"Nadrukkelijk verklaart (Opzoomer), dat niemand de kracht vinden zou

om, desnoods onder verzet van de geheele wereld, te ijveren voor wat

hem goed en noodig schijnt, indien hij niet geloofde, geloofde aan de

souvereiniteit van het zedelijke. Dit is teleologie, vertrouwen, dat

het leven van den mensch, dat de wereld, waarin dat leven geworteld

is, zin heeft, ook al zijn wij niet in staat, dien zin te noemen; het

is geloof zonder bewijs, maar hetwelk bestaan zal, zoolang de handen

niet verslappen en de mensch niet in lustelooze traagheid nederzinkt.

"In de eerste periode van zijn denken achtte Opzoomer zich in staat

den diepsten grond der dingen te peilen. Later zeide hij met Goethe:

het schoonste geluk van den denkenden mensch bestaat in het uitvorschen

van wat begrijpelijk is, in rustige vereering van het onnaspeurlijke.

"Opzoomer is er vrijwel in geslaagd te toonen, dat vereering van den

diepsten grond van wat is en geschiedt tot de onuitroeibare trekken

der menschelijke natuur behoort." (v. d. Wijck.)

Behalve op wijsgeerig gebied maakte Opzoomer zich ook grooten naam

als rechtsgeleerde. Levendige belangstelling toonde hij ook voor de

schoone kunsten. Het groote succes zijner dochter, de zoo begaafde

romanschrijfster Wallis, was voor hem een groot genoegen. Haar man,

de Hongaarsche hoogleeraar Von Antal, schreef in 't Duitsch een zeer

goed overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte in de Nederlanden.

Opm. Tot Opzoomer's leerlingen behooren Allard Pierson en

Jhr. v. d. Wijck. Pierson heeft over tal van belangrijke onderwerpen

in 't Hollandsch geschreven. "Een Levensbeschouwing" en "Wijsgeerig

onderzoek" zijn uit wijsgeerig oogpunt 't voornaamste. Zijn biografie

geeft Prof. A. S. Naber; een fijne studie over hem, voornamelijk als

wijsgeer, Jhr. v. d. Wijck in "Mannen van Beteekenis."

Deze laatste vond op zijne beurt zijn levensbeschrijver in zijn

opvolger op den Utrechtschen Leerstoel: Dr. P. H. Ritter. (Mannen van

Beteekenis, XXXV, 2--3). V. d. Wijck ging later in de kennisleer andere

inzichten dan Opzoomer huldigen. De grijze geleerde is nu ook nog na

zijn 70ste jaar werkzaam en geeft zijn fijn-geschreven en gedachte

artikelen meest in "Onze Eeuw."

§ 39. Multatuli.

Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige. Hij

heeft echter een tijdlang een grooten invloed gehad op ons geestelijk

leven. Hij heeft afbrekend gewerkt. Maar ook opbouwend. Voor velen

is hij de verkondiger van een nieuw ideaal geweest. En van menige

moderne gedachte is hij de voorlooper. Multatuli is de heraut geweest

van "aufklärungsidealen." Hij heeft die in omloop gebracht door zijn

schitterenden stijl. In de wetenschap was geen zijner ideeën schier

nieuw, maar nieuw waren ze wel voor menigeen, die ze bij hem las. De

man der wetenschap zei misschien dezelfde dingen, maar voorzichtig,

behoedzaam, Multatuli sprak zijn gevoelens uit met de grootst

mogelijke scherpte.

Den godsdienstigen twijfel heeft hij geuit in zijn bekend Gebed van

den Onwetende. Het is de aloude klacht van het twijfelend godsdienstig

gemoed, van het geslingerd hart, maar nieuw voor Nederlandsche ooren

in dezen vorm.

De bijbelcritiek was niet onbekend in Nederland. Multatuli plaatste

in eens de bijbelverhalen naast de mythen der Grieken, Jahwe der

Israëlieten naast Zeus.

