bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog
James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn
om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in
Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).
Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel
was waar te nemen, over 't geheel keeren velen in Duitschland tot
't idealisme terug.
Een klein bewijs. Van Falckenberg's geschiedenis der nieuwere
wijsbegeerte kwam de eerste druk in '85, de tweede in 1892, de derde in
'98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken
wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie
voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en
met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een
hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.
"Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de
wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten."
In 't bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar
Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in
zijn: "Levensbeschouwingen der groote denkers" een rijk en diep werk
gegeven heeft.
Er is een neiging tot de practische filosofie. De vraag dringt
zich op: hòe te leven. Er is een "kamp om levensinhoud." In ons
land openbaart zich dat leven sterk. De op verschillende plaatsen
opgerichte vereenigingen voor wijsbegeerte trachten in de behoefte
aan voorlichting te voorzien, tellen leden van allerlei leeftijd
en ontwikkeling en zien hun vergaderingen evenzeer door vrouwen als
mannen bezocht. Het Tijdschrift voor Wijsbegeerte geeft gelegenheid
ook in Nederland wijsgeerige artikelen in een vakblad te plaatsen,
al betoonden zich, zooals reeds gezegd is, de groote tijdschriften
vriendelijk voor de wijsbegeerte. [48]
In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche
godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds
een kort overzicht van het Boeddhisme "als leerstof," en thans is er
veel belangstelling.
Weer anderen schijnen het mysticisme van Swedenborg te gaan hernieuwen:
ook 't spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.
Maar ook op THEORETISCH gebied is er verandering en kentering. Hier
valt vooral te constateeren de verandering van de houding der
natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.
De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van
het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid
bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden
er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf
heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.
Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar... dit
leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.
Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele
werkelijkheid? Voor het materialisme was 't antwoord ja geweest. Voor
menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele
namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs
den overgang van natuurwetenschap tot wijsbegeerte aantoonen. Ernst
Mach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde,
bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.
Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later
een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke
laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.
Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.
Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige
Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der
kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar
en duidelijk leeren kennen.
Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der
werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing,
gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.
"Ook wanneer wij het wagen, onze gedachten te laten gaan over den
samenhang tusschen de stoffelijke en de geestelijke verschijnselen,
houden wij de fijne organisatie der materie in het oog. Het is
verre van mij, geestelijke werkingen tot processen in de materie te
willen terugbrengen; het ongelijksoortige kan men niet uit elkaar
afleiden. [49] Maar wel kan men de opvatting voorstaan dat aan elken
toestand en elke werkzaamheid van onzen geest een bepaalde gesteldheid
en een bepaalde verandering der hersenen beantwoordt. Zal zulk een
korrespondentie tot in de kleinste bijzonderheden toe bestaan,
dan moet, dit is duidelijk, het aantal elementen, waaruit de
hersensubstantie is opgebouwd, ontzettend groot zijn. Hoe groot
het moet zijn, kunnen wij niet zeggen, maar wanneer wij weten,
dat een milligram materie een aantal atomen bevat, veel grooter
dan het gezamenlijke aantal letters in alle boeken der Leidsche
Universiteitsbibliotheek, en aan den rijkdom van gedachten denken,
die in de rangschikking der letters ligt opgesloten, dan gevoelen wij
eenigszins dat werkelijk de materieele veranderingen in de hersenen
genoeg verscheidenheid kunnen bieden om de afspiegeling te zijn van
een hooge en ingewikkelde geesteswerkzaamheid.
"Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden,
wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden
gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich
toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder
zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem
verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de
overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate
hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem
zullen openen."
Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige
Natuurwetenschap een zin van Büchner:
"Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting,
eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen," dan is
het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van
het materialisme.
Eindelijk wijzen wij op de herleving der Kantstudie. In 1865 verscheen
een boek van Otto Liebmann: Kant und die Epigonen. Het refrein van
elk hoofdstuk was: "Derhalve moet men tot Kant teruggaan."
In 't bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de
schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis
van het Materialisme.
