I.

Van Baroda begaf ik mij naar Ahmedabad, de aloude hoofdstad der

sultans, eene der prachtigste steden van het Oosten. Wij kwamen

daar den 5den December aan, en namen onzen intrek in een uitmuntend

ingerichte _bungalow_. Zulk een bungalow is eene voortreffelijke

instelling, voor de reizigers van onschatbare waarde. In alle

steden, waar het bezoek en verblijf van Europeanen van te weinig

beteekenis is, om de partikuliere ondernemingszucht tot het bouwen

van hotels uit te lokken, is namelijk van regeeringswege een nette

en eenvoudige bungalow, een soort van landhuis of villa, ingericht,

waar de reizigers op hun gemak kunnen logeeren, tegen betaling van

een roepy per dag. Daar al de vermogende inboorlingen, en ook de

meeste Anglo-Indiërs, op hunne reizen voor het minst door één bediende

vergezeld worden, is de _peon_ (kastelein) van de bungalow verplicht,

zijne keuken te hunner beschikking te stellen, en hun, tegen een matig

gestelden vasten prijs, al de levensmiddelen te bezorgen, waaraan

zij behoefte hebben. Zij, die geen kok in hun dienst hebben, kunnen

zich door een aan het logement verbonden hofmeester of _mess-man_,

overeenkomstig hun verlangen, hunne maaltijden laten bezorgen; mede

volgens een vast tarief, dat in alle kamers is opgehangen.

Ahmedabad werd in 1426 door den Sultan Ahmed-Shâh gesticht,

op dezelfde plaats, waar vroeger eene oude indische stad had

gestaan. Hoogstwaarschijnlijk gebruikte de sultan de puinen van de door

hem verwoeste steden Khandravati en Anhilwara-Patan voor den bouw der

paleizen en moskeeën van zijne nieuwe hoofdstad, die weldra door den

rijkdom en de pracht harer monumenten door geheel het Oosten beroemd

zou worden. Want ook de opvolgers van Ahmed-Shâh waren met dezelfde

liefde voor de schoone kunsten bezield; en daar zij zelf van hindoesche

afkomst waren, behielden zij ook voor de heiligdommen hunner nieuwe

mohammedaansche eeredienst den eigenaardigen bouwstijl des lands:

een stijl, die zich door zijne oorspronkelijkheid en zuiverheid

zeer gunstig onderscheidt van den zoogenaamden sarraceenschen stijl,

die tegelijk met de Mongolen in Indië doordrong en daar bijkans de

overheerschende werd.

Omstreeks 1570 viel de stad in de macht der Groot-mogols, en werd

zij tot hoofdplaats van eene der bloeiendste provinciën van het

machtige rijk verheven. Toen het zoogenaamde mongoolsche rijk ten

ondergang neigde, maakte Damasji Guikowar, ten jare 1737, gebruik van

de toenemende machteloosheid der keizerlijke regeering, om Ahmedabad

met de daarbij behoorende landstreek bij zijn eveneens op de puinen

van het keizerlijk gestichte koninkrijk van Baroda in te lijven. Zijne

opvolgers behielden de stad tot 1818, toen zij aan de Engelschen

overging, aan wie zij nu nog behoort.

Een gordel van zware hooge muren, meer dan zeven kilometers in omtrek,

omringt de stad; torens en bolwerken geven haar een nog indrukwekkender

voorkomen. Naar men zegt, zijn deze werken aangelegd door den sultan

Mahmoed Begarha, omstreeks het einde der vijftiende eeuw. Achttien

monumentale poorten geven toegang tot de stad, die weleer eene

overtalrijke bevolking binnen hare wijde wallen herbergde; tegenwoordig

strekken zich tusschen de eigenlijke stad en den wal groote tuinen en

onbebouwde velden uit; zij heeft zich als het ware saamgetrokken in

haar al te ruimen steenen mantel; hare verschillende wijken zijn thans

door niet veel meer dan honderd-vijftig-duizend zielen bewoond. Maar

ook nu nog, hoezeer van haar vroegeren luister vervallen, maakt de

vroolijke, ruime, volkrijke stad een aangenamen indruk; overal vindt ge

prachtig geboomte, dat tot midden in de stad heerlijke lanen vormt; en

de statige overblijfselen van den ouden tijd zien er minder eenzaam en

verlaten uit te midden dier schilderachtige wit gepleisterde huisjes

en hutten, zoo bevallig om de ernstige bouwvallen gegroept.