Dat onder schijn en mom van godsdienst allerlei ongerechtigheid kon

schuil gaan, had Nederland al meer dan twee eeuwen uit Vondel's Roskam

kunnen leeren, als het 't niet had willen hooren en lezen uit den

bijbel, het klassieke boek van den godsdienst, zelf. Maar Multatuli

teekende met scherpe lijnen de figuren van Droogstoppel en dominee

Wawelaar, van de oefenende juffrouw Laps.

Dat er in alle bizondere religies 't algemeen menschelijke te

waardeeren was, hadden de 18de-eeuwsche deïsten, ook hier geen

onbekenden, reeds verkondigd. Multatuli laat ons reizen met een

goed geloovig katholiek, brengt ons bij Mahomedanen, doet het geloof

meevoelen van een orthodox-protestant straatprediker.

Dat niet alles om den mensch is, was sedert Copernicus' dagen

gemeengoed van het Europeesch wetenschappelijk denken. Maar met één

beeld weet Multatuli dat toe te lichten, zooals hij met één scherp

gezegde de ondoelmatigheden in de natuur, het leven van het eene

schepsel ten koste van het andere, weet aan te geven.

Hij heeft het, door herhaald betoog of leerend voorbeeld zijn

volk willen inprenten, dat het natuurgebeuren naar vaste wetten

geschiedt. Het was bekend en het wonderengeloof was door velen eveneens

verlaten: Multatuli zette 't in het helderste licht.

De lust tot studie der natuur, de afkeer van wijsbegeerte zat er diep

in omstreeks '50 en '60. Multatuli vroeg telkens om natuurkunde,

om physica, maar om 's hemelswil geen bovennatuurkunde, geen

metafysica. [40] Zuiveren wilde hij de menschen van dwaling, maar

geen nieuwe levensbeschouwing, geen nieuwe dwaling er voor in de

plaats geven. Hij begeerde te varen "zonder lek."

Dat er hooger zedelijkheid was dan enghartig tijdsfatsoen, had men

in Nederland ook van Jezus kunnen leeren, die der gevallen vrouw

vergevende woorden toevoegde en het Koninkrijk Gods stelde boven wet

en gerechtigheid.

Maar een groot deel van ons volk scheen het duidelijker te worden

toen Multatuli het uitsprak, dat zedelijkheid niet zede is. En het

jonge Nederland vooral dweepte met den man, die leeraarde, dat de

zedelijkheid "boven den navel" woont.

Zoo heeft Multatuli dus geen nieuwe ideeën uitgesproken in

wetenschappelijken zin. Maar toch wel in deze beteekenis, dat hij zei,

wat nieuw was voor velen zijner lezers. Dat kwam, doordat hij zich

richtte tot veel breeder kringen, doordat hij een aan 't paradoxale

grenzenden vorm koos. Als ik een beeld zou mogen gebruiken, zou

't dit zijn:

Multatuli verhoudt zich ongeveer tot de wetenschap zooals de Fransche

Aufklärung tot de Engelsche. En zooals de Fransche verlichting op

heel het cultuurleven der 18de eeuw haar merk zette, zoo oefende

Multatuli in Nederland een geweldigen invloed uit: het geestesleven

der 19de eeuw, vooral van tal van kringen buiten die der wetenschap,

is zonder Douwes Dekker niet te verstaan. Nu de blinde vereering van

zijn persoon en werken vrij wel geweken is, nu de menschen méér en

dieper kennis willen dan Multatuli kon geven, is misschien ook de tijd

gekomen, om af te zien van uitsluitend wroeten in zijn privaat leven,

op te houden met kleingeestige discussies over 't al of niet ware

van sommige feiten uit de Havelaarzaak, en in hem den dichterlijken

denker te zien, die bewegend werkte op het geestesleven in ons land,

en wiens werken in woorden uitdrukten wat er onbewust leefde in vele

hoofden en harten.