Lange werd 1828 bij Solingen geboren, studeerde in Bonn, werd leeraar
aan een gymnasium, legde zijn betrekking neder, om zich als redacteur
en drukker-uitgever aan de verbreiding van democratische ideeën
te wijden, ging naar Winterthur, werd in 1870 professor in Zürich,
in 1872 in Marburg, waar hij in 1875 overleed. Te midden van zijn
drukke bezigheden bezat hij tijd en kracht om wetenschappelijken
arbeid te leveren: Zijn hoofdwerk is de bovengenoemde geschiedenis
in 1866 verschenen. [50] Van de Grieken af tot op den modernen tijd,
gaat hij, in verband met het geheele cultuurleven der besproken tijden,
de ontwikkeling van 't materialisme na. Zijn uitgebreide kennis stelt
hem in staat, menig nieuw gezichtspunt te openen, menig denker onder
juister licht te plaatsen. Al geschiedschrijvende nu, wijst Lange er
steeds op, hoe het materialisme als leidend, en regelend beginsel te
aanvaarden is voor de natuurstudie. Voor de wijsbegeerte is het de
eerste, de laagste, maar vergelijkenderwijs ook de stevigste trap. Zoo
belangrijk is het, dat het beter is in de natuurwetenschap krasse
materialisten, dan verwarde "idealistische" koppen te hebben.
Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard
en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige
der bewustzijnsverschijnselen verklaren. Aan Kant wordt daarom een
belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste
is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten,
maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische
filosofie: "De geheele practische filosofie is het veranderlijke en
vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte."
Alleen haar plaats is onvergankelijk.
Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet
vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen
en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen
godsdienst bijv. het lied willen behouden: "O hoofd vol bloed en
wonden."
In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt
van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid
samen. De religie geeft waarde aan de wereld van het zijnde.
Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er
op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid
in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen
persoonlijk voordeel.
Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der
boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een
afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van
Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.
Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in
leven hoogleeraar te A'dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college
over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de
zorgen van Prof. Kohnstamm uitgegeven en kan eigenlijk beschouwd
worden als een historische inleiding tot Kantstudie.
Het besluit: "dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die
overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging
der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die
de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het
empirisme."
Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor
Kants criticisme.
De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies
aan Kant.
De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder
punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke
groep. Liebmann's roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.
Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling:
individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel
drukt.
En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige
belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en
eenige met hem verwante moderne denkers.
Opmerking. Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling
van twee moderne stelsels uit te schakelen.
Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van
Eduard von Hartmann, die de grondvester werd van de filosofie van
het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als
pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: "Het wijsgeerig pessimisme
van den jongsten tijd." In "Mannen van Beteekenis" wordt hij door
Dr. den Hartogh behandeld.
Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die
vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach,
Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de
feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar
Ziehen behoort tot deze richting.
Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van
het werk over: "Absoluut Idealisme."
HOOFDSTUK XV.
INDIVIDUALISME EN SOCIALISME.
§ 43. Inleidende Opmerkingen.
In de 19de eeuw treedt de strijd tusschen individualisme en socialisme
op den voorgrond. Die strijd vertoont zich in allerlei vorm. Hij heeft
betrekking op verschillend gebied. Hij hangt samen met onderscheidene
vraagstukken.
Het individualisme heeft oog voor den mensch als persoonlijkheid. Het
welzijn, de ontwikkeling van den enkeling is hoogste levensdoel;
daarop zij menschelijk streven gericht. Niet de ontwikkeling der
zedelijke persoonlijkheid, wier krachten ten goede komen aan de
gemeenschap, is doel. Maar de bevordering van alles, wat het geluk,
de macht, de sterkte van den enkeling voor hem zelf vermeerdert, staat
op den voorgrond. Dit is het onderscheid tusschen het individualisme,
zooals we het nu zullen leeren kennen, en de persoonlijkheidsfilosofie
die een Carlyle op voetspoor der Duitsche idealisten in Engeland
had verkondigd.
Dat individualisme is tweeërlei.
Aan elk individu wordt de les gepredikt zich zelf te zoeken, eigen
macht te willen. Die leer van het onbeperkte egoïsme verkondigt
Stirner. Maar ook kan die leer slechts zijn voor enkelen die het
waard zijn, slechts een leer voor sommige hoogstaanden. Dit is het
individualisme van Nietzsche.
