Nietzsche's filosofie wordt gedragen door, is éen met zijn

persoonlijkheid. Hij is het tegendeel van Spencer. Hij is

subjectief in de hoogste mate. Hij is een denker, hij is grooter

kunstenaar. Krachtig, levendig, sterk, diep is zijn gevoel. Het is

niet het weeke, overvloeiende zachte gevoel van Rousseau, het is

geweldig, forsch. Nietzsche is hartstochtelijk--maar zinnelijkheid

is hem vreemd. Teedere vriendschap heeft hij voor vrouwen gevoeld:

nooit een heerlijke, overweldigende liefde [52]. Bijzonder ook hechtte

hij o. m. aan "krachtige vriendschap." Hij had echter zijn vrienden

niet lief, maar het ideaal, dat hij zich naar hen vormde; en bleek

dan later, dat hij had mis-gezien, dan verliet hij zijn vrienden:

zijn eerlijkheid verbood hem te blijven. 't Pijnlijkst is dit gebleken

uit zijn breuk met Richard Wagner. Nietzsche was dus niet de eenzame,

van menschen afkeerige natuur, waarvoor men hem heeft gehouden. Hij

werd door zijn gruwelijk lijden vereenzaamd. Hij was in den omgang

uiterst hoffelijk, en al wat voornaam was, had zijn sympathie. Het

burgerlijke, het platte, stootte hem af. Geestelijke of stoffelijke

slordigheid, vuilheid, gemeenheid waren hem onduldbaar. Verbazend

sterk was zijn lust tot arbeid en onbuigbaar zijn wil. Vele zijner

werken werden geschreven met een minimum van kracht. Zijn hevig

lijden genas hem van een pessimistische wereldopvatting: hij wilde

"ja" zeggen tegen het leven en hij verdroeg. Eigenlijk bestuurde maar

één passie zijn leven: hij wìlde de waarheid, of liever hij wilde

zoeken, wat hèm waarheid was. Hij heeft dat doel nagejaagd met schier

onbegrensde energie. Hij heeft alles doorzocht, elke gedachte tot het

einde durven doordenken, onder misschien zoo hevig geestelijk leed,

als niet door een ander kan worden bevroed. Hartstochtelijk heeft hij

gezocht tot wel zijn verstand, niet zijn wil gebroken was. Men eert

Nietzsche niet door hem te prijzen of hem te beklagen; lof heeft hij

afgewezen, en medelijden, tegenover een hoogstaande geuit, heeft hij

zelf steeds een onkieschheid gevonden.

Men heeft gevraagd: zijn Nietzsche's werken niet de werken van een

waanzinnige? Er is zelfs beweerd: zij zijn geschreven tusschen

de verblijven in krankzinnigengestichten in. Het laatste is

beslist tegengesproken. Het eerste moet waarschijnlijk ontkend

worden. Ongetwijfeld is er een ziekelijke trek in Nietzsche. Hij

schiep zijn werken als in geestvervoering. Gedachten stroomden hem

toe. Allerlei beelden drongen zich op. Alles ging licht en als met

ingeving, als in een scheppingsroes. Het komt bij meer kunstenaars

voor. Misschien mag zoo'n korte tijd van krachtig-scheppend leven meer

van zijn gestel gevraagd hebben, dan hij kon verdragen. Er is hier aan

een ongelukkige wisselwerking te denken. Zijn snel, geestvervoerend

produceeren bevorderde zijn periodes van zwakte; hoe vaker deze kwamen,

hoe minder zelfbedwang en matiging hij dan weer had bij 't werken en

hoe grooter de op den arbeid gevolgde uitputting.

Maar zelfs in 1888 gevoelt hij zich gezond. Hij schreef, dat zijn

hoofd helder was, zijn pols kalm (60 slagen), zelfs de duizeligheid

van de koorts kende hij niet. De waanzin brak ook nog betrekkelijk

plotseling en onverwacht uit. Had een beroerte een eind aan zijn leven

gemaakt, vóór hij zielsziek werd (de beroerte, waarop hij soms hoopte)

dan zou men er denkelijk nooit aan gedacht hebben in zijn werken de

voortbrengselen van een krankzinnige te zien.