HOOFDSTUK XIV.

HET POSITIVISME IN ANDERE LANDEN.

§ 40. De crimineele anthropologie.

Inleidende opmerkingen.

Italië was niet zonder invloed geweest op de ontwikkeling van het

denken. In de Middeleeuwen had het aan de scholastiek haar grootsten

denker gegeven: Thomas van Aquino. De renaissance was er begonnen en

had er gebloeid in letterkunde, schilderkunst en beeldhouwkunst. Zij

had zich daar voortgezet. De natuurfilosofen die, zonder zelf het

zaad te zaaien, waarvan wij nu den oogst genieten, toch onkruid

gewied hadden en den grond losgewoeld, Campanella, Telesio, Bruno

waren Italianen.

Wat Huxley was voor Darwin, onvermoeid verbreider van ideeën, was

Bruno voor Copernicus. En eindelijk was een der grondleggers der

moderne natuurwetenschap een Italiaan: Galilei. Het staatsrecht en de

staatsleer had er zijn beoefenaars gevonden: naast en boven Campanella

staat Macchiavelli.

Italië wekt op. Italië spoort aan, prikkelt tot onderzoek, gaat

voor op nieuwe banen. Maar aan Engeland, Frankrijk en Duitschland

is 't beschoren, het daar begonnene voort te zetten. Gedurende

twee en een halve eeuw leidt Italië niet. Er is filosofie, maar

zij oefent geen merkwaardigen of beteekenenden invloed uit. In de

laatste helft der 19de eeuw wordt dat anders. Het positivisme doet

er zijn intocht. Robert Ardigo, die zich van 't katholicisme afwendt,

is misschien in dezen tijd voor Italië de grootste denker. Maar voor

't Europeesch geestesleven krijgt Italië beteekenis door zijn positief

psychologische school, die ook nu weer meer prikkelend en vonkenslaand

is, dan voltooiend en bouwend. In 't bizonder richtte zich de aandacht

op den misdadiger [41] en hieraan gaf Caesare Lombroso, hoogleeraar

in de gerechtelijke geneeskunde te Turijn, een grooten stoot. Voor

een niet-deskundige is het gewenscht zich tot het constateeren van

dit feit te bepalen. [42] Hij kreeg daar verschillende leerlingen

en medestanders, o. a. de in ons land ook bekende Enrico Ferri. In

1885 kon Lombroso het eerste congres voor studie van den misdadigen

mensch te Rome organiseeren, dat sedert door congressen te Genève,

Brussel, Parijs en Amsterdam gevolgd werd. Ook in ons land ontmoette de

studie van den misdadiger veel belangstelling. Van de geneeskundigen

zijn te noemen de psychiaters Jelgersma en Winkler en Dr. Aletrino,

die zich als privaat-docent te Amsterdam vestigde en een Leerboek

der Crimineele Anthropologie uitgaf. Van de hoogleeraren in het

recht zijn te vermelden de Utrechtsche hoogleeraar Simons, die zijn

aandacht vooral ook aan de kwestie der gevangenisstraf wijdde en de

Amsterdamsche professor Van Hamel, die groote belangstelling betoonde

voor de berechting en behandeling der misdadige jeugd. Hij begreep,

dat deze niet maar zoo gewoon gestraft kon worden en vooral door zijn

initiatief kwamen overal vereenigingen tot stand, die zich aan de

verwaarloosde [43] jeugd wijdden. (Pro Juventute). De wetgever bleef

niet achter, door de z.g. kinderwetten te ontwerpen. Bovendien tracht

Van Hamel zijn leerlingen zooveel mogelijk vertrouwd te maken met

nieuwe strafrechterlijke beschouwingen. In den laatsten tijd hebben

in ons land juristen en psychiaters elkaar ook steeds meer gezocht.

