Voor nu over te gaan tot de behandeling der bizondere vragen, handelt

Spencer nog over eenige begrippen, die de natuurkundige gebruikt,

als stof, ruimte, tijd, kracht, en over enkele grondwaarheden der

physica. Het is voor ons van belang, op te merken, dat Spencer

daaronder rekent de stelling, dat de beweging steeds voortduurt,

dat de stof niet vernietigd kan worden. Spencer nadert hier dichter

tot Kant, zooals ook op andere punten, dan vele andere Engelsche

denkers. Hij wijst er op, dat er eigenlijk geen bewijs is voor deze

stelling. Onderzoekt men bijv. of iets voor en na een proef gelijk

van gewicht is gebleven, dan zet men toch al vooruit, dat de kracht,

waarmede de gewichten, met welke men weegt, aangetrokken worden,

gelijk blijft.

De ontwikkelingsgedachte.

De schitterendste schepping van Spencer is zeker zijn doorvoering

der ontwikkelingsgedachte op allerlei gebied. Beginnen we met een

eenvoudig voorbeeld, de ontwikkeling der maatschappij.

Daar leven ergens een menigte menschen. Hier een familie, daar

een familie, ginds nog een, enz. Die families gaan samenwonen, zij

vereenigen zich tot een stam. En later zien wij stammen zich tot

een volk vereenigen. En ook die volkeren vereenigen zich weer tot

bonden, die zekere algemeene regels eerbiedigen. Er vindt plaats een

samentrekking, een vereenigen van aparte deelen tot meeromvattende

geheelen.

Maar er gebeurt tevens iets anders. In die eerste stam was

ieder zoowat gelijk. Ieder oude Bataaf bijv. jaagde, vischte,

voerde oorlog, dobbelde, dronk, sliep. De een was vrijwel

gelijk aan den ander. Maar--er komt splitsing. Er ontstonden

edelen--vrijen--lijfeigenen. Daarmee komt verschil van beroep. Dit

neemt toe. De Middeleeuwen zien de ridders als oorlogsstand, de

geestelijken als de stand der wetenschap, poorters en lijfeigenen

als landbouwers, handwerkslieden. Die arbeidsverdeeling gaat op elk

gebied door. Op elk terrein des levens schier "werkt de splijtzwam." De

wetenschap splitst zich, telkens komen nieuwe takken.

Het gaat zoo in den oorlog. Een admiraal is geen generaal meer. De

eene generaal voert weer artillerie, een andere cavalerie, een derde

infanterie aan.

De barbier is geen geneesheer meer en de huisdokter ziet tal

van specialiteiten naast zich opkomen voor oog, oor, neus, keel,

ingewandsziekten, enz.

Op het gebied van den lichamelijken arbeid vertoont zich deze

splitsing zeer sterk. De Germaansche vrouw bebouwde het land,

bereidde haar brood en mede, weefde haar linnen. Broodbakken en

kleerenmaken gaat niet meer samen. Ja, de broodbakker splitste

zich in brood- en banketbakker. Een kleermaker, die een geheel

pak maakt, is uitzondering. Er is een coupeur die de stof snijdt,

er zijn voor onze groote confectie-magazijnen jassen-, vesten- en

broekenmakers. In Amerika is die arbeidsverdeeling in sommige fabrieken

zoover doorgevoerd, dat een man bijv. den geheelen dag niets te doen

heeft, dan een varken op een bepaalde plaats in de keel te stooten.

Uit de gelijksoortigheid die aanvankelijk heerscht, is de

ongelijksoortigheid geworden. Er is splitsing gekomen.

Maar--er is nog een derde punt op te merken. In die zoo veelvuldig

gesplitste maatschappij is een veel inniger samenwerking der deelen

dan in de oorspronkelijk gelijkaardige. Denken we even aan de innige

verbinding, waarin wij staan. Neem dit boek voor u. Wat een menschen

werken, ieder naar zijn bekwaamheid, daartoe samen. De auteur schreef

het, maar hij had daartoe een reeks andere boeken, papier, pennen,

inkt noodig. De zetter zet het. Vrienden van den auteur corrigeeren

het. De drukker drukt. Inbinden door den binder. Verzending van

copie en drukproeven en boeken door de post en door het bestelhuis

van den boekhandel.