Stirner is een plebejer. Nietzsche een aristocraat.
Hoe geheel anders het SOCIALISME, zooals dat in zijn strengsten
en wetenschappelijksten vorm door Marx werd verkondigd. Het is
ontroerd over de groote ellende der arbeidende klassen. Er is een
buitengewoon groote vooruitgang van voortbrenging gekomen. Het door
stoom gedreven werktuig bracht steeds meer voort. De arbeider werd
een deel der machine. Niet voor hem waren de voordeelen. Zij kwamen
een kleine groep ondernemers ten goede, wier winst en kapitaal
groeiden. Het lijden der armen, hun lange werktijd, hun klein loon,
hun werkeloosheid, de afbeuling van vrouwen en kinderen, 't was
vreeselijk om aan te zien. Was het niet mogelijk om voortbrenging en
verdeeling der aardsche goederen zoo te regelen, dat er brood en geluk
was voor allen? Edele harten, bewogen met de ellende, spraken hun vloek
over het tegenwoordige uit, zongen zangen van betere toekomst. Er is
socialistisch gevoel in de verzen van vele dichters uit de jaren van
'40 en '50.
Er werden plannen verzonnen, allerlei plannen, die verbetering zouden
brengen: oprichting van dit, inrichting van dat. Anderen gingen zoover,
een geheel toekomstbeeld te ontwerpen der wordende maatschappij. Ook
Comte zagen we onder dien invloed (II, pag. 161).
Marx deed noch 't een noch 't ander. Hij trachtte de ontwikkelingswet
der maatschappij na te gaan. Hij vond, dat de tegenwoordige toestand
een tijdvak was, dat noodwendig moest komen, hij voorspelde even
zeker een nieuw tijdvak, dat, krachtens de wet der maatschappelijke
ontwikkeling zelf, zou ontstaan. Voor Nietzsche is er eigenlijk alleen
geschiedenis van groote persoonlijkheden. Voor Marx is er geschiedenis
van productiewijze en toestanden: de personen maken de geschiedenis
niet: de geschiedenis maakt hén.
Zal er doelmatige productie komen, dan moet er leiding, straffe leiding
zijn. Dan moet er gezag zijn, dat regelt. Er moet onderwerping zijn
in vast verband. Dat autoritaire, dat gezaghebbende stuit sommigen
tegen de borst. Ook zij wenschen heil voor ieder, en ieder gezind,
niet zich, maar de gemeenschap te dienen. Maar dat niet ten koste van
wat hun 't onontbeerlijkste en schoonste goed schijnt: de persoonlijke
vrijheid. Zoo ontstaat het anarchisme.
§ 44. Stirner.
Jong-Hegelianen.
Reeds Heraclitus (I, 19) wezen wij er op, hoe van Hegel, zèlf
conservatief, zeer radicale stroomingen uitgingen. Strauss en Feuerbach
(II, 93 v.v.) hadden niet zijn leer, wel zijn methode aanvaard. En door
die dialectische methode waren ze gekomen tot geheel andere opvattingen
van den godsdienst, dan de meester zelf. Feuerbach, het Godsbegrip
onderzoekende, had geleerd, dat eigenlijk niet God den mensch naar Zijn
beeld geschapen had, maar de mensch God naar zijn beeld. Het zedelijk
ideaal des menschen was als buiten den mensch zelfstandig bestaande
gedacht en daarvoor knielde de mensch. Op staatkundig gebied nu werd
een zelfde leer ontworpen door de Jong-Hegelianen. Hegel's methode
werd gretig "opgevangen door jonge, aan de wetenschap zich wijdende
mannen, die, daardoor geleid werden om straks in het kamp van het
socialisme te gaan dienen, doch die, wat zij ook deden en schreven,
in al hun uitingen en redevoeringen altijd lieten zien, dat zij eens
gestudeerd hadden, nacht en dag, in de boeken van den "eenigen" Hegel."