Onder de wijsgeeren, die zich met deze kwesties bezighielden,

is te noemen Prof. Heymans, die tegen sommige uitspraken van

Aletrino opkwam. Zijn leerling Mr. van Dijk leverde zeer belangrijke

"Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger," gebouwd op een

streng zielkundig onderzoek. Verder is te noemen Mr. Roos, de bewerker

van onze crimineele statistiek, die pas een leer der oorzaken van de

misdaad (Crimineele Aetiologie) in 't licht zond. [44]

Wij kunnen dus zeggen, dat zich de studie van den misdadiger in

ons land in een levendige belangstelling verheugt, en dat ziel-

en geneeskundige en rechtsgeleerde elkaar op dit terrein ontmoeten.

Dat de misdadiger gestraft diende te worden, stond steeds vast. De

groote vraag was, of 't geschieden moest omdat gezondigd was, of

als voorbehoedmiddel voor de toekomst: opdat niet gezondigd zou

worden. Nu rees echter de vraag: handelt die misdadiger geheel uit

vrijen wil? Zijn er omstandigheden, welke dan ook, die hem op een of

andere manier tot de misdaad brengen. Heeft de misdadige kenmerken,

die hem typeeren? En zoo ja, vloeien uit de dan verkregen inzichten ook

gevolgen voort voor de practijk van rechtspleging en bestraffing? Met

de laatste vraag behoeven wij ons niet bezig te houden. Zij is van

zuiver rechtskundigen aard. Alleen is het misschien goed, op te merken,

hoe dwaas de populaire meening is, dat de beoefenaars van de wetenschap

van den misdadigen mensch dezen zouden willen vertroetelen. Er

zijn onder hen zeker een aantal, die op meer doelmatige bestraffing

aandringen en verbetering van misstanden eischen, maar er is niemand

die het recht der gemeenschap om te straffen, ontkent. Er zijn zelfs

zeer overtuigde aanhangers van de doodstraf onder.

Gaan we over tot de eerste vraag: wat zijn de kenmerken van den

misdadiger, de oorzaken van de misdaad?

Lombroso dan vat den misdadiger op als een atavistisch

verschijnsel. Onder atavisme verstaan wij een terugkeer tot nu

overwonnen en verlaten ontwikkelingsvormen. De mensch bijv. kan zijn

ooren, hoewel hij nog oorspieren heeft, niet meer bewegen. Hij heeft

het niet meer noodig. Er zijn echter nog menschen die dit kunnen doen

en wij noemen dit dan een atavistisch verschijnsel.

Volgens Lombroso nu is, wat wij nu misdaad noemen, regel geweest bij

de natuurvolken. De misdadiger is dus achter bij de ontwikkeling der

gemeenschap, hij is niet meegekomen. Hij vertegenwoordigt een veel

lager beschavingsstandpunt en komt daardoor in botsing met ons huidig

standpunt en de nu bestaande maatschappij.

Aanvankelijk meende Lombroso die misdadigerskenmerken in den schedel

te vinden; later, toen dit niet opging, vond hij ze anders (bijv. veel

hoofdhaar, weinig baardhaar, afwijkende ooren, tatoeëering, dieventaal,

zucht om troepen te vormen, enz.) In die kenmerken zag hij dan weer

een bevestiging zijner opvatting van den misdadiger als een atavistisch

verschijnsel. Ook de natuurvolken bijv. tatoeëerden zich.

Er is nu voor Lombroso een bepaald misdadigerstype, de geboren

misdadiger.

Tegen Lombroso's leer zijn vrij wat bedenkingen ingebracht. Men wees

er bijv. op, dat zijn grondstelling, dat, wat bij ons misdaad is,

gewoonte zou geweest zijn bij de natuurvolken, niet waar kón zijn:

zoo'n maatschappij had nooit tot ontwikkeling kunnen komen. Lombroso's

misdadigerskenmerken vond men ook bij tal van andere, eerbare menschen

en omgekeerd waren ze bij lang niet alle misdadigers aanwezig. De door

Lombroso opgemerkte dingen waren niet de kenmerken van misdadigers,

maar van menschen met bepaalde zielsafwijkingen.

