Deze bohimias zijn lieden van geringen stand, die verplicht

zijn, tegen een zeer matige vergoeding, de reizigers van het eene

dorp naar het andere te geleiden. De overheid van het dorp beloont

hen voor die dienst, door hun het verblijf in het dorp te vergunnen

en hun eenige stukken bouwland af te staan. Daar er in dit land

geen gebaande wegen zijn, zou de reiziger groot gevaar loopen in de

onafzienbare velden te verdwalen, indien deze gidsen hem niet te recht

hielpen. Intusschen hebben deze arme lieden een tamelijk zware taak

te vervullen; te ieder uur van den dag en den nacht moeten zij gereed

staan, om eenige mijlen ver de karavanen te geleiden, waarvoor zij

ongeveer een stuiver per _kôss_--twee engelsche mijlen--ontvangen;

ook is het niet zeldzaam dat zij gedwongen worden tot een volgend

station mede te gaan, of wel zonder belooning worden weggezonden.

Dien dag en ook nog den volgenden liep onze weg nog steeds door

de eindelooze vlakten, die wij sedert ons vertrek van Baroda niet

verlaten hebben. Wel hadden wij in de verte enkele naakte en lage

heuvelreeksen gezien, als het ware de eerste voorloopers van het

Doenghêr-gebergte, waarachter het land Bâghoer, het land der Bhîls,

ligt: eene wilde, bergachtige streek, die de hooge vlakte van Malwa

van Goezerate scheidt, en ten zuidoosten aan het uitgestrekte gebied

der Radsjpoeten grenst;--maar toch verraste ons, in den vroegen

morgen van den 23sten December, het gezicht van een dorp, waarvan

de hutten schilderachtig lagen verspreid langs de helling van een

bevalligen heuvel van witachtigen zandsteen. Het landschap nam nu

eensklaps een geheel ander karakter aan. Aan de andere zijde van het

dorp stroomde eene kleine rivier, door groote boomen overschaduwd,

en omzoomd door bloeiend heidekruid; de heldere wateren murmelden

en ruischten tusschen en over rotsen en steenblokken, en verdeelden

zich in tallooze aderen en kanalen, die de aangrenzende velden

bevochtigen en vruchtbaar maken. Dit liefelijke, bijna zwitsersche

landschap maakt dan eensklaps plaats voor een statig indrukwekkend

woud, aan welks uiteinde zich een prachtig meer voor onze blikken

uitbreidt. Wat heerlijke aanblik, die wijde watervlakte, bezaaid met

bloeiende lotusplanten, waartusschen gansche scharen van watervogels

zwemmen en dartelen; en omzoomd door een donkeren gordel van bananen

en andere reusachtige tropische boomen en gewassen. Nergens is een

enkel spoor van menschelijk verblijf of werkzaamheid te ontdekken;

in ongestoorde zekerheid genieten de bewoners van dit schilderachtige

meer den heerlijken frisschen morgen. Op een der kleine lage eilandjes

staan gansche rijen van rooskleurige flamingo's, bijna onbewegelijk,

op den uitkijk; zwermen van wilde ganzen en schitterend gekleurde

eenden doorkruisen in alle richtingen de diepe, kalme wateren; reigers,

_karkhoundj_ en vele andere vogels van hunne soort staan, in kalme

rust, op de half overstroomde wortels der boomen langs den oever;

kleinere, purper en blauw gekleurde watersnippen springen en huppelen

over de breede lotusbladen: een tafereel vol leven, vol beweging,

en toch zoo kalm, zoo vredig, zoo onuitsprekelijk rustig. Zonder veel

opschudding te maken, gaan wij langs den dichtbelommerden oever voort;

tusschen de bloemrijke hagen, die tot boven onze hoofden opschieten,

openen zich bekoorlijke wegen, welke naar den _mekkâm_ voeren.