Hoeveel meer menschen hebben b.v. niet samengewerkt, om den huidigen

mensch een borrel te schenken, dan bij de oude Batavieren, om hem

een slok zoete mede te kunnen geven. En die samenwerking gaat zoo

geregeld, zoo ongemerkt, dat men ze zich gewoonlijk niet eens bewust

wordt. Voor uwe kleeding en uw voedsel hebben menschen uit alle

werelddeelen gewerkt.

Er heeft dus samenwerking plaats, die hoe langer hoe meer harmonie

brengt.

Wat wij hier nu met een eenvoudig voorbeeld uit de ontwikkeling der

menschheid toelichten, voert Spencer op alle gebied door. Het geldt

bijv. voor ons bewustzijnsleven, waar zich uit een gelijksoortige

massa de onderscheidingen ontwikkelen. De talen ontwikkelen zich uit

bepaalde grondtalen, splitsen zich, verrijken zich. De kunsten doen

eveneens. Schilderen en schrijven en beeldhouwen is eerst een: de

oudste teekeningen van sommige volken zijn meteen hun geschriften,

hun schrijven. De Egyptenaar teekent en zijn teekeningen zijn z'n

taal. Muziek en dans en poëzie zijn eerst samen, maar krijgen ieder

hun eigen karakter.

In de natuur is het niet anders. De oudere vormen van planten en

dieren die men vindt, vertoonen veel eenvoudiger bouw. De kiemen of

de foetussen van vele organismen vertoonen meer gelijkheden die de

ontwikkelde individuen níet hebben: in de eerste maanden kan men

bijv. aan een menschelijke foetus niet zien, of het een jongen of

een meisje is.

Wij zien dus een voortschrijding van het gelijksoortige tot het

ongelijksoortige. Wanneer we dit nu in algemeene formuleering zeggen,

krijgen wij:

De ontwikkeling heeft drie kenmerken.

1. Concentratie of integratie: vereeniging van elementen. Eenvoudigste

voorbeeld: opeenhooping van zanddeeltjes.

2. Differentiëering. Er komen verschillen. Het homogene wordt

heterogeen, het gelijksoortige ongelijksoortig.

3. Determinatie. Die differentiëering brengt met zich mede een overgaan

uit een vage, chaotische toestand, tot een bepaalde, waarin orde is.

Samenvattend zeggen wij dus:

Ontwikkeling is een verandering van een vage onsamenhangende

homogeniteit tot een bepaalde, samenhangende heterogeniteit door

aanhoudende integreeringen en differentiëeringen en determinaties.

Deze ontwikkelingsformule is zeer omvattend. Zij wijst een diep-gaande

overeenkomst aan tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch,

(zijn geestelijk als lichamelijk leven), de menschheid, de aarde,

het zonnestelsel.

Inderdaad een machtige, grootsche hypothese, welke op te stellen en met

rijk feitenmateriaal te ondersteunen Spencer's inspanning waard was.

Tegenover de ontwikkeling staat het te niet gaan. Als er eenmaal een

volkomen harmonie zal zijn, zullen storende krachten optreden. Er

is dus een afwisseling van ontstaan en vergaan, het wereldworden

geschiedt rhytmisch. Maar, als het eene systeem teniet gegaan is,

zullen weer andere kunnen ontstaan.

Biologie.