Heftig botste de Italiaansche school op 't congres te Rome met

Lacassagne, die de voorganger werd der Fransche school. Deze wou

niet in den persoon van den misdadiger de oorzaken der misdaad

zoeken, maar in de omgeving, waarin hij geboren was en opgroeide,

in de maatschappij, in het sociaal milieu. "De maatschappij heeft

de misdadigers die zij verdient. Verbeter de maatschappij. Berust

niet lijdelijk in de aangeboren eigenschappen van den misdadiger,

maar stel het sociale initiatief er tegenover."

Het is duidelijk, dat deze richtingen niet uitsluitend tegenover elkaar

staan, maar dat er geleerden gekomen zijn, die èn aan het milieu èn

aan de persoonlijke eigenschappen van den misdadiger invloed hebben

toegekend.

Ten onzent heeft Aletrino, die ook als letterkundige naam had, met

warm gevoel aangedrongen op betere behandeling van den misdadiger. Hij

acht dezen niet toerekenbaar. Dat sluit geen straf uit:

"'t Zou verkeerd zijn te meenen, dat men, wanneer de ontoerekenbaarheid

van het individu algemeen erkend wordt, niet meer een wet zal mogen

maken en toepassen, waardoor de maatschappij beveiligd wordt tegen

handelingen, die tot schade zijn voor haar instandhouding; dat men

de verantwoordelijkheid van het individu voor zijne daden zal mogen

opheffen. Evengoed toch als ieder individu zich verzet tegen een

directen of indirecten aanval, zal de maatschappij, de verzameling

der individuen dit doen."

Toch hoopt Aletrino op veel beter tijden.

"Het kwaad worde niet langer met kwaad vergolden. Eens zal de tijd

komen! Hoog door de eeuwen draagt de galm vooruitgang; uit ver-wijkend

duister kleurt 't licht; wijder en wijder ruimt het zacht-juichen

gulden van helderen zonneglans! En dieper uit ons binnenste zangt een

lievend voelen omhoog voor hen die lijden, hooger en hooger, dwingend

onze handen zich te strekken naar hen, die naast ons staan, onze voeten

dwingend te gaan den lijdensgang van hun leven. En eerst, wanneer wij

zóóver zullen zijn dat wij kunnen voelen voor anderen, zooals wij

voelen ons eigen bestaan, dan eerst naderen wij de verwerkelijking

van het doel, het einddoel van allen arbeid, van alle weten: voor

anderen het leven dragelijk te maken."

Het was de rede, waaruit dit fragment genomen is, die Heymans

zijn artikel: "Sommige uitwassen der crimineele anthropologie"

deed schrijven.

§ 41. Het Materialisme.

De tijd van het idealisme was in Duitschland voorbij. Die van het

natuuronderzoek brak aan. Het voerde niet, zooals in Frankrijk en

Engeland, tot positivisme. Het midden der 19de eeuw is voor Duitschland

de tijd van het materialisme. Bij de oude Grieken leerden we deze

leer kennen in dualistischen vorm bij Democritus. Alles was voor

hem stof, doch de ziel bestond uit fijne, gladde atomen: een aparte

stof. In de nieuwe geschiedenis vernieuwden Gassendi en Hobbes het

materialisme. Voor den Engelschen denker was alles, wat bestond, stof

en beweging van stof. Dan kwam de achttiende eeuw in Frankrijk. Hier

bloeide het materialisme, werd in een stelsel ondergebracht, werd

door een rijke verzameling van feiten gestut. Vooral La Mettrie en

Holbach dienen hier genoemd te worden. Waren tot dusver Engeland en

Frankrijk de landen geweest, waar het materialisme aanhangers had

gevonden, thans was het in de eerste plaats Duitschland. Het vervulde

hier een eigenaardige taak, er schijnbaar niet van te verwachten:

het bevredigde de behoefte der Duitsche gemoederen aan idealen

gedurende een tijd, waarin die niet best konden gedijen; het was een

wijsbegeerte voor een onwijsgeerigen tijd, die echter niet zonder

deze blijven kon. Degenen, die in Duitschland als verkondigers dezer

levens- en wereldbeschouwing optraden, zijn voor een deel scherpzinnige

natuuronderzoekers of bekwame geneeskundigen geweest, maar allen waren

dwepers voor menschenrechten, stoffelijken en zedelijken vooruitgang,

verbetering van het lot der minder bedeelden, verbreiding van kennis

in ruimer kring.

Een groot onrecht doet men den mannen van het materialisme, als

Büchner, Vogt en Moleschott aan, wanneer men hen houdt voor wat men

in het dagelijksch leven "materialisten" pleegt te noemen.

Dat in Duitschland deze richting kwam, behoefde niet te verwonderen. Er

werd overal een nieuw leven waargenomen. De poëzie, het proza gingen

andere wegen: de groote bloei der Duitsche romantiek was voorbij. In

de politiek had men groote verwachtingen gehad, men hoopte op meer

burgerrechten en volksvrijheden, op een eenig Duitschland. Op het

gebied van nijverheid en mijnbouw was vooruitgang. De eerste spoorwegen

kwamen, talrijke bergwerken werden ontgonnen. Duitschland bleef--dit

zij wel te verstaan--achter bij Frankrijk en Engeland. Eerst thans,

onder het keizerrijk, groeit het tot een groot-nijverheidsstaat,

botsen belangen van jonkerdom en groot-grondbezit met die van arbeiders

zoowel als met die van handel en nijverheid; eerst thans gaat men in

Pruisen stormloopen op een verouderd kiesstelsel voor den landdag,

dat sommige soortgelijke gebreken heeft als het vroegere Engelsche. Men

denke zich dus bij dit nieuwe leven nog niet een te sterke groeicrisis,

maar er was toch een op het practische, op verkrijgen en bezitten, op

maken en voortbrengen gerichte neiging, in één woord: de blik wendde

zich naar de stoffelijke wereld. De Engelsche geleerde weet zich in

te perken. Hij zal liever blijven staan bij een afzonderlijk gebied

en dan de grenzen trekken. De Duitsche gaat verder. Hij ziet steeds

één stuk van de werkelijkheid. Hij gaat nu de geheele werkelijkheid

beschouwen als gelijksoortig aan dàt stuk, waarmee hij bezig is. Zoo

staat voor hem de geheele wereld als stoffelijk verschijnsel. En

het groote publiek, dat zich vooral in dien tijd bezighield met het

stoffelijke, kon in die opvatting vrede vinden.

Bij het materialisme kon zich ook gemakkelijk het verzet aansluiten

tegen de kerk en de heerschende machten. Het loochende het bestaan

van God, het wilde van de kerk niets weten. En met die oppositie

tegen de kerk, nog één der steunpilaren van den staat, kon gepaard

gaan een min of meer levendige beweging tegen den staat.

Het materialisme greep snel om zich heen. Het bleef niet beperkt tot

den engen kring van geleerden, ja, vond bij de "vakwijsgeeren" niet

allereerst gunstige opname. De geheele groote kring van beschaafden

en niet-gestudeerden, die niet zonder wetenschappelijke belangstelling

was, kocht gretig Büchner's "Kracht en Stof", waarvan een groot aantal

drukken verschenen. De stellige en zekere toon, die in een populair

werk dikwijls beter bevalt, dan de voorzichtige, onderstellende,

welke zuiver wetenschappelijke werken eigen is; de groote menigte

van feiten, die medegedeeld werden, de licht te begrijpen taal,

werkten daartoe mee.