De mekkâm, de voor het kamp aangewezen plaats, is doorgaans een

boomrijke plek nabij het dorp, waarvan de grond zorgvuldig geëffend

is. Deze plek wordt voor de reizigers beschikbaar gehouden; men vindt

er een waterput en somwijlen een kleinen tempel, zoodat de pelgrim

daar alles aantreft, wat hij noodig heeft: water, schaduw en een

bedehuis. De mekkâm van Tintouï, waar wij ons nu bevinden, is zeer

schoon: groote mangoboomen, nims en bananen omringen een open perk,

met frisch en mollig gras bedekt, waarop ik mijne tent laat opslaan;

op korten afstand vertoont zich het dorp, schilderachtig op eene

hoogte gelegen, juist aan den ingang der steile en donkere bergpassen,

waarvan de blauwachtige toppen en rotswanden zich aan den horizon

verheffen; een fort met zware gekanteelde muren beheerscht de geheele

omliggende vlakte.

Tintouï, dat zijn gewicht vooral dankt aan zijne ligging aan den ingang

der passen van het Dounghêr-gebergte, behoort nog aan den Guikowar,

en vormt aan deze zijde de uiterste grens van zijne staten; maar dit

aanzienlijke vlek is tevens de residentie van een radsjpoeten baron

of thakoer, die wel in naam de heerschappij van den koning van Baroda

erkent, maar inderdaad onafhankelijk en de wezenlijke beheerscher

des lands is. Deze thakoers bekleeden hier dezelfde plaats en spelen

dezelfde rol, als onze feodale heeren en baronnen in de middeleeuwen:

zij bezitten in hunne domeinen het hooge en lage rechtsgebied, en zijn

aan den landsheer doorgaans niets anders verschuldigd dan eene zekere

schatting, of de levering van een zeker aantal gewapenden. Voor het

overige zijn zij bijna geheel onafhankelijk, en bezoeken slechts nu en

dan de hoofdstad, om den souverein hunne hulde te brengen. Trotsch,

aanmatigend en twistziek, liggen zij voortdurend met hunne naburen

overhoop, en ontzien zich ook niet, de karavanen, die hun gebied

doortrekken, te plunderen. Wel heeft de britsche regeering, althans

voor het uiterlijke, aan deze rooverijen paal en perk gesteld; maar,

in het wezen der zaak, heeft de gewelddadige plundering plaats gemaakt

voor eene meer georganiseerde afzetterij. In stede van de karavanen

te overvallen en uit te schudden, beschermt de thakoer ze veeleer:

slechts laat hij zich voor deze bescherming behoorlijk betalen. Zoodra

de karavaan het gebied van een dezer heeren betreedt, moet zij eene

schatting van zooveel percent van de waarde harer koopmansgoederen

voldoen; daarvoor koopt zij zich dan den vrijen en veiligen doortocht

door de bergpassen; vertrouwt zij daarentegen op hare eigene kracht,

en weigert zij de verlangde schatting, dan kan zij er zeker van

zijn door de stammen van het gebergte te worden uitgeplunderd. De

thakoer ontvangt, in zijne hoedanigheid van magistraat en rechter,

de klachten der mishandelde kooplieden, hoort ze geduldig aan,

houdt er aanteekening van, en roept al zijne manschappen onder de

wapenen: maar alle nasporingen leiden tot niets; de soldaten keeren

terug zonder de roovers te hebben gevonden, en de thakoer brengt den

kooplieden onder het oog, hoe dwaas zij gehandeld hebben door zijne

bescherming af te wijzen.

Bij mijne aankomst te Tintouï, werd ik door de lijfwacht van den

thakoer ontvangen, die mij zijne groeten liet overbrengen en zijn

bezoek aankondigen; maar, daar ik gaarne het kasteel wilde bezichtigen,

verzocht ik hun, mij tot hun heer te geleiden. Eene zeer steile, met

groote zerken geplaveide helling, waarop de paarden telkens uitglijden,

brengt ons naar de poort van het slot, die door kleine torens en eene

omrastering van met ijzer beslagen palen wordt verdedigd. Het inwendige

van het kasteel vertoont eene zoo treffende gelijkenis met onze feodale

burchten uit de twaalfde en dertiende eeuw, dat ieder, die een dezer

slotruïnen gezien heeft, zich ook van deze indische vesting eene

duidelijke voorstelling maken kan. Het is eene wonderlijke, schijnbaar

ordelooze samenvoeging van torens, bolwerken, gebouwen, terrassen, die

zich stout en dreigend boven het diepe dal verheft, waarin de nederige

huizen van Tintouï staan verspreid. De thakoer, een Radsjpoet, met een

echt aristokratisch voorkomen en een sneeuwwitten baard, ontvangt mij

met groote hoffelijkheid, en vraagt mij naar het doel mijner reize:

op het hooren van den naam van zijn souverein, buigt hij eerbiedig

het hoofd, en zegt dat aangezien ik de vriend ben van zijn heer,

den machtigen Guikowar, hij mijn slaaf is, en dat zijn persoon, zijne

lieden en zijn land te mijner beschikking staan. Ik bepaal er mij toe,

zijne bescherming te vragen voor mijnen tocht door de bergpassen,

met verzoek eenige ruiters, als gewapend geleide, aan mijne karavaan

toe te voegen. Daarop deelde hij mij allerlei bijzonderheden mede

omtrent de Bhîls, hunne gewoonten en levenswijze, waarbij hij zich

zeer beklaagde over de herhaalde strooptochten dier stammen, waardoor

de karavanen van het bezoeken van zijn land werden afgeschrikt.

Eenige uren later kwam de baron mijn een officieel tegenbezoek in

mijne tent brengen; hij was door een troep ruiters vergezeld, die

er, in hunne bijkans middeleeuwsche kostumen, allerschilderachtigst

uitzien. De oude thakoer vertoont in zijne houding en manieren

al de waardigheid, die aan zijn rang past; alles wat hij spreekt,

draagt den stempel van die fijne en nauwlettende wellevendheid, die

hem doet kennen als een der heeren van het hof van Oudeypoor, dat

als een voorbeeld van goeden toon en manieren door gansch Hindostan

beroemd is. Bij het afscheid omhelsde hij mij zeer hartelijk, met de

verklaring dat hij aan niemand de eer zou afstaan, mijne karavaan

tot aan de grenzen te geleiden, indien zijn hooge leeftijd hem dit

niet belette. Zijn zoon en drie ruiters zullen zich bij ons voegen;

nog dienzelfden avond wordt hunne tent nevens de onze opgeslagen.

Maar eer wij verder gaan, moet ik mijn lezers het een en ander

mededeelen omtrent de Bhîls, wier naam ik reeds meermalen heb genoemd,

en wier land ik thans had betreden.

De Bhîls behooren tot een der merkwaardige stammen der oorspronkelijke

bevolking van Indië, die vroeger in de uitgestrekte gewesten, thans

onder de namen van Malwa en Radsjpoetana bekend, was gevestigd. Door

de arische volksverhuizing uit het hoogland van centraal Azië, uit

hunne woonplaats verdrongen, trokken zij zich in het gebergte terug,

en schijnen langzamerhand tot dien staat van verval en barbaarschheid

verzonken te zijn, waarin wij hen thans aantreffen. In hunne

overleveringen en legenden leven nog enkele herinneringen aan den

ver vervlogen tijd, toen zij als oppermachtige gebieders in de vlakte

heerschten; een hunner aloude volkszangen verhaalt den oorsprong van

den diepgewortelden haat, die tusschen hen en de Brahmanen bestaat.

Op zekeren dag, zoo luidt deze sage, dwaalde de god Mahadeo, van

vermoeidheid en honger uitgeput, door het woud, toen eene jonge,

schoone vrouw zich over hem ontfermde, en hem in hare woning opnam. Hij

verhief haar tot zijne echtgenoote, en verwekte een aantal kinderen

bij haar. Een daarvan, een zwarte, zeer leelijke knaap, van zeldzame

spierkracht, doodde Nandi, den gewijden stier van den god. Tot straf

voor dit misdrijf werd hij vervloekt en naar de wouden verbannen; hij

ontving den naam van Nishada of Bhîl, dat wil zeggen, de banneling,

de vogelvrijverklaarde.--Uit deze legende schijnt te blijken,

dat dit volk zich niet, als de andere Soedras, aan de heerschappij

der Brahmanen heeft willen onderwerpen, en daarom door hen van eene

misdaad beschuldigd werd, die in het oog van iederen rechtgeloovigen

Hindoe een onvergeeflijke gruwel is, van namelijk den heiligen os te

hebben gedood: eene misdaad, waarop zij nog schijnen roem te dragen.