Werken en Ontwikkelingsgang.

Nietzsche heeft zich steeds beziggehouden met de vraag: Wat is de

waarheid in de kultuur? Wat is de groote waarde in de beschaving? Hij

is begonnen met de kunst als zoodanig te beschouwen. Hij verliet haar

en meende nu aan de wetenschap en de kennis de grootste beteekenis

te moeten toeschrijven. Maar dit is slechts een overgangsstadium. Hij

keert tot zijn oude liefde terug. Hij wordt weer kunstenaar en schept

het schitterende symbool van Zarathustra, die den Übermensch predikt,

die een andere rangorde geeft aan de levenswaarden, die het medelijden

en 't christendom wil bannen. Elk dier perioden heeft haar eigen

werken. Gaan we, alvorens de eigenlijke kern der leer van Nietzsche

te behandelen, enkele dier werken na.

Hij maakte zich bekend door zijn werk: "De geboorte der tragedie";

hij voer voort door zijn "Niet-actueele beschouwingen" (Unzeitgemäsze

Betrachtungen). Hij begint met zich tegen David Strauss (zie 93)

te kanten. Strauss is het beeld der verwaande middelmatigheid, die

alles, wat niet in haar kraam past, ongezond noemt. Strauss is het

type van den burgerlijken philister, die heenglijdt over de diepste

vragen van wereld en lijden en 'n luchthartig optimisme kweekt. Het

is een der scherpste strijdschriften van Duitschland. Hoe geheel

anders is de toon, die klinkt uit de vierde beschouwing: "Wagner in

Bayreuth." Nietzsche had vriendschap met Wagner gesloten in 1869

en had den musicus, die toen in Tribschen woonde, herhaaldelijk

bezocht. Er was een groote innigheid en vertrouwdheid ontstaan. Toen

het theater te Bayreuth zou worden opgericht, dacht Nietzsche er een

oogenblik aan, zijn professoraat neer te leggen en door lezingen het

werk van Bayreuth te steunen. Hij woonde de schitterende feesten in

Bayreuth bij ter gelegenheid van de eerste steenlegging, hij was in

1876 bij de uitvoering der trilogie. En toen begon zijn geloof in

Wagner een knak te krijgen. En terwijl hij reeds gevoelde, dat niet

blijven kon wat geweest was, schreef hij zijn geestdriftig vereerend

"Wagner in Bayreuth." Wagner had door een daad getoond, muziek en

poëzie te kunnen vereenigen, de wijsheid uitte zich bij hem in den

concreten vorm der kunst, hij had het Grieksche treurspel in zijn

muziekdrama doen herleven, de opvoering van 1876 was een gebeurtenis,

die op allerlei gebied gevolgen na zich zou sleepen.

Zoo lofzong Nietzsche. Maar... hij verliet Wagner en Bayreuth

ontmoedigd. Eerst onthield hij zich van uitingen in 't publiek; pas

later kwam hij er toe, om uitvoerig en scherp te schrijven. Wagner

is geen vernieuwer meer voor hem, slechts een handig navolger, die

uit allerlei elementen der 19de eeuw iets schijnbaar nieuws heeft

getooverd, dat echter geen groote innerlijke waarde heeft.