Uitdrukkelijk zegt Büchner, dat niet duidelijk geschreven,

onbegrijpbare dingen de moeite van het drukken niet waard zouden zijn.

Het materialisme vond ook in ons land--weer wat later dan het midden

der eeuw--zijn aanhangers. Reeds de Génestet kant er zich spottend

tegen in zijn Leekedichtjes. Het is de vereeniging "de Dageraad,"

die de vrije gedachte bevorderen wil, welke veel in deze richting

gedaan heeft. Zij bezorgde in 1894 ter gelegenheid van de 70ste

verjaring van Büchner een Volksuitgave van "Kracht en Stof," wijdde

een bijzonder nummer van haar orgaan aan Moleschott.

In wetenschappelijk-wijsgeerige kringen vindt het materialisme thans

zeer weinig aanhangers.

Schetsen wij nog even in hoofdzaak de trekken van het 19de-eeuwsch

materialisme.

Er bestaan atomen, die een bepaalden vorm hebben en beweging. Anders

is er niet. Al wat bestaat, is verbinding van atomen, alle gebeuren

een beweging van atomen. Dit geldt--en ziehier het kernpunt--ook voor

het geestelijke. Dit is niet iets aparts. De mensch evenmin.

Het organisch leven is te verklaren uit natuur- en scheikundige

werkingen. Ons lichaam heeft pompen en hevels. Er vinden allerlei

scheikundige werkingen en natuurkundige processen in plaats,

die we ook in de buitenwereld zien. Het eigenaardige is, dat hier

alles veel samengestelder is, veel fijner. Maar we behoeven niet

een bijzondere levenskracht aan te nemen. Een veldslag is ook een

verbazend ingewikkeld ding, maar we nemen geen aparte slagkracht aan.

Op dit oogenblik kennen we nog niet alle verrichtingen en kunnen we

alles nog niet verklaren. Maar we komen toch hoe langer zoo verder.

Telkens ontdekt de wetenschap nieuwe dingen. Ten slotte zullen we

precies inzien, hoe, door samenwerking van velerlei dingen, juist

ons organisme werkt, zooals het werkt.

Het geestelijk leven nu is een product van het hersenleven. Er is

een innige verbinding tusschen hersenen en bewustzijnsleven. Men

kan een hond "stuk voor stuk de ziel wegsnijden", door zijn hersens

weg te snijden. Men ziet het geestelijk leven gebonden aan het

hersenleven. Het is er, om het wat heel grof uit te drukken, een

afscheiding van, als de urine van de nieren, de gal van den lever.

De mensch met zijn karakter wordt bepaald door ouders, voedsel, lucht,

kleeding, woning.

Zielkunde kon eigenlijk niet meer voor de materialisten bestaan:

er is hersenwerking en zenuw- en zintuigwerking. Die te bestudeeren

is taak der physiologie.

De eenige, laatste werkelijkheid zijn de atomen, is de stof. Anders

niet. Een metafysica bestaat niet. De voltooide natuurwetenschap zal

de voltooide wijsbegeerte zijn. Zij zal ons alle raadselen ontsluieren.

Theologie bestaat evenmin.

God kennen wij niet. Onze "lieve Heer" is een inbeeldingsproduct

uit oude, bijgeloovige tijden. Helaas dat sommige wijsgeeren hem

de voordeur uitzetten om hem de achterdeur onder andere namen: het

"Onkenbare," de "Idee," het "Absolute," weer binnen te halen. Allemaal

nawerking van de vrees van den oermensch. Eerst dan verdwijnt die

vrees, als de zon der wetenschap opgaat.

Onsterfelijkheid in gewonen zin bestaat niet.

We zagen het ontstaan van het materialisme en de hoofdpunten der

leer. Wie verkondigden het? Het knoopt zich hoofdzakelijk aan drie

namen: Vogt, Büchner, Moleschott.

Over elk dus een kort woord.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 14 / 20 段