Ongetwijfeld hebben zij eenmaal zekere mate van macht en invloed

bezeten; en dat deze niet gering kan geweest zijn, blijkt wel uit het

feit, dat nog heden ten dage, bij de plechtige kroning der koningen

van Mewar, een der Radsjpoeten-staten, de teekenen der koninklijke

waardigheid door een Bhîl aan den nieuwen souverein worden ter

hand gesteld. Ook leeft nog in het volk een soort van godsdienstige

vereering voor de bouwvallen van sommige steden, wier puinen blijkbaar

van eene overoude beschaving getuigen. Eeuwen lang als wilde dieren

vervolgd en geplaagd, wreekten zij zich door schrikkelijke moord-

en plundertochten; en de naam van roovers van Mahadeo, dien zij zich

zelf gaven, werd in den ganschen omtrek geducht. In hunne bijkans

ontoegankelijke gebergten verscholen, wisten zij iederen vijandelijken

aanval af te slaan, en hunne onafhankelijkheid te bewaren. Zij zijn

in stammen of clans verdeeld, die ieder hun eigen opperhoofd hebben,

wien zijne onderhoorigen onbepaald gehoorzamen, en die bij hunne

strooptochten het bevel voert. Hunne dorpen of pâls zijn, evenals onze

middeleeuwsche burgten, altijd op hoogten gebouwd; iedere woning is

op zich zelf eene kleine vesting, waarvan de zware steenen muren een

dak van pannen of riet dragen. Het dorp is omgeven door eene hooge

en stevige omrastering van doornige struiken en dooreengevlochten

cactussen; in tijd van nood, worden de kudden door de vrouwen en

kinderen in de rotskloven en spelonken gedreven, en trekken de mannen

zich achter die sterke omwallingen terug, vanwaar zij hunne vijanden

kunnen gadeslaan en hunne pijlen afschieten. De indeeling in kasten is

bij hen onbekend; de jongelingen kiezen hunne bruiden uit een anderen

stam. De huwelijksplechtigheid is zoo eenvoudig mogelijk. Op zekeren

bepaalden dag komen de huwbare jongelingen en jonge dochters te zamen;

iedere jonkman kiest zich een meisje uit, en trekt zich met haar

voor eenige dagen in het woud terug, waarna het huwelijk als wettig

gesloten wordt beschouwd. Ook hunne godsdienst is hoogst eenvoudig:

hunne vereering geldt voornamelijk de elementen en de demonen, die

ziekten verwekken; de tempel bestaat uit een hoop steenen, met oker

besmeerd, of wel uit een ruw behouwen groote zerk. Echter koesteren

zij een bijzonderen eerbied voor den reusachtigen _mhowah_, dien boom,

die hun brood, brandhout en een bedwelmende drank levert; aan zijne

takken hangen zij bij voorkeur ijzeren gereedschappen op. Zij voeden

zich bijkans met alles wat hun voor de hand komt, en eten ook onreine

dieren, zoo als ratten en slangen.