Tusschen deze beide niet-actueele beschouwingen staan er andere:

over de geschiedenis, haar voor- en nadeel voor 't leven, en over

Schopenhauer als opvoeder. Geschiedenis kan haar nut hebben. Waar

zij den mensch met eerbied vervult voor 't groote, dat het verleden

opleverde, sterkt zij, en wekt op tot hooger opvoering van het

menschelijk ideaal. Zoo zij van een schoonen voorbijgeganen tijd

spreekt tot hen, wier eigen tijd droevig en leelijk is, kan zij dat

heden verfraaien met illusies van 't verleden; waar zij komt tot

hen, die gebogen liggen onder een last van dat verleden, kan zij,

door te leeren dat alles voorbijgaan moet, dien druk afnemen. Maar

zij beteekent niets voor het werkelijke leven, wanneer ze komt met de

aanspraken eener objectieve wetenschap, die de waarheid in zichzelf

heeft. Geschiedenis moet steeds persoonlijk zijn. Alleen door hen, die

de toekomst zien en meemaken, kan geschiedenis geschreven worden, wijl

het groote van het verleden door hen begrepen wordt. De geschiedenis,

niet opgevat als zooeven geschetst, vult het hoofd met een groot aantal

nuttelooze feiten. Zij wekt bovendien het krachtverlammend gevoel,

dat men slechts tot de epigonen, navolgers behoort; ze ontneemt ons

iets van onze oorspronkelijke scheppingskracht.

De geschiedenis kan bovendien een luchthartig optimisme bevorderen:

zij kan het succes van de ruwe daad prediken. En eigenlijk is toch

alleen die mensch gróót, die zichzelf geweest is. Reeds hier doemt de

theorie van den Übermensch op. Er zal volgens Nietzsche een tijd komen,

dat men niet langer eene geschiedenis der menschheid zal schetsen,

maar alleen rekening zal houden met de alleenstaande individuen. "Zij

volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang,

maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten, dank zij de

geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals

die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven; de

eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der

eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen,

die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten

hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken

tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte

van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der

menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop--het ligt in de

meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht."

Boven de geschiedenis stelt Nietzsche kunst en godsdienst. Zij

zijn niet on- maar overhistorisch. Deze opvatting herinnert aan

Schopenhauer. Diens werken waren Nietzsche bij toeval in handen

gekomen, en toen hij eenmaal iets van den grimmigen wijze gelezen

had, besloot hij geen bladzijde ongelezen te laten. In Wagner had

hij den kunstenaar gezien, in Schopenhauer zag hij den wijsgeer,

die der moderne beschaving den weg kon wijzen. Zoo schildert hij

Schopenhauer als opvoeder. Hij prijst hem als een vrijen man, die moed

houdt, stout, eerlijk, als bijna niemand. De mensch naar Schopenhauer

draagt heldhaftig het lijden der wereld. Niet door illusie laat hij

zich verblinden, hij ziet het kloekmoedig in de oogen.

Nietzsche's geschrift over Wagner was eigenlijk de laatste toon van

zijn liefde, de stervenszang: met de beschouwing over Schopenhauer ging

het eveneens. Nooit geheel was Nietzsche leerling van Schopenhauer. En

weldra verzette hij zich tegen het pessimisme. Hij wilde niet neen, hij

wilde ja, volmondig ja zeggen tegen het leven. Eerst had hij ja tegen

het leven willen zeggen, omdat het schoon was: de kunst was waard,

gediend te worden. Nu komt de tweede periode: de dienst der wetenschap.

Gewijd aan de nagedachtenis van Voltaire verscheen een verzameling

aphorismen in 1878, een werk voor vrije geesten onder den titel:

"Menschliches allzumenschliches." Hier komt hij dichter bij de

Aufklärung. Vroeger, in de geboorte der tragedie, was Socrates hem

het type geweest van dien nuchteren philister, die den heerlijken

schoonheidszin der Grieken vijandig was. Thans komt er waardeering

voor Socrates. Het Engelsche utilisme gaat niet geheel en al zonder

waardeering uit. Kennis, Verlichting! De waarheid is het eenige goed,

waarvoor geen offer, zelfs dat der menschheid, te groot is. Maar een

streng wetenschappelijke methode past toch niet bij Nietzsche. Hij

wil liever intuïtief raden dan verstandelijk logisch afleiden. Hij

zocht de avonturen der kennis. Hij wordt kunstenaar in de wetenschap.