Zoo ge het indische leven te Ahmedabad in al zijne verscheidenheid

wilt bestudeeren, begeef u dan naar de prachtige breede straat

Manik-Shauk, het middelpunt van den handel en de bedrijvigheid

der stad. Daar worden de verschillende markten gehouden; daar zijn

de bazars, en daar ook kunt ge de prachtige typen dier zwervende

Radsjpoeten, Katis en Bhattis bewonderen, die uit de nabijgelegen

halfwilde landstreken naar Ahmedabad komen, en zooveel bijdragen tot

het bij uitnemendheid schilderachtig karakter harer openbare markten

en bazars. Kameelen en olifanten bewegen zich met afgemeten stap te

midden der bontgekleurde luidruchtige menigte, waaronder de engelsche

sipayers, in hunne eenvoudige uniform, zooveel mogelijk de orde

bewaren. De drukke, levendige straat, de voornaamste der stad, begint

bij den hoofdingang van het oude paleis der voormalige onder-koningen,

dat door zijne zware torens aan een middeleeuwsch kasteel doet denken,

en dat tegenwoordig tot strafgevangenis is ingericht, waar duizende

veroordeelden zich onledig houden met het vervaardigen van tapijten,

grove stoffen en papier. Men treedt dit voormalige paleis binnen

door eene prachtige moorsche poort, waaronder zich een wachthuis

bevindt. De tegenwoordige bestemming van het gebouw laat niet meer

toe, over de vroegere heerlijkheid dezer vorstelijke residentie te

oordeelen; de ruime zalen zijn, op last der engelsche inspecteurs,

zoo herhaaldelijk met witkalk overstreken geworden, dat alle sporen

van voormalige versiering geheel zijn verdwenen.

Dit kasteel is met de Bâdre of citadel verbonden door eene lange reeks

van gebouwen, eertijds tot huisvesting bestemd voor het talrijke

garnizoen, dat de sultans in hunne hoofdstad onderhielden. Deze

citadel bevat niet veel merkwaardigs: eenige ruime binnenplaatsen,

vroeger tot tuinen aangelegd en tegenwoordig door leelijke engelsche

barakken ontsierd; eenige zuilengangen, en een reusachtig bolwerk: dat

is nagenoeg alles. Men vergeet ook nooit, den bezoeker opmerkzaam te

maken op eene oude schijf, boven eene der poorten geplaatst, en waarop

nog duidelijk de sporen van pijlpunten te herkennen zijn. Wanneer,

in den ouden tijd, de sultan eene belangrijke reis of een krijgstocht

zou gaan ondernemen, moest een ervaren schutter die schijf trachten te

treffen; trof de pijl het wit niet, dan werd de onderneming opgegeven,

of althans tot gunstiger gelegenheid uitgesteld.

Op korten afstand van het paleis, verheft zich dwars over de straat

Manik-Shauk, een prachtige triomfboog die, naar de drie bogen van

moorschen stijl, den naam draagt van _Tin Durwazé_, de Drie poorten;