Bizondere waarde hecht Spencer aan de biologie. Ook voor de practijk

zal zij groote beteekenis hebben. Hij ontwikkelt hier de gedachte, dat

er een voortdurende aanpassing plaats vindt. Op een organisme werken

krachten in. Het ondergaat nu veranderingen, die het geschikter maken

om te leven in de omstandigheden, waarin het geplaatst is. Verworven

eigenschappen kunnen overerven. Aan dezen regel houdt Spencer

vast en in zijn laatste levensjaren heeft hij dien nog met warmte

verdedigd. Wanneer men aannam, dat verworven eigenschappen overerfden,

zou er hoop zijn op spoediger vooruitgang van het menschelijk geslacht.

Op het gebied der kennistheorie en der ethiek geeft de

ontwikkelingsgedachte Spencer gelegenheid op te treden tusschen Locke,

Mill eener-, Kant anderzijds. Hij erkent met Kant en tegen Mill,

dat onze eerste denkwetten à priori zijn en niet uit de ervaring

van het individu stammen. Maar in laatste instantie zijn ze toch

op ervaring gegrond: het is de ervaring van millioenen generaties,

die nu voor ons een absoluut noodwendig karakter heeft. Met de

"intuïtieve ethiek" is 't eveneens. Ook daarin zit de ervaring van

langen tijd. Er is geen sympathie, omdat 't nut die vroeg, neen:

er was sympathie, die bleek nuttig voor de welvaart van 't geheel en

zoo heeft ze zich in de menschen staande gehouden. Ook het ethisch

leven vertoont de integratie, differentiëering en determineering. Er

is veel meer samenhang bij ethisch handelen, meer concentratie,

wat bijv. in de zelfbeheersching uitkomt.

Bij egoïsme is de gezichtskring eng. Wie ethische doeleinden zoekt,

ontwikkelt meer; alles wat in hem is, is niet beperkt door eigenbelang:

differentiëering. Het ethisch leven is bepaald door vaste beginselen

en lijnen, is niet, als bij den egoïst speelbal van allerlei invloed:

determinatie.

De hoogste trap is de organische moraliteit: het goede wordt niet

uit plicht, uit nood gedaan. Zooals een moeder zich haar kind, de

kunstenaar zich zijn werk geeft, volbrengt degene, die organische

moraliteit bezit, zijn plicht.

Ook in het staatsleven heeft de evolutie, de geleidelijke ontwikkeling

een groote rol. Men moet niet te spoedig van opvoeding en wetten

verandering verwachten: er is een lange ontwikkelingsweg noodig. De

opvoeding moet dus het individu en een volk zoo spoedig mogelijk in

aanraking brengen met de werkelijkheid, opdat er aanpassing plaats

vinde [32]. Men mag wel hopen, dat er vooruitgang zal komen, en een

staat zich verder zal ontwikkelen.

Spencer's invloed is zeer groot geweest. Zijn werken zijn vertaald

in bijna alle Europeesche talen, in 't Chineesch en Japansch. In

de wetenschap werd de ontwikkelingsgedachte op allerlei gebied

toegepast. Wij kunnen thans wel zeggen, dat op schier geen

wetenschappelijk terrein de evolutionistische gedachte zonder invloed

is gebleven.

Het spreekt, dat Spencer in een werk, dat 36 jaar voor zijn ontstaan

noodig had en over zoo een massa feiten liep, detailfouten maakte,

dat hij zijn inzichten wijzigde. Zijn grootsche formule intusschen

wordt bij onze tegenwoordige kennis door velen uitermate geschikt

geacht, om licht te werpen op vele feiten en als een richtsnoer te

dienen bij onderzoek.

HOOFDSTUK XIII.

HET POSITIVISME IN NEDERLAND.

§ 37. Inleidende Opmerkingen.

Werpen we een vluchtigen blik op de ontwikkeling van het wijsgeerig

denken in ons land [33]. In de Middeleeuwen was er in de Nederlanden

een levendige belangstelling voor de wetenschappen. Voor de

verspreiding deed de door Geert Grote gestichte Broederschap des

Gemeenen Levens zeer veel. In de kloosters bloeide hier en daar een

innige mystiek. De Navolging van Christus is de schoonste vrucht. Aan

de Renaissance had ons land haar deel. Agricola en Gansfort waren

kenners der klassieken, Erasmus een bezadigde, fijne geest van bekende

geleerdheid [34]. Dirk Volckertszoon Coornhert gevoelde zich tot het

Stoïcisme der Romeinen aangetrokken en vertaalde Cicero's "Plichten"

en Boëtius' "Vertroosting der Wijsbegeerte" in goed Hollandsch proza.

