bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze
bewustzijnsverschijnselen. "De ontkenning van zulke werkelijkheden
(d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische
theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen
ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen
voldoende argument tegen is. [58] Maar zij geeft ons een verminkte
en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot
solipsisme." (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente
toepassing tot de absolute scepsis: "Het laatste woord van 't
empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis"
(Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan
te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk
evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend
gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een
gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: Wien Neerlands bloed. Daar ziet
ge bij 't eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt
ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen
komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch
dus voorstellen:
a --> b --> X -- c --> d --> Y -- e enz.
X en Y zijn optredende gewaarwordingen, waarvoor we geen voldoenden
grond vonden in ons bewustzijn. Op grond van 't causaliteitsbeginsel
schrijven wij 't toe aan iets buiten ons.
We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor:
van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen
bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze,
geen realiteit. Hoe verklaren we dat?
De ideale waarnemer.
We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat
er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,
alles te zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste,
de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn
aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den
idealen waarnemer noemen.
Ziehier nu de onderstelling van het monisme:
Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats
grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de
gewaarwording van iets stoffelijks is.
Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:
A -- B -- C -- D -- E -- F.
Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van
hersenverschijnselen:
a -- b -- c -- d -- e -- f.
Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander. Op zichzelf
bestaan zij niet.
Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van
den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een
kleur zien, is de inhoud onzer waarneming dat roode. Het voorwerp
onzer waarneming zijn echter de trillingen van den ether. De inhoud der
waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met
windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp
dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.
Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het
waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien
hol, van buiten bol.
Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan
elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den
I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende
feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en
hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke
storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen
inwerken, oefenen invloed uit op 't bewustzijn; bijv. alcohol,
broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling
en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze
verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen,
dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking
het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.
De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:
Het proces in 't bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten
gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.
Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet
alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de
van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling,
spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan
bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing
door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen,
in verband met het ontwikkelingsbegrip.
Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet,
dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij
blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste
voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk
dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd,
en ge geeft 't antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook
invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren
menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen,
niet bewust, werken mee bij 't vormen van 't oordeel. Van het geheele
bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het
kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den
bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor
den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het
kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den
drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als
een zee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide
golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met
groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een
groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen
verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen,
is voor Fechner's systeem van zeer veel belang.
Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij
kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit 't dagelijksch leven
opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we 't onbewust
werktuigelijk. Zoo gaat 't een kind met 't loopen.
In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen,
dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand
onderbewust is geworden in verloop van tijden.
De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke
verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.
Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke
verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt
er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is,
maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie
pag. 110).
Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.
Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken,
dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,
buiten uw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm,
een aanschouwingsvorm van den waarnemer.
We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van
welken aard zijn die andere dingen?
Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid,
de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.
Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar--op
grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met
practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er
zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de
lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij 't bewust leven
totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met
de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner's
Nanna herinnerd.
Het bewustzijn der planten.
Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in
hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich 't bewustzijn der planten
op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote
mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel
receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij
den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn
opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere
bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien
des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge van
prikkels der buitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan,
evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is
een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn? [59]
Aarde.
Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt 't
bewuste leven, tot haar gaat 't terug. Zou zij zelve niet bewust
zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen
zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld,
gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben,
zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner's theorie
vindt hier steun in Spencer's ontwikkelingsleer, zooals door Heymans
opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den
mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De
aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht--waken en
slapen, de kringloop van 't water--kringloop van 't bloed, enz. Maar er
is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en wat deze bezit,
behoeft zij niet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den
mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover
de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.
Wereld.
Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer
bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid
verbonden. Ten slotte is alles deel van één groot wereldbewustzijn. Men
heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven
een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En
Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt
steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar
weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter,
door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der
wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen
verheffen.
Godsdienst.
Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam
God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn
als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken
van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat
er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet
strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van 't monisme de
gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.
Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht,
om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is 't gebruik,
dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is
misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk
kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen
heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord
te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis
heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer
belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den
mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor 't
geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn
doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook
het diepe gevoel van saamhoorigheid met het geheel; en hij weet dat
hij mede verantwoordelijk is voor de toekomst, omdat zijn arbeid,
zij 't nog zoo gering, niet verloren kan gaan.
In deze leer vindt het onsterfelijkheidsgeloof ook een plaats. De
mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een
zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,
eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden [60].
Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken
met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van 't ook in I
gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar
overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.
De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en
zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).
Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter
ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).
Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd,
dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).
Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet
kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).
Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen
spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een
andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e. a.).
Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de
werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had
men het materialisme. (Hobbes, La Mettrie, Vogt etc.)
Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet
gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder--wat ook wel eens
gebeurt--met het lijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag
verward worden.
Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch
monisme de eenvoudigste verklaring is, eenvoudiger dan de andere
hypothesen, en een zeer geschikte werkhypothese.
"Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den
bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde
wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere
hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden
zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig" (Strong).
"De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere
ook" (Heymans).
INHOUD VAN DEEL II.
EERSTE AFDEELING.
KANT.
HOOFDSTUK I. Bladz.
LEVEN EN WERKEN 7
§ 1. Leven en persoonlijkheid 7
§ 2. Werken en Ontwikkelingsgang 12
De voor-critische periode. Preisschrift. Bewijzen
voor 't Godsbestaan.
§ 3. Werken en Ontwikkelingsgang 17
De Critische periode.
HOOFDSTUK II.
DE KENNISLEER 21
§ 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm 21
§ 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning 25
§ 6. Verstand en Zinnelijkheid 27
Kategorieën.
§ 7. Ziel, Wereld en God 34
Overzicht van de kritiek der zuivere rede.
HOOFDSTUK III.
PRACTISCHE FILOSOFIE 40
§ 8. Zedeleer 40
Autonomie. De goede wil. Legaal en Moreel. Rigorisme.
§ 9. Theologie 45
§ 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer 47
HOOFDSTUK IV.
SLOT 50
§ 11. Schoonheidsleer 50
§ 12. Kant's invloed 53
TWEEDE AFDEELING.
DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.
§ 13. Voorloopige Opmerkingen 57
HOOFDSTUK V.
FICHTE 60
§ 14. Leven en Werken 60
§ 15. Theoretische Filosofie 63
§ 15a. Practische Filosofie 66
Zedeleer. Rechtsleer. Huwelijk. Staat. Godsdienst.
Geschiedenis.
HOOFDSTUK VI.
SCHELLING EN ZIJN GEESTVERWANTEN 72
§ 16. Schelling 72
Natuurfilosofie. Identiteit. Theologie.
§ 17. Schelling's geestverwanten 76
Schleiermacher.
HOOFDSTUK VII.
HEGEL EN ZIJN SCHOOL 79
§ 18. Leven en Persoonlijkheid 79
§ 19. Methode 81
§ 20. Het systeem 84
Logica.
§ 21. Het systeem (vervolg) 87
De absolute geest. Schema van 't systeem. Kunst.
Godsdienst. Wijsbegeerte.
§ 22. Hegel's School 91
Strauss. Feuerbach. Bolland.
HOOFDSTUK VIII.
SCHOPENHAUER 100
§ 23. Leven en Persoonlijkheid 100
§ 24. Leer 109
Kennisleer. Verlossing. Kunst. Ethiek. Invloed.
HOOFDSTUK IX.
HERBART 115
§ 25. Leven. Metafysica.
Inleidende Opmerkingen. Leven. Uitgangspunt.
Tegenstrijdigheden. Oplossing. Psychologie. Ethica.
§ 26. Opvoeding. De Herbartsche School. 127
Samenvatting. De paedagogiek als wetenschap in
Nederland.
ALGEMEENE SAMENVATTING DER TWEEDE AFDEELING.
SCHEMA EN JAARTALLEN.
DERDE AFDEELING.
DE TIJD VAN HET POSITIVISME.
§ 27. Inleidende Opmerkingen 141
HOOFDSTUK X.
HET FRANSCHE POSITIVISME 147
§ 28. Inleiding 147
De psychologische School. Het autoriteitsbeginsel.