dit gebouw is een der bevalligste monumenten van de architectuur

der zestiende eeuw. Aan gene zijde van den triomfboog verrijst de

Jumah-Moesjid, de voornaamste moskee, de roem van Ahmedabad. Het

opschrift aan den hoofdingang meldt u, dat de sultan Mahmoed-Shâh

Begarha, de Stedendwinger, deze moskee heeft gebouwd met de puinen

van de tempels der ongeloovigen, in het jaar der hedsjrâh 827. Voor

het eigenlijke gebouw strekt zich een ruime, geplaveide hof uit,

aan drie zijden door zuilengangen omgeven. De voorgevel prijkt met

drie hooge poorten, die u vergunnen een blik te werpen in het ruime

heiligdom, waarvan het gewelf door eene menigte zuilen gedragen

wordt. Ter wederzijde van den middelsten ingang verheffen zich

twee slanke, uiterst sierlijk bewerkte minarets, maar waarvan de

spitsen in 1818, ten gevolge eener aardbeving, naar beneden zijn

gestort. Bij het binnentreden van het ruime bedehuis, gevoelt ge u

onwillekeurig door bewondering aangegrepen bij een blik op die lange

reeksen gebeeldhouwde pilaren; de koepels rusten op eene galerij

van kleine, massieve zuilen, waardoor een stroom van licht in den

tempel valt. Het volstrekte gemis van beelden, het groote aantal

en de eigenaardige versiering der kolommen, geven aan deze moskee,

die u aan een hindoe-tempel denken doet, een hoogst merkwaardig

karakter. In het midden van de moskee, tegenover den tabernakel,

waarin de Koran bewaard wordt, bevindt zich een groote marmeren zerk,

waaronder, volgens de overlevering, het afgodsbeeld begraven ligt,

dat vroeger in den heidenschen tempel, waarvan deze moskee de opvolger

is, werd aangebeden. Nabij de moskee staat de vorstelijke basiliek,

waar, onder marmeren troonhemels, de stoffelijke overblijfselen der

Sultans Ahmed, Mohammed en Koutub Oudin rusten; in hunne nabijheid

sluimeren hunne echtgenooten en afstammelingen. Al deze graftomben

munten uit door sierlijke bewerking; zij prijken met prachtig beeldwerk

en somwijlen met schitterende mozaïeken.

Nog heden ten dage telt Ahmedabad meer dan vijftig moskeeën en

eene menigte grafmonumenten, die allen eene bijzondere studie waard

zijn. Geen andere stad van Indië kan op zulk een rijkdom van dergelijke

gedenkteekenen roemen. Deze moskeeën verheffen zich doorgaans, te

midden van tuinen en boomgaarden; op hooge steenen terrassen, vanwaar

zij de omringende huizen als met vorstelijke fierheid beheerschen. Die

plaatsing is bij uitnemendheid geschikt om de schoonheid der bogen,

der koepels en minarets te doen uitkomen, die zich nu, in al de

zuiverheid hunner lijnen, afteekenen tegen het diepe blauw van den

helderen indischen hemel.

Eenige dagen na onze aankomst, was ik des morgens uitgereden, om de

frissche, geurige ochtendlucht in te ademen, toen ik eensklaps op den

weg voor mij uit een stofwolk zag oprijzen, die snel naderde. Ik had

nauwelijks den tijd ter zijde te gaan, toen vijf of zes open rijtuigen,

van antieken vorm, mij voorbijsnelden, waarin eenige inlanders zaten,

die ik aan hunne van goud schitterende tulbanden als lieden van aanzien

herkende. De rijtuigen werden gevolgd door een troep ruiters van een

wild, fantastisch voorkomen, met lange golvende baarden en lansen in de

hand, gezeten op groote, prachtig opgetuigde paarden. Dit alles schoot

mij, als een wervelwind, voorbij. Werktuigelijk groette ik, en zag nog

even hoe mijn groet door een der reizigers werd beantwoord. Ik was zeer

nieuwsgierig om te weten, wie deze vreemde gasten wel mochten zijn, en

spoedde mij naar de bungalow terug. Daar vond ik de binnenplaats geheel

ingenomen door onbekende ruiters, die er hun bivak hadden opgeslagen;

overal brandden vuren; de paarden stonden op eene rij vastgebonden;

en in een hoek zag ik de met stof overdekte gala-rijtuigen. Nu vernam

ik dat de nieuw aangekomen gast, die zooveel opschudding veroorzaakte,

geen minder personage was dan do prins Monti-Singh, zoon van den Rajah

van Marwar. De ruiters van zijn gevolg waren Radsjpoeten van den stam

of clan Rhatore, een der meest bekenden van de indische woestijn.

