Op het eiland Java bestaan--het zal niemand onder onze lezers onbekend
zijn--nog twee zoogenoemd zelfstandige staten: het keizerrijk van Solo
of Soerakarta, de ruïne van het eenmaal zoo machtige rijk van Mataram;
en het rijk van Djokjokarta. De landstreken aan het gezag van den
Soesoehoenan of keizer van Soerakarta en den sultan van Djokjokarta
onderworpen, worden met den naam van Vorstenlanden aangeduid, ter
onderscheiding van de gewesten, die rechtstreeks onder het bestuur der
nederlandsche regeering staan. Toch is de onafhankelijkheid dezer beide
inlandsche staten inderdaad niet veel meer dan een schijnbeeld: de
keizer en de sultan zijn niet anders dan vasallen van het nederlandsche
gouvernement, dat aan hun hof door een resident vertegenwoordigd wordt,
zonder wiens goedvinden de bijkans machtelooze heerschers, hoe ook
met alle uiterlijke teekenen en huldebetooningen der souvereiniteit
omringd, niet veel vermogen. Soortgelijke toestanden bestaan ook,
en op grooter schaal en in rijker afwisseling, in het reusachtige
britsch-indische rijk, dat metterdaad geheel Hindostan met een deel
van Achter-Indië omvat. Ook dit bijkans onmetelijke gebied is niet
geheel aan de onmiddellijke heerschappij van den engelschen landvoogd
onderworpen: uitgestrekte landen, koninkrijken en vorstendommen,
hebben tot dus ver nog eene zekere mate van onafhankelijkheid en
zelfstandigheid weten te bewaren, en worden nog altijd door hunne
eigene Vorsten geregeerd; schoon al deze Vorsten, in meerdere of
mindere mate, aan de opperhoogheid der britsche kroon zijn onderworpen,
of althans door verdragen zoogenaamd tot bondgenooten, inderdaad
tot vasallen, van Engeland zijn gemaakt. Het zijn deze landen,
koninkrijken en vorstendommen, die wij met den naam van indische
Vorstenlanden wenschen aan te duiden: een naam, gewettigd door de
gelijkheid van toestand hier met dien op het eiland Java.
Nog onlangs hebben wij den franschen reiziger L. Rousselet vergezeld
bij zijn bezoek aan het hof van een dezer inlandsche Vorsten,
den Guikowar of koning van Goezerate, die te Baroda zijn zetel
heeft. [1] Wij waren daar getuigen van de eigenaardige gebruiken
en de schitterende weelde van een indisch hof; en hadden tevens
gelegenheid, zij het ook slechts van ter zijde, een blik te werpen op
de innerlijke toestanden des lands en de regeering van den Rajah. Wij
durven vertrouwen dat het verhaal van den heer Rousselet een gunstigen
indruk heeft achtergelaten, zoodat het voorstel om hem ook op zijn
verderen tocht door de indische vorstenlanden te vergezellen, onzen
lezers niet onwelkom zal zijn.