De Bhîls zijn doorgaans van middelbare gestalte, en, hoewel minder

sierlijk, echter veel krachtiger gebouwd dan de Hindoes. Hunne

gelaatstrekken zijn grof; hun platte neus en uitstekende wangbeenderen

zijn alles behalve fraai; hunne zwarte haren hangen in wilde wanorde

langs hun gelaat, alleen door een koord om de slapen eenigszins

saamgehouden. Zij gaan bijna geheel naakt, en hebben in den regel

geen ander gewaad dan een soort van _langoeti_ of schort, van twee

of drie vingers breed, dat om de heupen gewonden wordt. De vrouwen

zijn slanker van gestalte en lichter van kleur; haar gang is niet

zonder waardigheid; zij dragen een soort van rok, die om de heupen

gebonden en met een der uiteinden over de schouders geworpen wordt,

zoodat de helft der borst bloot blijft. Aan armen en been en dragen zij

eene menigte koperen ringen. De Bhîls gaan nooit uit, zonder bogen en

pijlen mede te nemen; zij weten deze wapenen met groote behendigheid

te gebruiken, en gaan er zelfs mede op de tijgerjacht. Jacht en

vischvangst zijn hunne geliefkoosde bezigheden; zij tijgen in groote

gezelschappen ter jacht; en vergiftigen de kreken met cactussap,

om alzoo de visschen te kunnen vangen.

Hoewel zeer moedig, zijn zij tevens zeer bedachtzaam, en zullen

nooit een vijand aantasten, indien zij niet zeker zijn van de

overwinning. Toch is het vechten hun een ware behoefte; en wanneer

zij geen vijand te bestrijden hebben, dagen zij een naburigen clan

uit, en leveren elkander onderling moorddadige gevechten. Maar

zoodra een algemeen gevaar dreigt, worden deze onderlinge twisten

vergeten, en vereenigen zich de stammen tot den strijd tegen den

gemeenschappelijken vijand. Dan weergalmt door alle dalen de _kisri_

of snijdende oorlogskreet, die van pâl tot pâl wordt herhaald;

en binnen weinige uren zijn honderde krijgsvaardige mannen op een

enkel punt vereenigd en tot den tocht gereed. De Bhîls verstaan

ook voortreffelijk de kunst, om het geluid van hyena's, jakhalzen

en nachtvogels na te bootsen, en geven daardoor elkander teekenen,

zonder den argwaan der reizigers op te wekken.

Met al hunne gebreken, hebben de Bhîls twee deugden, die de eigenlijke

Hindoes missen: dankbaarheid jegens hunne weldoeners, en trouw aan

het eens gegeven woord. Van de eerste loffelijke eigenschap hebben

zij, tijdens den grooten opstand van 1857, een schitterend bewijs

gegeven, door niet alleen de Engelschen te beschermen, die door de

sipayers werden bedreigd, maar ook zelf tegen de opstandelingen te

gaan vechten. Zij zijn dan ook inderdaad veel aan de Engelschen

verschuldigd, die gedaan hebben wat zij konden om hen uit hun

ellendigen toestand op te heffen, en die in ieder geval een einde

hebben gemaakt aan de jaarlijksche strooptochten der Radsjpoeten,

waarbij de dorpen werden verbrand en de oogsten vernield.

De stammen der Bhîls bewonen tegenwoordig de landstreek Baghoer,

een gedeelte van het Aravalli-gebergte en bijna het geheele

Windhya-gebergte. Men schat hun aantal op een à twee millioen; zij

maken dus nog een der groote indische volksstammen uit. In de dalen

van Mewar vindt men de kaste der zoogenaamde Bhilâlas, afstammelingen

van Bhîls en Radsjpoeten. Zij zijn vrij talrijk, maar missen de goede

eigenschappen van hunne stamouders. Ook bij hen bevestigt zich alzoo

de algemeene ervaring, dat uit zoodanige vermenging een lager en

minder begaafd ras ontspruit.

Toen wij heden morgen van Tintouï zouden opbreken, geraakte onze

geheele karavaan in opschudding, en weigerde voor zonsopgang te

vertrekken. Het gerucht had zich verspreid, dat een zoogenoemde

_admikanewallah_, dat wil zeggen een tijger, die alleen menschen

verslindt, op den weg in hinderlaag lag. De Hindoes beweren namelijk,

dat wanneer een tijger eenmaal menschenbloed heeft geproefd, hij geen

andere prooi meer aanvalt. Nu verhaalde men dat zooeven een man door

zulk een admikanewallah verscheurd was. Het kostte den jongen thakoer

en mij groote moeite, onze manschappen te bewegen den tocht voort te

zetten: het was al erg genoeg, dat wij ons aan de aanvallen der Bhîls

blootstelden; ontmoetingen met tijgers waren hun in het geheel niet

naar den zin. Toch is onze karavaan thans sterk genoeg om voor geene

vijanden bevreesd te zijn: zij bestaat uit drie-en-twintig gewapende

mannen; wij zijn dus volkomen in staat om een geregelden veldslag te

leveren tegen wilden, die geen vuurwapenen bezitten.

