"Hem drijft voort de verontwaardiging, die bijna een passie van

haat wordt tegen de thans nog heerschende maatschappij. Voor

't eerst bespeurt men in de geschriften van dezen socialist geen

enkel woord van liefde.... Hoonlachend beschimpt hij de gebreken

onzer tegenwoordige samenleving. Bittere humorist, spot hij met

de lijmerige lamlendigheid onzer grootheden. Zijn verontwaardiging

kiest telkens feller uitdrukkingen, want de passie van den haat die

hem drijft is niet in de eerste plaats een haat tegen personen, maar

een haat die opvlamt bij het vergelijken der bestaande werkelijkheid

met den nieuwen maatschappelijken vorm die zal komen. Zijn socialisme

resumeert zich dan ten slotte in een doordringenden kreet naar sociaal

recht." (Quack).

Deze merkwaardige man werd den 5den Mei 1818 te Trier geboren. Hij

behoorde tot een heel oude, geleerde rabbijnenfamilie; zijn vader

echter was advocaat. Karl voltooide zijn universitaire studies met

een dissertatie over Epicurus. Daarna ging hij in de journalistiek,

destijds een moeilijk vak voor een vrijzinnigen geest. Hij schreef

eerst uitsluitend over politieke kwesties, maar werd door deze tot

de maatschappelijke vraagstukken gebracht.

Den 4den Juni 1843 trouwde hij met Jenny, dochter van den baron

van Westphalen. In haar vond hij een liefdevolle, zelfopofferende

vrouw, die alles, smaad, vervolging en armoede met haar man heeft

gedeeld. Haar aristocratische afkomst merkte men het meest aan de

groote hoffelijkheid, waarmee zij de arbeiders, die aan Marx' tafel

kwamen, wist te behandelen.

Na de opheffing van zijn blad door de regeering--de redactie had hij

trouwens reeds eerder neergelegd--ging hij naar Parijs, waar toen

reeds vele Duitsche uitgewekenen leefden. Hij maakte hier kennis met

Engels, die hem in vele dingen zoo trouw ter zijde zou staan. Uit

Parijs gewezen--waar hij zijn standpunt tegenover de Jong-Hegelianen

had bepaald, wier speculaties hij verwierp (voor Hegel zelf bleef hij

steeds den grootsten eerbied koesteren)--ging hij naar Brussel, waar

hij zich aan ernstige studies wijdde. Het revolutiejaar 1848 bracht

hem terug. Hij redigeerde een tijdlang een blad te Keulen. Toen

de opstand bedwongen was, werd hem een proces aangedaan wegens

"hoogverraad." Vrijspraak volgde. De regeering gebruikte toen

een voorwendsel en zette hem het land uit. Marx vestigt zich te

Londen. Hier leidt hij de geweldige organisatie der Internationale

onder de leus, waarmee het door hem opgesteld Communistisch

manifest van 1850 besloot: "Proletariërs aller landen vereenigt

u." Hier in Londen werkte hij hard. Allereerst voor de pers en voor

't levensonderhoud. Verder verrichtte hij zuiver wetenschappelijken

arbeid. Vrucht daarvan was het in 1864 verschenen werk: "Het kapitaal,

1e deel." De latere deelen werden niet door hem, maar naar zijne

aanteekeningen uitgegeven. De Commune van 1871 sloeg de Internationale

uiteen. Marx bleef stil doorwerken te Londen: correspondeerende en

aan zijn boek werkende. Voor de Duitsche socialisten bleef hij een

trouw raadgever. Waar besluiten tegen zijn zin werden genomen, wist

hij te zwijgen, als dat noodig was.

In 1881 overleed zijn vrouw. Marx' laatste levensjaren waren

somber: bij het groote leed voegde zich lichamelijk lijden. Beide

verdroeg hij heldhaftig. Hij stierf 14 Maart 1883, zittende voor zijn

schrijftafel. Twaalf jaar later overleed zijn trouwe en trouwhartige

medewerker Engels.

Marx is voor de geschiedenis der wijsbegeerte van groote beteekenis

door zijn opvatting der geschiedenis. Zij is dezelfde als bij

Hegel en toch weer nèt andersom. Voor Hegel was de geschiedenis

de zelfontwikkeling der Idee. Alles wat was in natuur, staat en

maatschappij vormde een bepaalde trap van haar ontwikkeling. Marx

meent, dat Hegel deze ontwikkeling op den kop heeft gezet. Niet

de ontwikkeling der idee is primair. Wat er het eerst is, is de

productiewijze. De wijze van voortbrenging der aardsche goederen

bepaalt de ideeën van godsdienst, recht, zedelijkheid en kunst. De

productiewijze is de onderbouw, het andere de bovenbouw. Wentelt de

eerste, dan gaat het andere mee. Met zijn groote historische kennis

en zijn scherp critisch ontledend verstand spoort nu Marx van allerlei

veranderingen de economische basis op.