Na onzen opstand tegen Spanje komen de Hoogescholen: Leiden (1575),

Groningen (1614), Utrecht (1636), het atheneüm te Amsterdam. Ook in

Franeker en Harderwijk waren, in de 19de eeuw opgeheven, inrichtingen

voor Hooger Onderwijs.

Daar werd onderricht gegeven in wijsbegeerte, meestal in de leer

van Aristoteles, in de middeleeuwsche scholastiek, pasklaar gemaakt

voor het Protestantisme. In de hevige twisten der godgeleerden

onderling werd de wijsbegeerte betrokken en hare vertegenwoordigers

zelf streden dikwijls tegen elkaar op heftige wijze. Het verblijf

van Descartes hier te lande was gunstig voor de verspreiding zijner

denkbeelden. Naast Geulincx, den meest beteekenende, op wiens werk de

aandacht weer gevestigd te hebben, een der verdiensten van Land is,

waren er een aantal andere Cartesianen. Heftigen strijd hadden deze

soms te voeren met de Calvinistische predikanten en professoren in

de theologie, onder wie Voetius te noemen is.

Na Descartes deed Spinoza zijn invloed gelden, doch niet in die mate

en erkende vertegenwoordigers van zijn systeem vindt men niet opgegeven

[35].

De aufklärungstijd deed zijn invloed zeer in Nederland

gevoelen. IJverig werd hier in de 18de eeuw allerlei natuurstudie

beoefend (I, 336) en menig werk, dat in het buitenland niet verschijnen

kon, verscheen hier. Newton's leer werd hier ingevoerd door 's

Gravesande, in 1717 hoogleeraar geworden. Moeielijke vraagstukken

ging men liefst uit den weg. De toon werd verdraagzamer. De scherpe

puntjes slepen af. In 't kort, het geheele beeld dat ons de achttiende

eeuw vertoont, in politiek, letteren en kunst, openbaart zich ook

op wijsgeerig gebied: vervlakking en verbreiding, geen verdieping;

rust en vrede en veilig bezit, geen strijd, om te verwerven noch om

te verdedigen.

"Over het geheel kenmerken zich de laatste dagen van de republiek

der vereenigde Nederlanden door een neiging om de tegenstellingen

van het maatschappelijk leven glad te slijpen, en de hoedanigheden

te vertoonen van gematigde, verdraagzame, zelfbeheerschende lieden,

die meer bezorgd zijn voor het behoud hunner reputatie van fatsoen

en achtbaren wandel, dan begeerig naar den lof van hen, met wien ze

toch wel nooit in persoonlijke aanraking zullen komen.

"Door al de gevoeligheid van den vrijen burger op het stuk van eigen

waardigheid loopen de pretenties van een ijdel man goede kans op wreede

bespotting, zoodat althans een vertoon van bescheidenheid verplicht

wordt gerekend, en de bittere polemieken, waarin zich in den ouden

tijd sekten en scholen botvierden een veel zachter, anderen zouden

zeggen makker, vorm hebben aangenomen.

"Sedert het opkomen der nieuwere philosophie, zal men aan de

Nederlandsche hoogescholen bijna geen wijsgeerig onderricht ontdekken,

dat niet het merkteeken draagt hetzij van Fransche, of Engelsche,

of Duitsche schrijvers, al naar de invloeden die bij de ontwikkeling

der onderscheiden personen overwegend waren.