"Door de ontgoocheling over Wagner en de kunst werd Nietzsche de

wetenschap toegevoerd. Hij vluchtte tot haar, om voor zich zelf

te vluchten. Daarbij merkt men den dwang, dien hij zichzelf moest

opleggen. De moeilijk getemperde gloed zijner hartstochtelijke ziel

is nog in de koelste zinnen, die hij zich zelven weet te ontwringen,

te gevoelen, en door de vijandigste wendingen tegen de kunst en de

kunstenaars komt zijn slechts met geweld bedwongen heimwee naar de

oude "dierbare illusies" gluren. Te midden der scepsis tegenover

de kunst is hij kunstenaar gebleven; slechts het voorwerp, dat hij

artistiek behandelt, is een ander geworden. Zooals vroeger tegenover

het werk van Wagner, zoo is hij nu tegenover de wetenschap dichter. Hem

trokken de aesthetische zijden der kennis aan: hij geraakte over de

volstrekte zekerheid, de strengheid der wiskunde, der werktuigkunde

in verrukking." (Riehl).

Waar zoo de wetenschappelijke methode inging tegen zijn overtuigingen,

daar is 't niet te verwonderen, dat hij haar verliet. Eenmaal

spotte hij: "dat zijn geen vrije geesten: zij gelooven nog aan de

waarheid." Wie het geloof aan de waarheid opgeeft, geeft het vertrouwen

in de wetenschap op.

Zoo breekt de derde periode aan, die de eigenlijke leer, als er bij

dezen denker van een leer gesproken mag worden, zou brengen.

In "Aldus sprak Zarathustra" wordt dat gegeven in hoog-artistieken

vorm, in symbolische inkleeding. Het is zijn hoofdwerk en hij,

die het in heel korten tijd, in geestvervoering schreef, heeft het

gevoeld en geuit, dat het een máchtig werk was. In wat hierna komt

is misschien minder zelfbedwang, meer oratorie. Bovenmate bitter en

honend wordt de uitdrukking soms. Nietzsche heeft er zelf eens op

gewezen, dat hij er van hield de sterkste dingen sterk te zeggen,

en men dus wel deed, zijn gezegden iets zwakker op te vatten. Vooral

de werken van 1888: "De Antichrist" en "De wil tot macht" vertoonen

die teekenen sterk. Minder is dat het geval met zijn "Genealogie der

Moral". (Afstamming der zedeleer).

Nietzsche's leer.

De kernpunten van Nietzsche's leer zijn: het aantoonen van het verval

der tegenwoordige beschaving door kuddemoraal en levensontkenning,

het komen der nieuwe cultuur door den Übermensch, de noodzakelijkheid

van een verandering in de rangorde der waarden, het geloof aan den

eeuwigen wederkeer der werelden.

Behandelen wij elk kortelings.

Onze tegenwoordige cultuur is een cultuur van ontaarding. De menschheid

verslapt. Zij is in het diepst van haar wezen pessimistisch. Zij

heeft geen levenswil en levensmoed. Zij zegt neen tot het leven. Haar

godsdienst, haar wijsbegeerte is de leer van het medelijden. Men moet

met anderen mede-lijden. De zedeleer, ook van Schopenhauer bereikt

haar toppunt in: Beleedig niemand, steun, zooveel gij kunt. Niemand

zoekt meer zichzelf te zijn, de een wil op den ander steunen, om het

gemakkelijk te krijgen. Er moet het geluk komen der kudde in groene

weiden, waarin ieder gelijk is. Er heerscht slavenmoraal.