Boekthawoer-Singh, de jonge thakoer, rijdt nevens mij, en verhaalt

mij allerlei anekdotes betreffende de Bhîls. Ook vertelt hij van de

verwoestingen, die de gevreesde menschenetende tijger in den ganschen

omtrek aanricht; er gaat bijna geen dag voorbij, dat hij geen nieuw

slachtoffer velt; en hij is daarbij zoo slim, dat de jagers hem nog

nooit hebben kunnen bereiken. De Hindoes koesteren voor deze tijgers

eene bijna kinderachtige vrees, de europeesche jagers daarentegen,

die zulk een admikanewallah geschoten hebben, beweren dat het dier

bijna altijd krank en schurftig is: zij schrijven dit toe aan het eten

van menschenvleesch. Dat de admikanewallah zich hoofdzakelijk met

menschenvleesch voedt, wordt alzoo door beide partijen toegestemd;

maar terwijl de Hindoes daaraan eene buitengewone mate van wildheid

en bloeddorstigheid bij den tijger toeschrijven, houden de Europeanen

staande, dat dit voedsel het dier verzwakt en ziek maakt. Ik stel mij

de zaak aldus voor. Wanneer de tijger oud wordt, verliest hij veel

van zijne kracht en nog meer van zijne vlugheid; hij durft dan geen

buffel of afgedwaalden os aanvallen, omdat hij daarbij stellig het

onderspit zou delven; en herten of antilopen met een fikschen sprong

te bereiken, is hem onmogelijk geworden. Zoo is hij dan wel verplicht,

zich langs de wegen in hinderlaag te leggen, en uit te zien of een

zorgelooze wandelaar zich binnen zijn bereik waagt: geschiedt dit,

dan doet de honger hem de vrees overwinnen, die hij instinktmatig

voor den mensch gevoelt, en deze wordt maar al te licht zijn prooi.

Even voorbij Tintouï versmallen zich de bergpassen, en weldra bevinden

wij ons in eene nauwe kloof, ter wederzijde door hooge zwartachtige

rotswanden ingesloten; de hellingen en de toppen der bergen zijn

met dicht bosch bedekt. Het is een grootsch, romantisch landschap,

vol wilde, aangrijpende schoonheid: reusachtige marmerblokken, hier en

daar over den grond verspreid, schitteren in het zonnelicht; schuimende

bergstroomen storten zich met klaterend geweld in de diepe kloven,

of zweven, als pluimen van stuivend zilver, van de steile hoogten

neder. De dorpen der Bhîls, als vestingen boven op de steilten

gebouwd, met een smallen zoom van bebouwd land aan hun voet, zien

er, met hunne stekelige muren van struiken en doornen, van verre als

reusachtige arendsnesten uit. Van tijd tot tijd wordt de gedaante van

een Bhîl op den top eener rots zichtbaar: dat zijn de schildwachten,

die moeten toezien wat er op den weg gebeurt; maar ons aantal en de

bescherming van den thakoer waarborgen ons tegen alle vijandelijkheden.

De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra

bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal is van den

rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine,

maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht de burcht van

den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om

den nacht door te brengen; voor wij ons ter rust begeven, worden de

vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is

goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede zijn. Den volgenden

morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester

en woester; groote, wild dooreengeworpen rotsblokken vullen de enge

dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over;

het is inderdaad opmerkelijk te zien, met hoeveel tact en geduld onze

zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De

gewapende ruiters en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze

kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtal reizigers,

die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht

uit; eenige ruiters, door mijn reismakker aangevuurd, sluiten als

achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij

nu de gevaarlijkste en slechtst befaamde streken moeten doortrekken;

de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan,

onder wiens bescherming zij ook moge staan. Na onderscheidene enge

bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei,

door prachtige bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare

bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten,

talrijke dorpen of pâls van de Bhîls.

Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval

dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds sedert den

morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die

kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den broederlijken groet

te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten,

over deze onwellevendheid verontwaardigd, maakte nu van de gelegenheid

gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te

slaan en van zijn boog en pijlen te berooven. Deze aanranding, die

zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne

voorkennis geschiedt; ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept,

er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne

zulk wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam

aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: nauwelijks

had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde

reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen van heuvel

tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die

in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke verwarring

maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen

begonnen te schreeuwen en te jammeren; de kooplieden stelden zich aan

als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel

en getier te vergrooten. Onze soldaten hielden zich gelukkig beter:

bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten

mijne bevelen af.

Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond

er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder vastberaden

voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen

was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, en begonnen zij hunne pijlen

op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen

treffen. Enkelen slaagden er in, achter de struiken voortsluipende,

ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel,

die begon te steigeren en achteruit te slaan, hetgeen de verwarring

nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven,

toen ik eensklaps een ouden radsjpoet ruiter van ons geleide van

Sameyra, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas,

in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen. Weldra wendde hij zich

plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl,

die in de struiken verscholen zat; in een oogwenk had hij hem gevangen

genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had

eene verrassende uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van

alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de

karavaan met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht

aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij

verzekerde, het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop

de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun

opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing

werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken zich niet terug.

Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht

hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd en

geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan;

zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, en waren er

niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. "Het is voor het eerst,

zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, de Bhîls in hunne eigen

valleien te tergen en uit te dagen."--Hij verzocht, dat de geroofde

boog en pijlen zouden worden teruggegeven, en dat de schuldige soldaat

zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen

vervolgen. Ik gaf hem de verzekering dat het voorgevallene mij leed

deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den

sowar vergeving voor zijne aanranding te doen vragen. Blijkbaar

verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar

toen hij zag, dat ik dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel

aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten

en maakte hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen

werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons tot wij

de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet

ik hem een groot glas brandewijn inschenken, dat hij in een enkelen

teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten

terug, die ons zwijgend gevolgd waren, en begon nu onze lieden uit te

schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden

aan de tegenwoordigheid der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit

een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou

uitblijven. Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch

langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te trekken.

Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het

midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara komt

ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht,

vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg dronken. Naar

het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die

zich in zijne tegenwoordigheid bitter over hem beklagen; hij tracht

zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te

verdedigen, en de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht worden,

te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het

engelsche gouvernement aan, die hem rekenschap komen vragen van zijn

gedrag. Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te

krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht kippen en

vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een

uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, op den top des

heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen,

die hij met veel beweging en allerlei buigingen en gebaren, voor

mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat,

met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk schouwspel, dat hier

echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van

mijn verblijf in Hindostan heb ik nimmer een man van deftigen stand,

vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien,

als waarin deze thakoet van Bitsjoewara verkeerde.

Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station

Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. De sowars van

Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden

door vijf ruiters van het contingent ven Oudeypoor, die de kommandant

van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een

paar mijlen voorbij het station voert onze weg weder midden door de

bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter:

de naakte, ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke

hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich breede

valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het

Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in de Aravallis, die zich

dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is

nog zeer weinig bekend; zij bevat niet alleen een onuitputtelijken

rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood,

blik, rotskristal, granaat en andere edele steenen. Al deze schatten

liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren,

en houden de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de

Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim

drie duizend voet boven de zee.

In den morgen van den 30sten December, na een vermoeiende nachtelijke

reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats

onzer bestemming: Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar.

Schetsen uit de Indische Vorstenlanden De Aarde en haar volken, 1873 · 第 3 / 11 题