"Als er in de wijsbegeerte sprake kan zijn van een vaderlandschen

smaak, dan kan die bewoording dienen om afkeer aan te duiden van

paradoxen en van overhaaste gevolgtrekkingen, gepaard aan verlangen

naar juiste inlichting, en tevens, sinds de Sokratische scholen beter

bestudeerd zijn, een grooten eerbied voor de hoofdmannen dezer scholen

als toonbeelden van helder verstand en van oog voor al wat goed en

schoon is." (Land).

Toen Kant beroemd begon te worden, deed zich ook in Nederland zijn

invloed gelden, en mogen we, wat wel bijna zeker is, in den roman Sara

Burgerhart [36] een getrouwe afspiegeling zien van het leven onzer

gegoede gezinnen van dien tijd, dan maakte zijn wijsbegeerte zelfs

een voorwerp van dagelijksche conversatie uit. We wezen er reeds op,

hoe Kinker zijn aanhanger was. De Amsterdammer Van Hemert is naast

hem te noemen.

IJverige belangstelling betoonde Nederland in 't begin der 19de eeuw

ook in de Grieksche wijsbegeerte. Tiberius Hemsterhuis (1685--1766)

had hier de liefde voor de studie van 't Grieksch weer opgewekt;

zijn zoon François (1722--1790), een groot Haagsch heer, was een

bewonderaar van Plato en vierde jaarlijks den geboortedag van Socrates.

In 't begin der eeuw was Van Heusde de ster van Utrecht, meer een

fijn en smaakvol letterkundige, dan een wijsgeer. [37]

Het idealisme vond hier eveneens aanhang. In de jaren omstreeks

'30 werd belangstelling voor Hegel getoond in den Haag.

De hoogleeraar Martinus van der Hoeven, zoon van den bekenden

godgeleerde en kanselredenaar Abraham des Amorie van der Hoeven hield

in 1860 voordrachten over wijsbegeerte te Amsterdam voor een groot

publiek, dat, geboeid door een zeldzaam machtige welsprekendheid,

met de grootste belangstelling naar de uiteenzetting der verschillende

stelsels luisterde. Quack, die het leven van den ongelukkigen geleerde

(hij verviel eerst in waanzin en sleepte later nog na genezing

een ellendig, somber bestaan voort) beschreven heeft, deelt enkele

fragmenten uit zijn redevoeringen mee, die recht schijnen te geven,

hem tot een aanhanger der idealistische wijsbegeerte te rekenen.

Maar ook het positivisme deed zijn invloed gelden. Er waren er hier,

die Comte stoffelijk steunden. En in Opzoomer vond dan de school van

Mill en Comte een glanzenden vertegenwoordiger, die op het geestelijk

leven van de 19de eeuw in ons vaderland een diepen invloed oefende.

§ 38. Opzoomer.

Cornelis Willem Opzoomer werd in 1821 te Rotterdam geboren, studeerde

te Leiden in de rechten, werd in 1845 voor de beantwoording eener

prijsvraag bekroond, promoveerde in hetzelfde jaar tot meester in de

rechten, en werd het volgende jaar tot hoogleeraar in de wijsbegeerte

aan de Universiteit te Utrecht benoemd. Hij aanvaardde zijn ambt

met eene rede: "De wijsbegeerte den mensch verzoenende met zich

zelven." Hij toonde eerst aan, hoe er een stadium van onschuld is,

waarin de mensch zijn zinnen vertrouwt en geen twijfel kent. "Zoo

wandelt hij voort in kalmen vrede met zich zelven, in den ochtend

des levens, door het zachte morgenrood beschenen."

Maar nu komt, na de onschuld van het geloof, de strijd van het

onderzoek. De vraag ontstaat: van waar onze kennis?

Van Locke tot Fichte loopt de weg.