Stellen wij een lijst op van dingen, die ons waardevol toeschijnen,

dan komt daarop het medelijden bovenaan, de rechtvaardigheid. Wie

machtig is, en anderen aan zich onderwerpt, is de booze. Het oude

Romeinsche rijk had een betere leer, het erkende de macht. Maar

het Christendom, uit het Jodendom voortgekomen, heeft zijn bange

kruipende, bevende slavenmoraal aan de wereld opgedrongen, heeft

die door Luther's Hervorming nog eenmaal doen zegevieren, toen de

renaissance het fiere zelfgevoel weer ten troon hief. Wat noodig is,

is de rangorde der waarden veranderen. Het medelijden moet onderaan,

de machtsuitoefening bovenaan. Verwerp toch het medelijden: het

vermeerdert de som van lijden in de wereld; het is den groote, die een

masker zoekt, waaronder hij zijn lijden mag verbergen, een beleediging,

het is hem een onkieschheid. Aanvaard de smart. Nietzsche zelf heeft

zijn gruwelijk lijden in de oogen gezien. Hij heeft het pessimisme

àl de feiten toegegeven, waarop het zich beroept, maar hij heeft er

een andere gevolgtrekking uit gemaakt. Hij heeft er door geleerd,

zich niet te buigen, zich niet te vernederen, het leven te dragen,

te aanvaarden. Hij wilde wat was, en door dat te willen, werd hij heer.

Komen moet de Übermensch. De mensch van nu is slechts een brug

tusschen dier en een hoogeren levensvorm voor den mensch. Waarom

zou de ontwikkeling niet een nòg hooger type kunnen voortbrengen,

dan de tegenwoordige mensch is? O, de Übermensch, zooals die ons in

Zarathustra geteekend wordt, zal sterk zijn en krachtig! Eenzaam

is hij: slechts weinigen verstaan hem. Hij weerstaat alle

verzoekingen. Zijn medelijden zelfs voor die hem 't meest ontroert,

overwint hij. Wat is de stelregel van zijn deugd? Het goede wordt

met het sterke, het slechte met het zwakke gelijk gesteld. Wat is

goed? Alles, wat het gevoel van macht, den wil tot macht, de macht

zelf in den mensch verhoogt. Wat is slecht? Alles, wat uit zwakheid

voortkomt. Wat is geluk? Het gevoel daarvan, dat de kracht groeit,

dat een tegenstand overwonnen wordt.

De Übermensch heeft een zwaar leven. Hij heeft het verdragen,

niet langer aan God te gelooven, hij heeft een diepen blik in alle

leed. Men moet er zich wel voor hoeden, te meenen, dat de moraal

van den Übermensch voor allen geldt. Zij is slechts een leer voor

weinigen, niet voor de "veel te velen." Klagend wordt gevraagd,

waarom zij, die het niet kunnen, het ook zoo zwaar zullen hebben? De

omzetting aller waarden beteekent vooral geen loslaten van alle

hartstochten. Zeker, er is, naast de slavenmoraal een heerenmoraal

(volgens Nietzsche de zedeleer van twee rassen). De mensch der

wildernis "het blonde beest" oefende zijn macht uit, had kracht. Maar

evenmin als Rousseau, de apostel der natuur een eenvoudigen teruggang

tot den natuurstaat verkondigde (I, 347) wil Nietzsche tot dat blonde

dier terugkeeren. De heerenmoraal van nu is niet de vrijbrief voor

allen hartstocht. Nietzsche is op dit punt zeer misverstaan. Velen,

die ongetwijfeld door hem tot de "veel te velen" zouden gerekend

zijn, meenden als "Übermensch" smadelijk te moeten neerzien op de

kuddedieren en in Nietzsche's leer een vrijbrief voor ongebondenheid te

vinden. Misverstand! Uitdrukkelijk zegt hij, dat hij, maar op gansch

andere gronden dan tot dusver, sommige dingen voor goed en andere

voor kwaad houdt, die men ook zoo acht, en zeer stellig waarschuwt

hij tegen het loslaten van den teugel der passies.

"Nog zijt gij niet vrij, gij tracht nog naar vrijheid. Gij wilt in

de vrije hoogte, naar de sterren dorst uwe ziel. Maar ook uw slechte

driften dorsten naar vrijheid. Uwe wilde honden willen in de vrijheid,

zij blaffen van begeerte in hunnen kelder, wanneer uw geest alle

gevangenissen tracht te openen. De bevrijde van geest moet zich nog

reinigen; rein moet nog zijn oog worden."