Den volgenden morgen zond ik mijn _khansamah_, voor deze buitengewone

gelegenheid tot de waardigheid van _tsjoebdar_, gezant of heraut,

verheven, om den hoogen vreemdeling onzen welkomstgroet aan te

bieden. De prins beantwoordde de beleefdheid, door mij een deurwaarder

of kamerdienaar met gouden staf te zenden, die, na de gebruikelijke

begroetingen en plichtplegingen, mij mededeelde dat Zijne Hoogheid

mij nog dien zelfden dag zou ontvangen. Op het bepaalde uur begaf

ik mij met mijn reisgenoot naar den prins, die ons in eene ruime

zaal afwachtte, waarvan vier stoelen en een tapijt het gansche

ameublement uitmaakten. Monti-Singh ontving ons zeer vriendelijk

en reikte ons de hand; hij zette zich tusschen ons beiden neder, en

begon een gesprek in het engelsch, dat hem blijkbaar groote inspanning

kostte. Ik maakte aan die kwelling een einde, door hem in het hindi

te antwoorden; zeer in zijn schik, dat ik de taal zijns lands sprak,

begon hij nu met groote levendigheid te praten. Hij verzekerde mij

dat zijn vader, de Koning van Marwar, zich zeer gelukkig zou achten,

indien hij ons aan zijn hof mocht ontvangen, en dat de bekende

gastvrijheid der overige radsjpoet-vorsten ons overal eene gulle en

hartelijke ontvangst verzekerde. "Een europeesch reiziger," zeide hij,

"is bij ons bijna eene onbekende zeldzaamheid; de eenige Europeanen,

die wij nu en dan onder ons zien, zijn, behalve de gezanten van den

onderkoning, enkele officieren, die naar hun garnizoen gaan of naar

Bombay terugkeeren. Voor zoover ik weet, is er althans nog nooit

een Franschman te Jhodepoor verschenen."--Hij gaf mij daarop zeer

uitvoerige en nauwkeurige inlichtingen omtrent de beste manier, waarop

ik de reis zou kunnen doen, en de bezwaren die ik daarbij zou hebben

te overwinnen: mij tevens zeer sterk aanradende mijn weg te nemen

over Deesa, Sirohi, en Jhodepoor, in plaats van het land der Bhîls

te bezoeken en over Oodipoor te gaan. Maar ten aanzien van dit punt

stond mijn besluit vast; ik bepaalde er mij dan ook toe, hem te beloven

dat ik mijn best zou doen om over Ajmeer naar Jhodepoor te reizen.

Prins Monti-Singh is de veertiende of vijftiende van de talrijke zonen

van den ouden Rajah van Jhodepoor, Tukt-Singh. Deze aartsvaderlijke

monarch bezit een vrij uitgestrekt rijk, maar dat meer woestijnen

dan bebouwbaar land bevat; toch is zijne hoofdstad eene der

fraaiste steden van Radsjpoetana, en zijn zijne inkomsten verre

van onaanzienlijk. Monti-Singh sprak met veel geestdrift over de

wildrijke vlakten van zijn vaderland, en gaf mij de verzekering

dat, zoo ik kwam, te mijner eer schitterende jachtpartijen zouden

worden aangelegd. Zijne fijne en sprekende trekken, zijne lichte

gelaatskleur en zijn lange baard deden hem dadelijk als een echten

Radsjpoet kennen: zijne eenigszins verwijfde houding en manieren

en zijne zeer diplomatieke wijze van spreken maakten echter op mij

geen gunstigen indruk. Ik vernam later, dat mijne vermoedens te dien

aanzien in geene deele ongegrond waren.

Van de weinige dagen, die mij nog voor ons vertrek van Ahmedabad

overschoten, maakte ik gebruik om de omstreken te bezoeken, die

niet alleen heerlijk schoon zijn, maar ook rijk aan historische

herinneringen. Een mijner eerste uitstapjes bracht mij naar Sirkhej,

de aloude zomerresidentie van Sultan Ahmed, acht mijlen (kilometers)

van de stad verwijderd. Te vier uur in den morgen van onze bungalow

vertrokken, bereikten wij, bij het opgaan der zon, de oevers van de

Soebermoetti, het bevallige riviertje, dat de wallen van Ahmedabad

bespoelt. Onze bedienden hadden, met het weinige dat wij verder mede

namen, plaats genomen op een kleinen wagen door een os getrokken,

die de rivier zou doorwaden. Het water was laag, maar de stroom

was nog zoo sterk, dat ik inderdaad vreesde dat de wagen zou worden

medegevoerd. Toen ik met mijn paard gelukkig de overzijde bereikt

had, bleef ik een poos het prachtige landschap gadeslaan, waaraan

de indische wintermorgen, nieuwe bekoorlijkheid bijzette. De rivier

schitterde en fonkelde in het rijzende licht; gansche zwermen van

watervogels vlogen, zwevende, rijzende en dalende, over de kalme

oppervlakte; aan den anderen oever teekende zich, schemerachtig, half

in een wazigen, blauwachtigen nevel gehuld, de lange lijn der wallen

en vestingwerken. De lucht was, ondanks de zon, frisch en koel, en

verkwikte en versterkte mij. Niets bijna is met deze wintermorgen in

Indië te vergelijken: hij is even heerlijk als een lentedag in Europa;

maar de eigenaardige, grootsche pracht dezer door de natuur zoo rijk

begunstigde streken geeft aan alles eon onuitsprekelijk karakter van

schoonheid en verhevenheid.