""Hoe komen de voorwerpen tot onze kennis?" was de groote levensvraag

geworden. De vereeniging van de twee leden dier tegenstelling was de

taak, die het denken zich voorstelde. Men begon met alle waarheid in

de voorwerpen te plaatsen, en het denkende subject als een blooten

wasklomp te beschouwen, die de indrukken slechts in zich opnam en

bewaarde. Het scepticisme was de periode van overgang, en toonde aan,

dat die voorwerpen door den strijd, die ze kenmerkte, ons tot geene

ware kennis konden leiden. Daarom beproefde de geest zijne taak van

den anderen kant te vervullen. De waarheid werd in den denkenden geest

overgebracht en de voorwerpen waren alleen voortbrengselen zijner

handelingen, alleen zijne voorstellingen. Ieder der leden van de groote

tegenstelling was op zijne beurt op den voorgrond geplaatst, en had

het andere lid uit zich voortgebracht. Van de voorwerpen uitgaande

had de wijsbegeerte tot materialisme gevoerd; van den geest zich

verheffende had zij het idealisme tot haar resultaat. In geen van

beide richtingen had zich de mensch bevredigd gevonden."

Er moest dus een derde standpunt worden gezocht: De verzoening van

het weten, en in deze periode moeten hart en verstand niet met elkaar

in strijd zijn. De verzoening heeft Opzoomer dan gevonden in een

godsdienstig-wijsgeerig stelsel, dat zich nauw bij Krause aansluit,

dat in één punt van Hegel verschilt. Deze plaatst ons op den rechten

weg, maar wij moeten één stap verder gaan: God moet niet alleen opgevat

worden als "het beginsel, dat in de wereld, in het uiterlijke werkt,"

maar als de "geest, die behalve deze werkzaamheid, nog een innerlijk

bestaan heeft, dat hem boven de wereld verheft, evenals het denken,

gevoelen en willen den geest verheft boven de werkzaamheid, die hij

in het lichaam vertoont."

Op dit standpunt nu is er verzoening.

"Wijsbegeerte en godsdienst, vroeger telkens verdeeld en elkander de

zege betwistende, zijn thans ten innigste verbroederd. Wat de hoogste

waarheid der laatste is, dat is tevens de hoogste, de alomvattende

waarheid der eerste. Slechts hierin bestaat het verschil, dat de

godsdienst nog onmiddellijk en zonder bewustheid datgene is, waartoe

de wijsbegeerte met volkomen bewustzijn zich verheven heeft."

Deze rede deed een storm van verontwaardiging opgaan. Misschien ware

het zelfs gelukt, Opzoomer van zijn katheder te dringen, indien hij

niet in die bange dagen "door een schild van achtbare mannen ware

gedekt geworden, die geregeld naast de studenten op de collegebanken

plaats namen om zijne lessen aan te hooren." (v. d. Wijck).

In 1848, nadat Opzoomer twee jaren professor is geweest, ontplooit

hij een nieuw vaandel: dat der ervaringswijsbegeerte.

Als ervaringswijsgeer heeft hij zijn machtigen invloed doen gelden. Hij

steunde hoofdzakelijk op buitenlandsche voorgangers. "Beschamend

staan de natuurwetenschappen daar voor ons; en als zij ons, die met

den geest, met den staat, met de maatschappij ons bezig hielden,

ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoovele eeuwen tot

stand gebracht? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering

van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal

onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van

Bacon: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten,

dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot

handelen ons leiden moet.

"Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels

heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest.

"Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij

overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg,

ons door Bacon gewezen."

Als "onmiddellijke voorgangers" noemt hij zelf Herschel, Whewell,

Mill en Comte. Na de bespreking van Mill's logica behoeven wij niet

uitvoerig op die van Opzoomer in te gaan [38]. Hij bepaalt zich tot het

behandelen der middelen om kennis te verkrijgen en toont zich afkeerig

van alle diepere bespiegeling, maar zijn heldere uiteenzettingen,

zijn aanwijzen van fouten, die men licht begaat bij wetenschappelijk

onderzoek, zijn ook nu nog zéér leerzaam.