Het is duidelijk, dat Nietzsche met de tegenwoordige richting

van den staat geen vrede kon hebben. Van democratie heeft hij

een afkeer. Het christendom met zijn gelijkheid voor God heeft de

democratie bevorderd. Ja, zelfs in de natuurwetenschap, met haar

zucht om vaste wetten op te stellen, waaraan alles gehoorzaamt, zit

die zucht naar gelijkheid. Het socialisme, dat een maatschappelijke

inrichting wil, waarin minder strijd en zorg zal zijn, is misschien

de dood voor het ontstaan van groote mannen.

"Slaat men niet het oog op het welzijn van een enkele, maar op het doel

der menschheid, dan is het zeer de vraag, of in dien georganiseerden

toestand welke het socialisme eischt, even groote gevolgen der

menschheid kunnen ontstaan, zooals de ongeorganiseerde toestanden

voor het verleden ze opgeleverd hebben. Waarschijnlijk groeit de

groote mensch en het groote werk in de vrijheid der wildernis. Andere

doeleinden dan groote menschen en groote werken heeft de geschiedenis

niet."

Herhaaldelijk ontmoetten wij Nietzsche's afkeer van 't

christendom. Toch begon hij met christen te zijn. Wat hem in 't

christendom tegenstaat, is zeker ook geweest de groote klove tusschen

leer en levenspractijk, maar vooral het prediken der naastenliefde,

het intoomen der kracht. Nietzsche's geringe historische zin mag

er toe bijgedragen hebben, om hem de beteekenis van 't christendom

te doen onderschatten. Vooral in "De antichrist" heeft hij geen

woorden genoeg, om het te geeselen, te brandmerken. Toch is hij een

religieuze natuur. Er zit godsdienstige stemming in zijn gemoed, in

zijn werken. Zijn godsdienst zelve heeft hem tot atheïst gemaakt. De

Übermensch vervangt nu het ideaal. Blijft op aarde, mijn broeders,

raadt Zarathustra aan. En hij beseft nu hoe onmetelijk driest het

loochenen van Gods bestaan is. "Het Heiligste en Machtigste, dat de

wereld bezat, is onder onze messen doodgebloed. Is de grootheid dezer

daad niet te groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot Goden worden,

om harer slechts waardig te schijnen." Sterk moet hij zijn, die 't

Godsgeloof heeft opgegeven. Zoo hij er géén gewin uit weet te maken,

een voortdurende overwinning, dan is 't een groot verlies. Nietzsche's

atheïsme is niet van platten aard noch goedkoop. Het is de vrucht

van een felle zieleworsteling.

