Moleschott werd in 's Hertogenbosch geboren. Hij genoot een

eenvoudige, degelijke opvoeding; studeerde in de medicijnen,

vestigde zich in Utrecht, vond dan samenwerking met Donders, zag

geen kans zich in Nederland aan zuivere studie te kunnen wijden en

vertrok naar Heidelberg. Hier vestigde hij zich als privaatdocent,

maar ontving een waarschuwing wegens materialistische leer (26

Juli 1854). Oogenblikkelijk schreef M. den minister, dat hij afzag

van onderwijs geven aan een Universiteit, waar geene leervrijheid

heerschte. Hij vertrok naar Zurich, vandaar naar Turijn, dan naar

Rome. Hier stierf hij in 1893, als zeer beroemd geleerde en bemind

arts. Zijn leven (tot zijn vertrek naar Turijn) heeft M. beschreven in

een eenvoudig werkje: "Voor mijn vrienden. Levensherinneringen." Het

Duitsche werkje geeft een aardigen kijk op het wetenschappelijk leven

ook in ons land.

Moleschotts bekendste werk is "De Kringloop van het leven", dat in

1852 verscheen en verscheidene herdrukken beleefde. Stof en leven

gaan samen. De bergwerker haalt phosphorzure kalk uit de aarde, de

boer bemest er zijn land mee, daar groeit tarwe, die misschien den

grootsten denker voedt.

Er vinden allerlei omzettingen van stof, geen vernietigingen

plaats. Onder allerlei vormen blijft de stof bestaan.

Moleschott was zich zeer wel bewust, dat overal kracht en stof samen

gingen; en dat men de zaak ook omkeeren kon, en evengoed letten op de

werking der kracht, die ook geestelijk zijn kan. Er is dus een zekere

twee-eenheid van kracht en stof. Eerst tegenover het spiritualisme

wil hij materialist heeten.

In 1852 verscheen Moleschott's werk. De echte materialisme-strijd

begon na het congres van dierkundigen te Göttingen van 1854, waar Vogt

botste met Wagner. Deze had gezegd, dat de tegenwoordige stand der

wetenschap het toeliet, zich de menschen uit één ouderpaar ontstaan

te denken, zooals in den Bijbel, wiens scheppingsverhaal niet om de

wetenschap te verwerpen was, stond te lezen. In zaken van religie

was hem het eenvoudige kolenbrandersgeloof het liefste. Er was een

afzonderlijke ziele-zelfstandigheid, die zich van de ouders op de

kinderen voortplantte. De ziel bespeelde het lichaam, als een hand

de piano.

Tegen dezen "fabrikant der echte onvervalschte Göttingsche

zielensubstantie" trad Vogt met een heftig strijdschrift (1855)

op: "Bijgeloof en Kolenbrandersgeloof," terwijl hij later een meer

wetenschappelijk werk schreef.

Vogt, geboren 1817, 1847 professor te Giessen, was in het revolutiejaar

1848 rijksbestuurder geweest, ondervond moeilijkheden en was van

1852-1895 hoogleeraar te Genève.

Zijn verbreiding vond het materialisme door Büchners veel gelezen

"Kracht en Stof." (Eerste uitgave 1854), dat ook in ons land druk

werd en nog wel wordt gelezen.

Tegenwoordig staat de bekende hoogleeraar Ernst Häckel het naast aan

het materialisme. Van filosofische zijde worden hem inconsequenties in

zijn systeem verweten, zoodat hij niet--"als hij al tot de filosofie

behoort"--mag gelden voor een zuiver vertegenwoordiger.

SAMENVATTING.

De tijd van het positivisme plaatst Engeland en Frankrijk weer meer op

den voorgrond, Duitschland komt iets op den achtergrond. In den staat

merken we een doorwerken der liberale gedachte op. Engeland breidt

het kiesrecht uit, Frankrijk verjaagt de Bourbons, het revolutiejaar

1848 doet ook in Duitschland zijn invloed gelden. De bezittende, geld

verwervende burgerklasse komt meer en meer op als toonaangeefster in

maatschappij en staat.

Het lot der arbeidende klassen verontrust sommige edele gemoederen en

zij ontwerpen toekomstbeelden eener socialistische maatschappij. Maar

de regeeringen doen weinig, een krachtige arbeiderspartij of een

vakorganisatie bestaat nog niet.

De groei der bizondere wetenschappen, die zich alle meer richten

op détailstudie, is bewonderenswaardig. Met name maken de

Natuurwetenschappen snelle vorderingen.

In Frankrijk ontstaat de positivistische school. Comte deelt

met zijn tegenstanders de behoefte aan autoriteit en vaste

beginselen. Hij is afkeerig van metafysica: deze geeft een

overgangsstadium. Gemoedsbehoeften tracht hij te bevredigen door een

bedachten godsdienst, die weinigen met hem aanhangen.

Maine de Biran is te beschouwen als de vader der psychologische school,

die een fijnen blik had voor allerlei bewustzijnsverschijnselen.