Vóor de tegenwoordige hooger-onderwijswet (1877) was het volgen van

colleges voor de wijsbegeerte verplichtend voor een veel grooter aantal

studenten dan thans en daardoor had Opzoomer, die zeer welsprekend was

en zijn leerlingen wist te bezielen, enormen invloed. Men onderschatte

dien voor de geheele beoefening der wetenschappen in ons vaderland

niet.

"Opzoomer's aanbeveling van ervaring was in 1848 in zeker opzicht nieuw

en in ieder opzicht nuttig. Wij leven zoo snel en vergeten zoo gauw,

dat wij telkens gevaar loopen ondankbaar te worden tegenover hen,

die den goeden weg gewezen hebben, toen deze nog niet zoo algemeen

gevolgd werd." In 1871 vertelde Helmholtz, dat hij in 1832 tot

groote tevredenheid zijner superieuren een voordracht had gehouden

over de operatie van bloedader-gezwellen, maar hij had nog nooit een

bloedader-gezwel zien opereeren.

"In 1848 was het een verdienste van Opzoomer, ervaring tot de blijde

boodschap van den dag te maken. Thans weten allen, dat, zoo men de

feiten wil leeren kennen, welke tot een kring van onderzoek behooren,

men die feiten zelve moet laten spreken en niet maar vragen: "Wat

zeggen anderen er over? Hoe oordeelt de doorluchtige A en wat zegt

de scherpzinnige B?"

"Thans weten allen dat een wetenschappelijk man de werkelijkheid

niet verwringt naar zijn inzichten, maar zijn inzichten richt naar de

werkelijkheid. Men weet dit zoo goed en zoo algemeen ook om deze reden,

dat Opzoomer in zijn lessen over logica ... het aan duizenden heeft

ingeprent. Door zijn woord heeft hij de kracht van menig vooroordeel

gebroken en den groei der wetenschap bevorderd. Wat hij wil is, dat

men ook op geestelijk gebied onvoorwaardelijk buige voor het gezag

der feiten, ijverig zij in het verzamelen van gegevens, schijn en

werkelijkheid zorgvuldig onderscheide, allerwege vorsche naar het

verband van oorzaak en gevolg, zich niet aan woordenspel bezondige

en niet de uitkomst van onderzoek vaststelle vóór nog het onderzoek

begonnen is." (v. d. Wijck).

Opzoomer onderscheidt vijf kenbronnen der waarheid. Zinnelijke

waarneming levert ons de ruwe bouwstof, waaruit de natuurkennis wordt

opgetrokken (1). Maar de mensch is ook een waardeerend wezen. Hij staat

niet alleen verstandelijk, maar ook gevoelend tegenover de dingen. Hij

registreert niet alleen, maar taxeert ook. Sommige verwekken een

aangenaam of een onaangenaam gevoel, andere worden schoon, derde

goed genoemd. En zoo zijn er dus nog drie kenbronnen van waarheid:

gevoel van lust en onlust, schoonheidsgevoel, zedelijk gevoel. (2--4).

Behandelt Opzoomer in zijn: "De weg der wetenschap" vooral de eerste

kenbron, in zijn: "De waarheid en haar kenbronnen" [39] wordt

gesproken over het zinnelijk-, het schoonheids- en het zedelijk

gevoel. De vijfde kenbron, het godsdienstig gevoel, heeft Opzoomer

niet zoo spoedig behandeld. Hij deed het in: "De Godsdienst" (1864) en

"Onze Godsdienst" (1875). Door zijne beschouwingen werd Opzoomer het

hoofd eener geheele theologenschool en oefende hij ook grooten invloed

uit op 't kerkelijk leven. Hij verwerpt beslist alle bewijzen voor

't bestaan van God, maar meent, dat het wèl bestaan Gods ons blijkt

uit ons gevoel van afhankelijkheid aan een hoogere macht. "Eindelijk

gevoelt zich de mensch zelfs in zijn bestaan afhankelijk van een

hoogere macht, wier wetten hij tevens in de uitspraken van zijn

zedelijk gevoel opmerkt. Dit gevoel is de bouwstof der godsdienstleer."

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 13 / 20 段