Nadat onze wagen veilig op den oever was geraakt, zetten wij onze

paarden in galop en sloegen den weg naar Sirkhej in. Wij volgden een

zandpad, nu en dan met gras begroeid, en ter wijderzijde omzoomd

door hooge cactussen, door dwerg-vijgeboomen, geheel behangen en

omwikkeld met convolvulussen en andere bloeiende lianen. Honderde

fraaie, zilvergrijze tortelduiven vlogen bij onze nadering weg,

en lieten dat eigenaardig geluid hooren, dat op een kort afgebroken

lach gelijkt; schitterend gekleurde papegaaien vervulden de lucht

met hunne schelle kreten, en overstemden bijna geheel het liefelijk

gekweel der oostersche nachtegalen, dat ons uit de naburige boschjes

tegenklonk. Eeuwenheugende reusachtige boomen spreidden hier en

daar hunne breede armen beschermend uit over de in hunne schaduw

wegduikende spitse koepels der witte grafmonumenten: liefelijkheid

en statige ernst waren in dit landschap op het schoonste vereenigd.

Na een rit van een goed half uur bereikten wij eene tamelijk eentonige,

maar welbebouwde vlakte, op eenigen afstand door de heuvelen van

Sirkhej, op wier toppen zich de lijnen der monumenten tegen den

helderen achtergrond afteekenen, begrensd. Vroeger nam de Soebermoetti

haar loop langs den voet dezer heuvelen; hare uitgedroogde bedding,

met fijn los zand gevuld, was nu een rijweg, waardoor onze paarden met

moeite voortzwoegden. Aan den rand dezer bedding verheffen zich twee

hooge torens, waarvan het onderste gedeelte zeer veel door het water

geleden heeft, en die vroeger den hoofdingang vormden der vorstelijke

residentie. De weg is hier nog met groote zerken geplaveid, en boven

het hoofd van den bezoeker zweven dreigend stukken van half vernielde

gewelven.

Wij begaven ons naar de moskee, het eenige nog bewoonbare gedeelte van

het voormalige paleis. De zware deur was gesloten; ik steeg van mijn

paard, en deed herhaalde malen den zwaren ijzeren klopper nedervallen,

die nog zijne oude plaats behouden had. Eene diepe, ongestoorde stilte

heerschte in het ronde; ettelijke duiven, door het gerucht dat wij

maakten verschrikt, vlogen in wijde kringen boven onze hoofden heen en

weder. Na verloop van eenige minuten hoorde ik grendels wegschuiven,

en spoedig daarop werd de deur geopend door een klein oud manneke,

met een langen witten baard en een wonderlijk voorkomen. Hem was de

bewaking van het heiligdom toevertrouwd; hij ontving ons met groote

vriendelijkheid.

Wij traden op een ruim, geplaveid binnenplein, door portieken en

galerijen omgeven, en waarop zich in het midden een zwaar gebouw

verhief, met een vergulden koepel gekroond. Daar rusten, in eene

reliekkast van massief zilver, de overblijfselen van Sheik Ahmed

Gunj Boekeh, den biechtvader van Sultan Ahmed, en den hooggeëerden

beschermheilige van Sirkhej. Zijn graf is eene zeer druk bezochte

bedevaartsplaats voor al de Muzelmannen uit den omtrek; en twee malen

in het jaar is deze ruime binnenplaats opgevuld met pelgrims. Voor

dit monument staat eene kiosk, wier zestien slanke kolommen negen

koepels dragen: zeker een der fraaiste en sierlijkste gebouwen in

den eigenaardigen indo-muzelmanschen stijl.

Aan de linkerzijde van de binnenplaats geeft eene fraaie portiek

den toegang naar de graven der Ranis of koninginnen: ruime kamers,

wier gewelven door zware pilaren worden getorscht; de wit marmeren

graftomben staan in afzonderlijke kapellen, die door sierlijk bewerkte

steenen balustraden zijn afgesloten. De aanblik dezer ruime luchtige

vertrekken is inderdaad schoon en indrukwekkend; maar evenals

bij alle mohammedaansche graven, treft u ook hier de volstrekte

afwezigheid van iedere ernstige, tot droefheid of weemoed stemmende

gedachte. Groote vensters, met balkons versierd, laten het licht

vrijelijk binnenstroomen, en gunnen u tegelijk een blik op den schoonen

vijver, die zich aan den voet der moskee uitstrekt. Een breede trap,

die naar den vijver afdaalt, scheidt deze vertrekken van eene andere

reeks nog grooter en fraaier zalen, waar zich de tomben van een aantal

sultans bevinden, onder anderen van den beroemden Mahmoed Begarha.--De

andere zijde van de binnenplaats wordt geheel ingenomen door eene

groote moskee, die, naar men zegt, getrouw naar de beroemde moskee

van Mekka gevolgd is. Ik heb deze laatste nooit gezien, maar betwijfel

het toch zeer of er werkelijk veel overeenkomst bestaat tusschen het

groote arabische heiligdom en dit monument in indischen stijl.