Naar hij meent, door hem zelf gevonden, maar een aansluiting bij de

oude Grieken, is Nietzsche's geloof aan den eeuwigen wederkeer. De som

der krachten is bepaald, heeft een zekere grootte. Eveneens dus het

aantal combinaties, dat ontstaan kan uit de werking der krachten. Hoe

groot het aantal dier samenstellingen ook mag zijn, het is bepaald. De

tijd is oneindig. Na verloop van tijd kan dus eenzelfde combinatie

terugkeeren. En met noodzakelijkheid vloeit daar dan uit voort,

dat alle andere combinaties weer eveneens ontstaan. Alles, wat

is, keert dus weer, net zoo, als 't geweest is, tot in eeuwigheid

toe. Het geheele leven is niets dan een zandlooper, die om en om

wordt gezet. Deze leer flitste als een bliksemschicht in Nietzsche's

gedachten op, toen hij vertoefde in Maria Sils (Augustus 1881). Hij

is in haar blijven gelooven. Zij scheen hem overweldigend. Als ons

leven steeds weer zóó terugkwam, als het is, dan rijst de vraag,

òf wij dat willen. Of wij, eeuwig opnieuw, elk moment weer zullen

doormaken? Ook hier heeft Nietzsche ja gezegd. Hij heeft zich zoo

sterk gemaakt dat hij ja zegt: ik wil een beteekenis geven aan mijn

stukje leven. "Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel,

waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgekomen,

waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat eenmaal wellicht

den Übermensch zal voortbrengen" (Lichtenberg). Te middernacht, als de

oude torenklok slaat, heeft Zarathustra zijn metgezellen overtuigd,

hij heeft hen doen begrijpen, dat smart het losgeld is om 's levens

schoonheid te begrijpen, en in raadselachtige verzen openbaart hij

nu de eeuwige wederkeer:

't Wee roept: verga.

Maar alle lust wil eeuwigheid.

Wil diepe, diepe eeuwigheid.

Een school heeft Nietzsche niet gesticht. Hij kon die niet

stichten. Hij vond lezers, hij vond vereerders. Hij werkte diep in op

de 19de eeuw, hij doet het nog op de 20ste. Niet alleen dat hij den

Duitschen stijl zoo schoon maakte is zijn verdienste, maar hij bracht

ook tot denken, hij verscherpte problemen. Zijn prediking van harde

mannelijkheid, flinkheid en stevige wilskracht mag groot nut gedaan

hebben in een tijd, waarin zooveel gebrek was aan energie en moed. Zijn

eigen, mannelijk, kloek het lijden-dragend leven, geeft waarde aan

zijn prediking, om het leven niet te ontkennen, maar te bevestigen.

Opm. Van de Hollandsche werken over Nietzsche vestig ik de aandacht op

het stuk van prof. Van der Wijck in Mannen en Vrouwen van Beteekenis,

op de inaugureele oratie van prof. De Boer: Nietzsche en de Wetenschap

en op het heldere werk van Lichtenberger: Nietzsche's filosofie,

vertaald door Mevrouw François-Mertens (v. Looy's internationale

bibliotheek). Onder de Duitsche werken dient allereerst genoemd Riehl:

Nietzsche. (Frommans Klassiker. No. VI).

§ 46. Karl Marx.

Welk een man! Wijsgeerig denker, staathuishoudkundige, onvermoeid

arbeider, organisator en tacticus, zelfopofferend en voor een beginsel

een moeilijk leven vol toewijding levend, toch scherpe en bitter

hatende persoonlijkheid. Zeldzame vereeniging van velerlei talenten,

die de incarnatie is geworden van het socialisme der 19de eeuw.

"Tot hem convergeert dan ook geheel de beweging van het

collectivistische socialisme van onze eeuw. Hij nam al die aanklachten,

al die grieven, al die uitingen van ergernis, al die pogingen om tot

rechtvaardiger inrichting der maatschappij te komen, al die aanloopen,

al die plannen, al die voorstellen van sociale hervorming, die in de

richting eener organisatie der gemeenschap gedurende de eerste helft

der negentiende eeuw aan het woord kwamen, in zich op. Hij verwerkte

ze tot een vast aanéénsluitend systeem. Het werd een ontzettend en

vlammend programma, dat hij aldus ontrolde, moeilijk en zwaar te

begrijpen voor de verstandigen en verlichten onzer eeuw, maar uiterst

verstaanbaar voor de onderdrukten en ellendigen, de zwoegende armen

van geest.

"Daar is maar één woord waarmede men hem volkomen karakteriseert: het

is het woord "geweldig." Andere figuren uit de wereld der socialisten

hadden ook over veel wetenschap en veel bewegingskracht te beschikken,

maar deze man weet zijn reusachtige geleerdheid en zijn ongemeene

strategische talenten dermate te combineeren, dat hij huiverende

beklemming verwekt. Hij is te duchten voor de al te gelukkige spelers

der middenklasse, en voor hen, die met geladen geweer en met holle

woorden zouden willen regeeren.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 17 / 20 段