In Engeland wordt de wijsbegeerte der achttiende eeuw voortgezet. James

Mill voltooit de associatie-zielkunde, Bentham breidt het beginsel,

dat Smith in de Staathuishoudkunde invoerde, uit over het geheele

zedelijke leven. Terzelfder tijd vindt het Duitsche idealisme

zijn vertegenwoordiger in Carlyle den Schot, die de reactie der

persoonlijkheid op het utilisme is.

John Stuart Mill, die zich zeer tot Comte gevoelt aangetrokken,

schept hier zijn logica.

In Engeland ontstaat de ontwikkelingsfilosofie. Spencer brengt,

ondanks talrijke bezwaren, zijn groot werk tot stand en voert de

ontwikkelingsgedachte door over het heele levensgebied. Darwin schept

zijn hypothese over de natuurwetenschappen, maar zijn beginselen

dringen overal door.

Duitschland wendt zich af van de wijsbegeerte. Het belangrijkste

verschijnsel is de materialisme-strijd, omstreeks 50-60.

In ons land weerspiegelen zich die bewegingen. We leerden

Opzoomer kennen, die na de aanvaarding van zijn ambt het vaandel

der ervaringswijsbegeerte hoog gaat houden en op het godsdienstig

leven grooten invloed uitoefent. Multatuli wordt de heraut van vele

Aufklärungsidealen en populariseert wetenschappelijke meeningen.

In Italië doet het positivisme zijn intocht.

Lombroso sticht er de crimineel-anthropologische school, die de

leer van den geboren misdadiger verkondigt en weldra bestrijding

vindt in de Fransche School, die meer den nadruk legt op het sociaal

milieu. Ons land neemt deel aan die beweging en hier wordt Aletrino

de gevoelvolle pleitbezorger voor milder en doelmatiger behandeling

van den misdadiger. Met nieuwe inzichten hield onze regeering rekening

in verschillende wetten.

Hoe de verschillende denkers en werken van de 19de eeuw verspreid zijn,

blijkt uit de volgende jaartallen.

Eerst de denkers der drie groote cultuurlanden, daarna hunne

werken. Vervolgens de ontwikkelings- en de positieve filosofie in

Nederland. Eindelijk de crimineele anthropologie.

DE TIJD VAN HET POSITIVISME.--VERLOOP VAN HET POSITIVISME.

TOELICHTENDE JAARTALLEN.

1766-1824. Maine de Biran.

1792-1864. Victor Cousin.

1798-1857. Auguste Comte.

1748-1832. Jeremias Bentham.

1775-1836. James Mill.

1795-1881. Carlyle.

1794-1866. Whewell.

1806-1873. John Stuart Mill.

1809-1882. Charles Darwin.

1820-1904. Herbert Spencer.

1825-1895. Huxley.

1822-1893. Moleschott.

1817-1895. Vogt.

1824-1899. Ludwig Büchner.

1830-1842. Comte's cursus van positieve filosofie.

1852. Positivistische catechismus.

1829. Mill's Ontleding van de verschijnselen van den

menschelijken geest.

1834. Bentham's Deontology.

1833. Carlyle's Sartor Resartus.

1843. Carlyle's Verleden en Heden.

1843. Mill's Logica.

1859. Darwin's Ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus.

1863. Huxley: Getuigenissen voor de plaats van den mensch in de

samenleving.

1868. Haeckel's Natuurlijke scheppingsgeschiedenis.

1852. Moleschott's Kringloop van het leven.

1855. Vogt: Kolenbrandersgeloof en Wetenschap.

1854. Büchner's Kracht en Stof.

1821-1892. C. W. Opzoomer.

1831-1906. Allard Pierson.

1836- Jhr. B. H. C. K. v. d. Wijck.

1846. De wijsbegeerte den mensch verzoenende.

1851. De weg der wetenschap.

1859. De Waarheid en hare kenbronnen.

Pierson: Een levensbeschouwing.

1906. V. d. Wijck: Afscheidscollege.

1894. Steinmetz: Over de eerste ontwikkeling van de straf.

1895. Wijnaendts-Francken; De evolutie van het huwelijk.

1820-1887. Multatuli (Eduard Douwes Dekker).

1861. Max Havelaar. Ideeën.

1871. Lombroso: De misdadige mensch.

1885. Eerste congres voor crimineele anthropologie te Rome.

1899. Aletrino treedt op als privaat-docent te Amsterdam in de

crimineele anthropologie.

1903-1904. Aletrino's Leerboek der crimineele anthropologie.

1908. Roos: Crimineele aetiologie.

VIERDE AFDEELING.

DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.

§ 42. Inleidende Opmerkingen.

Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit

bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet

langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de

echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer,

was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote,

dat een paar collega's, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar

zeiden: "Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen

en die doet tegenwoordig aan filosofie." Eén onzer hoogleeraren in de

wijsbegeerte vertelde eens in 't openbaar, dat in zijn studententijd

hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het

college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en

specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa,

die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid

door miskenning van den zusterband.

Thans is dat geheel anders. Tal van wijsgeerige werken van den

tegenwoordigen tijd beginnen, vooral als ze voor een ruimer kring van

lezers bedoeld zijn, met een of andere inleiding, waarin op dit feit

gewezen wordt. Nemen we één voorbeeld [45].