De vijver, die tegenwoordig droog ligt, beslaat eene oppervlakte van

bijna eene mijl in het vierkant; ten tijde van Ahmed was deze vijver

een der wonderen van Indië. De eene zijde wordt geheel ingenomen door

de moskee en de daaraan grenzende gebouwen; aan de drie andere zijden

rijzen reusachtige trappen omhoog, weleer door prachtige paleizen

gekroond. Twee daarvan zijn nog in wezen: het paleis van Ahmed en

de harem. De hooge, met zuilenrij en en beeldwerk versierde gevels

schenken aan deze gebouwen een karakter van grootschheid, dat men in

de latere muzelmansche bouwgewrochten in Hindostan maar al te zeer

mist. Uit deze paleizen voerden onderaardsche tunnels naar den oever

van den grooten vijver. Aan een der hoeken is nog eene monumentale

sluis, waardoor het water van de Soebermoetti in het wijde bekken

gevoerd werd.

Ons tweede bezoek gold het grafmonument van Shâh Alloem, op twee

mijlen afstands van Ahmedabad, te midden van eene menigte tomben,

moskeeën, paleizen en tuinen. Het mausoleum zelf is met een hoogen

koepel gekroond, en bevat verschillende zalen; in eene daarvan staat

de porfieren graftombe van Shâh Alloem. Deze zaal is met inlegwerk van

parelmoer versierd; kleine openingen, met fijn gebeeldhouwd steenen

lofwerk gesloten, laten slechts een schemerachtig licht doordringen,

dat eene fantastische uitwerking doet. De aangrenzende groote moskee,

een langwerpig op zuilen rustend gebouw, verrijst op een hoog terras;

vanwaar men een prachtig vergezicht heeft. De beide minarets zijn

nog ongeschonden in wezen.

De omstreken van Ahmedabad zijn zoo rijk aan merkwaardigheden van

allerlei aard, dat het wel niet anders kan, of men gaat hier bijna

achteloos monumenten voorbij, die elders onmiddellijk uwe aandacht

trekken en uwe bewondering opwekken zouden. Datzelfde is het geval

te Delhi; maar daar hebben onderscheidene machtige volksstammen

en doorluchtige vorstengeslachten de sporen hunner heerschappij

en grootheid nagelaten; hier dagteekenen al deze kunstgewrochten en

verbazende scheppingen uit de betrekkelijk korte periode der regeering

van enkele vorsten in de vijftiende eeuw.

De engelsche stad ligt te Ahmedabad op ongeveer vier mijlen afstands

van de indische, waarmede zij door prachtige dreven en lanen van hoog

geboomte verbonden is. Zij ligt in eene ruime vlakte, en bestaat,

behalve uit de kazernen en andere militaire inrichtingen, uit een

zeker aantal bevallige villa's, te midden van sierlijke tuinen

gelegen, en door ongeveer een honderdtal Europeanen, beambten der

kroon, bewoond. In de onmiddellijke nabijheid staat het paleis van

Shahi-Baugh, in 1625 gebouwd, op last van den onderkoning Sultan

Kurrum, die er zijne residentie wilde vestigen. Hij zette evenwel

nooit een voet in het paleis, omdat de groote poort in de buitenste

omwalling niet hoog genoeg was om den olifant door te laten, waarop

de prins gewoonlijk reed. Nog vóór dit gebrek kon worden verholpen,

werd de onderkoning, door den dood van zijn vader, geroepen om den

keizerlijken troon te Delhi te bestijgen, dien hij, onder den naam

van Shâh-Jehan, gedurende vele jaren, met roem bekleeden zou.

Eindelijk had ik, na lang bieden en loven, eene overeenkomst gesloten

met een kameeldrijver, die mij, voor honderd-tachtig roepyen, twee

dromedarissen en zeven kameelen zou bezorgen om de reis naar Oodipoor

te ondernemen. Ik voorzag mij van eene kleine, zeer lichte tent,

en verder van de noodige bedden, keukengereedschap en andere zaken,

waaraan ik behoefte zou hebben. Wij togen nu toch naar een land, waar

nog logementen noch bungalows zijn te vinden, en waar ik begreep,

dat wij minstens een jaar zouden moeten toeven.

Schetsen uit de Indische Vorstenlanden De Aarde en haar volken, 1873 · 第 2 / 11 题