Cousin.
§ 29. August Comte 150
Leven en persoonlijkheid. De drie stadiën.
De indeeling der wetenschappen. Sociologie.
Godsdienst. Staat.
HOOFDSTUK XI.
HET ENGELSCHE POSITIVISME 163
§ 30. Inleidende opmerkingen 163
§ 31. Bentham. James Mill 165
§ 32. Thomas Carlyle 171
§ 33. John Stuart Mill 178
Leven en Persoonlijkheid. Logica. Het empirisch
standpunt. Causaliteit. Denkfouten.
HOOFDSTUK XII.
DE ONTWIKKELINGSFILOSOFIE.
§ 34. Historische opmerkingen 195
§ 35. Charles Darwin 198
§ 36. Herbert Spencer 206
Leven. Het onkenbare. De ontwikkelingsformule.
HOOFDSTUK XIII.
HET POSITIVISME IN NEDERLAND.
§ 37. Inleidende opmerkingen 222
Kort overzicht van de wijsbegeerte in de Nederlanden.
§ 38. Opzoomer 226
De Inaugureele oratie. De ervaringswijsbegeerte.
Zijn leerlingen.
§ 39. Multatuli 233
HOOFDSTUK XIV.
HET POSITIVISME IN ANDERE LANDEN 236
§ 40. De crimineele anthropologie
Lombroso. De Fransche School. Nederland. Aletrino.
§ 41. Het materialisme in Duitschland 242
Ontstaan en aard der leer. De groei der
natuurwetenschappen en der techniek. De denkers.
Moleschott. Vogt. Büchner.
ALGEMEENE SAMENVATTING VAN DE DERDE AFDEELING EN JAARTALLEN 249
VIERDE AFDEELING.
DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.
§ 42. Inleidende opmerkingen 257
De kentering. Het jaar '80 in ons land. Godsdienst,
staatkunde en literatuur. De verandering bij de
katholieken. Herleving der Thomistische wijsbegeerte.
De universiteiten. Wederopbloei van het idealisme.
De natuurwetenschappen. Maxwell. Mach. Wundt.
Herleving der Kantstudie. Lange. Cohen. Bellaar Spruyt.
v. d. Wijck.
HOOFDSTUK XV.
INDIVIDUALISME EN SOCIALISME.
§ 43. Inleidende opmerkingen 274
§ 44. Stirner 276
De jong-Hegelianen. De vrijen van Hippel.
§ 45. Nietzsche en de Moraal van den Übermensch 280
§ 46. Marx en het socialisme 294
HOOFDSTUK XVI.
HET PSYCHISCH MONISME.
§ 47. Fechner 300
Inleidende opmerkingen. F's leven en
ontwikkelingsgang. Experimenteele zielkunde.
Aesthetica. Aanhangers van 't monisme. Paulsen.
Strong. Heymans.
§ 48. Hoofdtrekken van het psychisch monisme 310
Het bestaan van een buitenwereld. Aard daarvan.
Het wereldbewustzijn. De godsdienstfilosofie
van 't monisme.
AANTEEKENINGEN
[1] Het is aanbevelenswaard, het met een toelichting te lezen. Die
van Vaihinger, voorzoover voltooid, wordt zeer geprezen.
[2] Dat is niet hetzelfde, als het er dikwijls mee gelijkgestelde:
Wat gij niet wilt, dat u geschiedt...
[3] Bij een anecdote spannen we ons eerst in om te begrijpen en zien
dan ineens dat er niets is. Vandaar ook, dat we om een niet dadelijk
begrepen anecdote na uitleg niet lachen: het plotselinge is er af.
[4] Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, "Die Romantische
Schule."
[5] Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep
over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en
verbeelding.
[6] Misschien komen hier de "Rechten van den Mensch" uit den tijd
der Fransche revolutie om den hoek.
[7] De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.
[8] Schopenhauer beschouwde het Christendom als pessimistisch, het
Jodendom als optimistisch.