"Wie zich in 't midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het

publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn

voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner

tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden

hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden,

dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om

goud te maken zou willen aanprijzen.

"Maar... niemand heeft zich toen die taak opgelegd--niemand had het ook

kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap

van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen

een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van

geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwd worden als een

zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In

dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der

filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte--een woord

dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap,

maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.

"Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een

wereldbeschouwing, gold niet voor "vol" uit wetenschappelijk oogpunt.

"Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van

de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer

te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.

"Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf

enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat men

de wijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende

stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldige aanspraken der

filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren....

"'t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als

zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch

was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was

slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.

"Sedert is de toestand geheel veranderd.

"In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige

vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de

natuurkundigen."

Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er

een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die

verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?

Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de

belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien

weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van

denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?

Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan

den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen

geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote

geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo

blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.

Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op

wetenschappelijk gebied.

Er kwam in 't algemeen belangstelling voor den mensch en voor het

geestelijke en voor 't algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De

taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer

wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijven aan een tekst,

om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was

het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak

van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een

levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van

den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften

der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat

bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen,

ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen,

tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en

grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.

Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen

die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.

Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk,

den fieren individualist, die zegt:

De duizend die zich zelf niet wezen konden,

Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.

Hun is 't geloof, dat spreekt uit duizend monden.

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,

Voelt zich aan zich door zich alleen gebonden

En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt. [46]

Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.

In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt--zij

't nog aarzelend--in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren

willen, metafysica is.

Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen

wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later

voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden

wijsgeerige artikelen een gul onthaal.

In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar

het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam

zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey's bloemlezingen uit oudere

dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van

Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis

aangetroffen.

In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding,

scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het

ziekelijke, het afwijkende.

Ook de geschiedkundige wetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat

iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis

van 1525-1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weer geheelen

geven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis,

van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook

over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.

De geneeskunde toonde veel belangstelling in het geestesleven van den

mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze

Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie

en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft,

bezit althans een professor in zielsziekten.

Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal

belangrijke onderzoekingen. We wezen reeds op de samenwerking die in

den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.

Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden

van het persoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel

van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan,

om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid

te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde

van de veronderstelling uitgaat, dat de mensch zijn eigen belang

zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men

rekening houden moet in 't productieproces. Maar geenszins ontkent

de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden

doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet,

dat hij een denkbeeldigen slinger beschouwt: hij ziet bijv. af van

den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de

staathuishoudkundige alsof alleen bepaalde factoren meewerkten voor

de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer

zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel

de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele

maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou

tot sociologie.

De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer

systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden

grondslag te organiseeren.

De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland

ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden

gezet ook omstreeks het jaar '80. Het begon met een drankwet,

die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een

wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een

tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op

de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De

socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine

afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets

weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.

Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen

een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.

Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat

en kerk: het was over 't geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte

was het materialisme.

Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst

uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme

als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef

het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een

groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen

van de moderne protestanten, die in hun orgaan "de Blijde Wereld"

een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het

socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het

christendom. Een voor 't groote publiek onbekende, schrijvende onder

het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek:

"Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap," waarin in

wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een

collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden

zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische

partij. Misschien zijn dit de teekenen, dat men steeds minder in het

socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing

zal gaan zien.

Ook het kerkelijk leven veranderde in ons land. In het midden der eeuw

was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne

protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige

modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen:

"Zijt gij nog wel modernen?" Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt

sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.

Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen,

verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht

Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient

een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend

beginsel te maken.

Het katholicisme bleef niet achter in deze algemeene beweging. In de

politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken

zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft

tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt

weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (Encycliek

Aeterni Patris 1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften

in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit

en zijn "Institut de philosophie", dat Thomistisch is, maar zich niet

alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het

gebrekkige ten doel stelt.

"St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als

een grenssteen."

In ons land kwam De Groot de Thomistische Wijsbegeerte te Amsterdam

doceeren en de katholieken ontvingen van de hand van Beysens en

Aengenent een volledig stel leerboeken der wijsbegeerte. [47]

Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het

midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw

doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.

Ook de OPVOEDKUNDIGE ideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal

uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt

verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager

onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar

onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene

onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor

het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke

doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische

propadeusis eischte. Een treurig besluit. "De wijsbegeerte als geheel

genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren

het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken

aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting." (Land.)

Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze

eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid,

practischheid, geschiktheid voor 't werkelijke leven geëischt. Aan

de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische

opvoeding. Op 't laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het

geruchtmakende boek: "Rembrandt als opvoeder" verscheen, dat het

fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu den kunstenaar

tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het

aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag

zijn League voor zedelijk onderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol,

volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en

Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en

sommigen pogen een stekje van Engeland's League op Nederland's bodem

over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen

als de van Engeland herwaarts gekomen sport.

Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het

aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan

om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg

te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het

algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren

bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich

in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene

tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand

van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten,

Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig

onderricht op de gymnasia wordt bepleit.

Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa,

een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich

gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot

een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd

te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken

moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld

door verschillende denkers.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 15 / 20 段