Het eigendom nu, zoo redeneerde men, hing ook innig samen met
den mensch. Maar men had het van den mensch afgenomen, buiten hem
geplaatst, evenals zijn Godsbegrip, en evenals voor God knielde
hij nu voor eigendom en geld, dat hij de rol van meester had
laten spelen. Hierin moest verandering komen. Alle beperking moest
vervallen. Vrijheid was noodig!
Stirner's Leven.
Het gistte op allerlei manieren. Een zeer eigenaardige kring had men in
1840 en 1841, die geregeld samenkwam in een bierhuis bij Hippel. Die
heetten de "vrijen van Hippel". Studenten, kunstenaars, journalisten,
sommige vrije vrouwen, vereenigden zich daar. Ontelbare glazen bier
drinkend, en groote rookwolken uitblazend, zat men daar de diepste,
meest ingewikkelde en moeilijkste problemen te bespreken. In dezen
kring werd ook een jong leeraar, Caspar Schmidt, ingeleid. Hij was
in 1806 te Bayreuth geboren, verloor vroeg zijn vader, trok met zijn
moeder mee naar andere plaatsen, kwam op twaalfjarigen leeftijd weer
bij een oom in Bayreuth terecht, liep 't gymnasium af, studeerde
letteren en behaalde den graad van candidaat. Daarmee kreeg hij
een gedeeltelijke bevoegdheid tot lesgeven. Tot 'n doctoraat kwam
hij--waarschijnlijk door geldgebrek--niet. Hij trouwde met een meisje
uit 't huis waar hij inwoonde. Zij overleed bij de geboorte van hun
kind, dat eveneens stierf. Hij stond weer alleen en zat, zwijgend
toeluisterend bij Hippel. Hij had een betrekking als leeraar aan
een meisjesschool gekregen. Hij werd meer en meer gewaardeerd in
den kring der vrijen. In 1845 verraste hij al zijn bekenden met het
merkwaardige boek: "De Eenige en zijn eigendom." Het kwam uit onder
zijn studentennaam. Zijn voorhoofd (Stirn) was zeer hoog. Daarnaar
heette men hem Stirner. 'n Oogenblik lachte 't geluk hem toe. Hij
vond de liefde van een bemiddeld meisje, Marie Dänhart, aan wie
ook zijn boek is opgedragen. Hij huwde haar. Als leeraar neemt hij
ontslag. Met 't geld van zijn vrouw begint hij een melkzaak. Ze gaat
niet: handelstalenten ontbraken onzen schrijver. Ook het huwelijk
is ongelukkig. Echtscheiding volgt. Eenzaam en arm als vroeger gaat
Stirner weer door 't leven. Met vertaalwerk voorziet hij in zijn
onderhoud. In 1856 sterft hij aan den beet van een giftige vlieg. Hij
wordt vergeten. Maar als Nietzsche optreedt, wordt de aandacht weer
gevestigd op Stirner, in wiens werk men reeds Nietzsche's leer in knop
meent te vinden. Op zijn graf wordt een gedenksteen geplaatst. Van zijn
werk komen herdrukken en vertalingen, 'n levensbeschrijving verschijnt
[51].
Stirner's boek.
Het is een merkwaardig boek: dat "de Eenige en zijn eigendom." Men
hoort er de gesprekken in van de vrijen bij Hippel. Het is hier en daar
zonderling van bouw en stijl. "Daar hangt een atmosfeer van bier en
tabakswalm uit lange Duitsche pijpen over dit boek." Maar de grondtoon
is diep en ernstig: Het predikt onder alle vormen het egoïsme. "Mij
gaat niets boven mij zelve." Waarom zou ik voor een ander, voor God,
voor het vaderland leven, voor de menschheid? Zij leven toch ook voor
zichzelf? Zoo wil ik ook voor mij zelf leven. Ik wil mijn zaak op
niets stellen. Niemand kan mij gebieden. Ook niet de staat. Hier komt
het woord recht niet te pas. Alleen 't woord macht. Zoover mijn macht
gaat, gaat mijn eigendom. Waar ik voor te waken heb, is, dat ik van
mijzelf waarde maak. Niet een partij, een familie, een vaderland bindt
mij. Wij moeten egoïsten zijn en beminnen met de liefde van 't egoïsme.