Elke periode, elk tijdvak van menschelijk samenleven heeft haar

eigen maatschappelijke verhoudingen, en in samenhang daarmee

haar eigen recht, godsdienst, kunst, zedelijkheid. Maar zoo'n

periode verandert. In de wereldgeschiedenis zelf werkt een

ontwikkelingsdrang, die met ijzeren noodlottige zekerheid naar

een nieuw tijdvak brengt. Zoo heeft de oudheid moeten wijken voor

de middeleeuwen, deze zijn veranderd in den nieuwen tijd, waarin

de kapitalistische productiewijze heerscht. De werkgever ontvangt

arbeid van den arbeider. Deze verkoopt dien voor minder dan zijn

waarde is. De kapitalist nu geniet de meerwaarde van den arbeid

zijner werklieden. Het kapitaal hoopt zich op. Het proletariaat

vermeerdert. De middenstand verdwijnt. Zoo komen er twee groote

klassen tegenover elkaar te staan: de kapitalisten en de proletariërs,

de onteigenaars en de onteigenden.

Verzoening tusschen deze beide is niet mogelijk: er is een strijd

van belangen. De klassenstrijd bestaat. Marx predikt dien niet. Hij

constateert hem. Hij brengt de menschen tot bewustzijn van zijn

bestaan. In dien strijd zal het proletariaat overwinnen. De

onteigenaars van nu, die de producenten van hun productiemiddelen

gescheiden hebben, zullen onteigend worden. Maar niet door bloedige

revoluties, straatlawaai en opstootjes moet die strijd worden

gestreden. Volgens de ontwikkelingswet der maatschappij komt die

tijd toch. Het eenige wat gedaan kan worden, is het proces een

beetje verhaasten. Bij de geboorte der nieuwe maatschappelijke

verhoudingen kan men de diensten van den verloskundige bewijzen. De

moeielijkheden van den overgang, de revoluties, zijn de barensweeën

der nieuwe faze. Men moet zich niet verlustigen in utopistische

schilderingen van den toekomststaat: die komt volgens de vaste wet

der ontwikkeling. En met de wenteling van den onderbouw komt ook de

verandering in den bovenbouw: een nieuwe zedelijkheid, een nieuw recht,

een nieuwe kunst komt.

Zoo komt een schoone tijd, waarin organisatie van arbeid is,

gemeenschappelijke voortbrenging, gemeenschappelijk eigendom van al

wat voor die voortbrenging noodig is.

De leer van Marx, het historisch-materialisme, vond vurige

aanhangers. Zij gaf een formule voor het verklaren van tal van

verschijnselen. Zoo werkte ze wetenschappelijk. Zij wees den weg voor

de practijk. Zoo werkte ze practisch.

Natuurlijk wekt ze ook verzet. Van den kant der "burgerlijke

ideologen". Zoo schreef ten onzent Treub een critiek op het

economisch-wijsgeerig stelsel van Karl Marx. Maar ook in 't eigen

kamp. Er kwamen er, die meer wilden doen voor de dadelijke verbetering

van 't lot van den arbeider, die misschien minder vertrouwden op de

noodzakelijke komst der nieuwe maatschappij. Dat "revisionisme" vond

ook in ons land aanhang. Volgens sommigen dreigt het als splijtzwam

in de sociaal-democratie, die ten onzent, in v. d. Goes, Gorter,

Henriette Roland Holst-v. d. Schalk e. a. nog steeds haar overtuigde

Marxisten vindt.

Ook scheidde zich de wijsgeerige levensbeschouwing van Marx van het

socialisme. Wij wezen op Civitas, op de Blijde Wereldgroep, op de

Christen-socialisten.

Zij allen schijnen aan te toonen, dat men, op den bodem eener andere

levensbeschouwing dan die van het historisch-materialisme staande,

toch in staatkundig en maatschappelijk opzicht voorstander zijn kan

van een socialistische gemeenschap.

HOOFDSTUK XVI.

HET PSYCHISCH MONISME.

§ 47. Fechner.

Inleidende opmerkingen.

Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte

een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn

bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd

van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht

wijdden aan vraagstukken, welke 't meerendeel hunner tijdgenooten

geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste

plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer

en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit

gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van

het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het

bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een

product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat

het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke,

dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander

vertoont. Een zelfde proces is "van binnen gezien" geestelijk, "van

buiten" stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner

breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch:

er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naam

psychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme). Alles wat

bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den

naam panpsychisme.

Fechner's leven en ontwikkelingsgang.

Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende,

verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor

zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn

gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde

studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek,

in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als

Helmholz (vg. II, blz. 230). Hij was doctorandus in de geneeskunde,

maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook

niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde,

die toen begon te bloeien.

In 't bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen

op 't gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist

hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en 't

schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij

hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen,

was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed

hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren

zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie

jaren. Zij werd beslissend voor Fechner's leven. Soms was hij op den

rand van 't graf en scheen hij blind, verlamd en krankzinnig te zullen

worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling

gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan

zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen,

als hij 't uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was

hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner

zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner

begeerde 't ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting

aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft

hij over 't hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische

zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke

hoeveelheid lust te verkrijgen. Die lust moet echter die van het

geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze

zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan

de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste

mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste

geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods

in overeenstemming gebracht hebben.