[9] Ik weet niet, in hoeverre hier aan Schopenhauer's invloed of aan
verwantschap met hem gedacht moet worden, maar het is opmerkelijk,
dat in onze tegenwoordige literatuur het thema van de scheiding van
geestelijke en lichamelijke liefde, van drift en sympathie, veel
voorkomt. En ook de schildering van het "leed van den hartstocht"
ontbreekt niet. Vooral de namen van Marcellus Emants en den hem
geestverwanten De Meester zijn hier te noemen.
[10] In de ervaring is het enkele zelden gegeven. Bij nader
psychologisch onderzoek blijkt dikwijls, dat een schijnbaar
enkelvoudige gewaarwording samengesteld is. Een toon op een piano
heeft bijv. nog zijn bepaalde bijtonen, waardoor het timbre ontstaat,
dat een piano onderscheidt van een ander muziekinstrument.
[11] Schrijver der inleiding tot het Mierenboekje.
[12] De roman: Barthold Meryan van Cornélie Huygens geeft er een
aardig beeld van.
[13] In een Duitsch werk leest men: "Heden ten dage leest wel niemand
Comte's werken meer. Men vergenoegt zich met een goed betrouwbaar
overzicht."
[14] Beroemd historicus, schrijver van een warm boek over de Grieksche
geschiedenis, dat ook nu nog waarde heeft.
[15] Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld
heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes,
bijv. in David Copperfield.
[16] Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.
[17] Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen,
alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog
waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz
ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.
[18] Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de
Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.
[19] Het dagelijksch leven biedt van Mill's opmerking talrijke,
eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen
niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.
Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich ons openbaar
onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.
Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de
idee, dat socialisten "alles willen deelen" of anarchisten alleen
bommengooiers zijn.
[20] In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd
door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op
elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.
[21] Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in 't gegeven
denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan
Heymans: "Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens."
[22] Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. "Grootvader gaat
vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader
vertelt, rookt hij."
[23] Stel dat men bepleit, dat een drankzuchtig ambtenaar niet
ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt:
wat nut er in steekt een "dronken vent" te handhaven.
[24] Dit reisverhaal is verschenen in de Wereld-bibliotheek
nos. 63-66. De Galapagos eilanden worden beschreven in deel II,
Hoofdstuk XVII, pag. 285 v.v.
[25] Een meetkundige reeks is een rij van getallen, waarbij de volgende
uit de voorgaande ontstaan door vermenigvuldiging; terwijl dit bij
een rekenkundige geschiedt door optelling met een zelfde getal.
[26] De wet van Malthus blijkt niet door te gaan. De productie
blijft niet zoo achter bij den bevolkingsaanwas, en deze gaat niet
in een meetkundige reeks. Voor Nederland zie men bijv. "De Studies in
Volkskracht," onder redactie van L. Simons, waarin Dr. G. W. Bruinsma
schrijft: "De wet van Malthus, voor Nederland toegelicht" (Serie I,
no. 2).
[27] Foetus--nog niet geboren wezen.
[28] Men wordt hier onwillekeurig herinnerd aan 't geliefkoosde beeld
van onzen dichter Van Eeden: de uit donkere slijkmassa's opgroeiende
waterlelie.
[29] Een hoogst belangrijk onderzoek is daaromtrent ondernomen door
onze landgenooten, de hoogleeraren Heymans en Wiersma. Op denzelfden
voet zal dit nu in Schotland nagevolgd worden.
[30] Hierover schreef Dr. Wynandts Francken een Hollandsch werk. Over
de ontwikkeling van de straf schreef de Amsterdamsche hoogleeraar
Steinmetz (in 't Duitsch).
[31] Ik kan niet nalaten er attent op te maken, hoe dit denkbeeld
door Paulsen is opgevat in zijn: "Inleiding tot de filosofie," het
bekende werk, dat sedert 1892 14 drukken beleefde.
... Paulsen dan zegt (I, 2, 9):....
"Dit zou algemeen toegestemd worden, wanneer er geen bezorgdheid was,
dat er aan Gods Waardigheid iets te kort zou gedaan worden, wanneer
Hem het praedicaat van een persoonlijk wezen onthouden bleef. Er zou
dan slechts overblijven, hem een onpersoonlijk Wezen te noemen, en
daarmee zou hij in de rij der onder-menschelijke wezens gesteld worden.