Wat ik zoek is mijn genot. Niet het genot van den mensch als soort,
maar van mijzelf als enkeling. Wat daaraan bevorderlijk is, waardeer
ik en juich ik toe, onder wat naam het ook optreedt.
Max Stirner heeft geen oog voor de ellende der arbeiders. Armoede
is minderwaardigheid. Wie weinig macht heeft, wie dus weinig bezit,
heeft zich zelve niet meer waard weten te maken. Den liberalen staat
verwerpt hij. Diens vrijheid komt neer op zijn onderwerping aan en
door de wet. Verwerpelijk is het communisme dat de maatschappij heer
over ons maakt. Zoek maar naar uw macht. "Dan wordt al 't andere,
ook de vrijheid, de gelijkheid u wel toegeworpen."
Stirner's leer is de ontkenning der zedeleer. Alle band is
verbroken. De mensch, die alles gebruiken, niets eerbiedigen, en niets
gehoorzamen moet, die niets boven zich erkent, die voor zichzelf de
eenige is: ziedaar het ideaal van Stirner. De mensch doe als de bloem,
die al haar krachten inspant en aanwendt, "om van de wereld zoo goed
en zoo veel als zij kan te genieten en te verteren."
Wenden wij ons van dit individualisme tot de theorie van den
Übermensch, die Nietzsche heeft verkondigd.
§ 45. Nietzsche.
Leven.
Hij werd 15 October 1844 te Rocken bij Lützen geboren uit een
domineesfamilie van vaders- en moederszijde, die misschien wel afstamde
van een oud adellijk Poolsch geslacht. Op deze niet zekere afstamming
mocht de jonge Nietzsche zich gaarne verhoovaardigen. Toen Friedrich
5 jaar was, stierf z'n vader aan hersenverweeking, toegeschreven
aan een val. Zoo werd de jongen opgevoed door vrouwen. Hij leerde
strenge tucht kennen op de school te Schulpforta, die hij, voorbereid
voor de universiteit, verliet, nog vaststaande in het christelijk
geloof waarin hij opgevoed was. Omdat hij toch iets moest kiezen en
niets met voorliefde begeerde, koos hij klassieke philologie. Hij
studeerde eerst te Bonn en daarna te Leipzig onder den grooten
taalkundige Ritschl. Op diens aanbeveling werd hij op 24jarigen
leeftijd hoogleeraar te Bazel, nog vóór zijn promotie. De Leipziger
faculteit schonk hem eershalve den doctorstitel. Er werd een zware
taak op de jonge schouders geladen. Misschien tè zwààr. College
geven en philologie studeeren toch was voor Nietzsche een tààk, al
vervulde hij die zeer zorgvuldig. Zijn lessen werden geroemd. Aan den
grooten Duitschen oorlog mocht hij--Zwitsersch burger geworden--niet
deelnemen als soldaat: hij trok mee als ziekenverpleger, deed een
ziekte op, die hem niet meer verliet. Zijn gezicht werd minder. Maag-,
hoofd- en oorpijnen kwelden hem. In 1876 lei hij zijn taak neer
aan het paedagogium, waar hij Grieksch doceerde, in 1878 gaf hij
het professoraat op. 's Zomers leefde hij in 't Engadin, 's winters
aan de Riviera. Zijn ziekte nam toe. Schier onduldbare pijnen moest
hij lijden. In één jaar had hij 119 dagen van zware pijn. Zijn zwak
gezicht hield hem buiten boeken en wetenschap, zijn gezondheid maakte
hem eenzaam. Bijwijlen scheen hij de vertwijfeling nabij.
Langzamerhand beterde zijn toestand iets. Hij ging door met
schrijven. Toen in 1889 brak plotseling de waanzin uit. Hij was in
Turijn. 4 Januari schrijft hij een briefje aan Brandes met groote
letters op potloodlijntjes als voor een kind, onderteekend: de
gekruisigde. De waanzin was ingetreden.
Hij vond trouwe verpleging. Eerst bij zijn moeder in Naumburg. Na haar
dood bij zijn zuster in Weimar. Hier bezweek het lichaam: 11 jaar,
nadat het bewust leven opgehouden had: 26 Augustus 1900.
Persoonlijkheid.