Belangrijker voor den opbouw van Fechner's leer is het in 1848

verschenen werk: "Nanna, over het zieleleven der planten." Met zeer

rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht

Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven

toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat er al-bezieling

is. In de "Zend Avesta" van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de

latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in

kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling

door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelsel met

zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid,

waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf

vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige

sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer

overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.

Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds

eerder had geschreven in zijn werkje: "Boekje van het leven na den

dood" (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder

hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in

tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een

kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing

ontvouwd in: "De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing." (Die

Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de

beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode,

mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.

Experimenteele zielkunde.

Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de

vader der proefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment

in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den

"onderscheidsdrempel." Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We

zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een

lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet

minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil

wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van

den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere

zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, dat de verhouding tusschen twee

prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn, standvastig

is. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend

groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van

102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor

geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde,

naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent

dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over

't geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die

wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter

met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die

de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der

gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook [53] doch volgens de meeste

zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.

Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de

door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de

grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door

physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks

was. In 1860 verschenen "de Elementen der psychophysica", en nadat dit

werk uitverkocht was, kwam in 1882 "Herziening van de hoofdpunten der

psychophysica." Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.

Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke

verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele

zielkunde. Zij stelt proeven in bij een aantal proefpersonen,

onder zoo nauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we

een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in 't algemeen een kind van 10

jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters:

medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde

wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten

herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die

letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het

gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden

een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom

ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich

vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste

groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins

tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet

had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld

laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde

beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans [54], die weldra

over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium

zal te beschikken hebben.

Aesthetica.

Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn

aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en

kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor

ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring

uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren

uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren

samenstellen, die ze 't mooist achtten. Eveneens paste hij nauwkeurige

metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica

grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand,

een schoonheidsleer, "van onderen", zou worden in tegenstelling met

eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden,

een aesthetica "van boven af." Naast formeele elementen (eenheid in

verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij

't mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De

indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal

van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in 't

bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen

nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op

de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht,

rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het

andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls

op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn

"Voorschool der Aesthetica", die geen volledige schoonheidsleer geeft,

maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het

werk verscheen in 1876.

Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het

daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was,

door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar

werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen

leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887

overleed hij.

Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde

persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het

geduld van den natuuronderzoeker paarde hij de rijke fantasie en

het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom,

eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar

verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten

en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt

als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing:

"In God leven, bewegen en zijn wij."

Aanhangers van 't monisme.

Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans

levenden vele aanhangers.

Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen. [55] Deze bekende

Berlijnsche hoogleeraar schreef een "Inleiding in de wijsbegeerte,"

waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een

geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op 't standpunt van 't

psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie

en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als

in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij

schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner,

die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer

reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud

zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers

gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot

't monisme geprezen. Ook zijn "Systeem der ethica" verwierf veel

waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal

vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige

kwesties toonde Paulsen mede veel belangstelling, met name voor de

geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II, 132).

In Amerika vond het monisme zijn verdediger in Strong, die in 1900

zijn werk uitgaf: "Waarom de geest een lichaam heeft" en vooral van

kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij

verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van

Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de

verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een

groote overeenkomst met Heymans. Deze gaf in 1905 zijn "Einführung

in die Metaphysik." Na de verschillende stelsels critisch beschouwd,

en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch

monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch

standpunt op den voorgrond.

In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: "Gesetze

und Elemente des Menschlichen Denkens," Tweede druk, Leipzig 1905)

heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt,

dat Kant naar Heymans' opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij

't analytische zou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong

onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting

waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geen voldoende

grond voor sommige gegevens van 't bewustzijn en nu trachtten zij

die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume's

verklaring van 't causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee

echter was zekerheid onzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over

de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had

de voorwaarden bestudeerd, waaronder iets tot wetenschap werd (zie

II, pg. 319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen

iets waar, als het aan de voorwaarden voldoet, dat het een gepaste,

behoorlijke verbinding is. Die gepastheid dringt zich aan ons op. Maar

of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover

laten wij ons niet uit.

Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór

1770 innam, wil allereerst trachten den inhoud onzer denkaxioma's te

leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek

der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze

analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch

onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot

kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische

onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte

waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming

is met een buitenbewuste werkelijkheid.

We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde

beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn

onderzoekingen [56] bewogen.

In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde

der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd

en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hem speciale

psychologie genoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen

en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een

indeeling in achten van karakters tot stand te brengen. Voor zoover

schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel

[57] maar in het werk van Mr. v. Dijk: "Bijdragen tot de psychologie

van den misdadiger" vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.

§ 48. Hoofdtrekken van 't psychisch monisme.

Er is een buitenwereld.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 18 / 20 段