Den tijd, tusschen twee termen te verloopen, schatte Malthus op ±

25 jaar. Volgens die berekening zou na 200 jaar de bevolking staan

tot de bestaansmiddelen als 256:9. Na 300 jaar als 4096:13. Na een

3000 jaar zou 't verschil onnoemelijk zijn. [26]

Het juiste evenwicht kon hersteld worden, doordat oorlog, epidemieën,

hongersnood, ellende, prostitutie en andere verschrikkelijke plagen

een opruiming onder 't menschelijk geslacht hielden. In zekeren zin

lag er dus in die plagen een wijze beschikking der Voorzienigheid. Op

Mill en de zijnen oefende nu Malthus invloed uit door zijn leer

der zelfbeheersching (moral restraint). De mensch zou langzamerhand

tot het inzicht komen, geen huwelijk te mogen sluiten voor hij de

noodige bestaansmiddelen bezat, en in het huwelijk door onthouding

tot gezinsbeperking komen. Mill nu hoopte juist dat dus bij toeneming

van inzicht en zedelijke zelfbeheersching de toestand der arbeidende

klasse ook beter zou worden. Malthus' leer werkte dus mee, om hem op

vooruitgang te doen hopen.

Voor Darwin lag het uitgangspunt ergens anders.

Er werden te veel menschen geboren. Er gingen velen te niet. De

overblijvenden waren de sterkeren. Ziehier een punt, vanwaar uit

Darwin verder ging.

Er komen in de geheele natuur veel minder kiemen tot ontwikkeling

dan er zijn. Een visch legt kuit: een enorm aantal eitjes, waarvan

slechts een gering gedeelte tot ontwikkeling komt. Van de zaden van

een plant geldt hetzelfde. Allerlei omstandigheden verhinderen allen

tot vollen wasdom te komen.

Welke kiemen nu geraken tot volle ontwikkeling? Welke individuen

blijven leven in den strijd om 't bestaan, in den struggle for

life. De sterksten, de meest geschikten. (Survival of the fittest). In

een zandstreek zal een grijsachtige haas, wiens kleur wat met den

grond overeenkomt, een voorsprong hebben: hij wordt niet zoo gauw

ontdekt. In de poolstreken met hun vele ijs en sneeuw leeft een wit

dier in betrekkelijk gunstige omstandigheden.

Dat wezen, dat zich dus het meest bij bepaalde omstandigheden aanpast,

blijft leven, heeft de meeste kans op voortbestaan.

Nu komt er een tweede factor bij. De dieren dragen hunne kwaliteiten

over op hun nageslacht.

Ten slotte is er dus een geslacht dieren of planten, dat die

eigenschappen bezit, welke het mogelijk maken in dat milieu te leven.

In de woestijn zullen we planten vinden, die weinig vocht noodig

hebben. Hare bladeren zijn leerachtig, doen weinig vloeistof

verdampen. In een moerassige streek treft men gewassen aan, welke

veel vocht noodig hebben. In de diepten der zeeën leven visschen,

bestand tegen den geweldigen druk, die het water op hen uitoefent.

Er is dus niet een teleologische, maar een mechanische verklaring

mogelijk van de geschiktheid van sommige organische wezens voor

bepaalde streken. Deze verklaringsmogelijkheid werd een leidende

hypothese voor de natuuronderzoekers; men ging niet uit van het

beginsel: dit dier leeft onder die omstandigheden, en heeft daartoe die

inrichting gekregen, maar men zei: het dier kwám onder omstandigheden,

het verkreeg nuttige eigenschappen, de nuttige eigenschappen gingen

over op de nakomelingen.

Darwin tast nu weer verder het soortbegrip aan. De afzonderlijke

soorten van planten en dieren, zooals wij die kennen, staan niet

vast. Zij zijn geworden, door de verandering die een organisme

ondergaat in verschillende omstandigheden.

Darwin kwam op een ècht-wetenschappelijke methode tot zijn

hypothese. Eerst had hij een omvangrijk feitenmateriaal verzameld

en zorgvuldig onderzocht. Daarop had hij zijn hypothese gebouwd,

die deze feiten in samenhang zou kunnen brengen en zou kunnen

verklaren. Nu bleef hem nog over zijn hypothese te verifiëeren, ze

te toetsen aan de gegevens. Die toetsing liep gunstig af voor zijn

veronderstelling. In Engeland hadden de dierenfokkers, door acht te

geven op allerlei gewenschte kenmerken, door doelmatige kruising en

uitkiezing van geschikt fokvee, allerlei variëteiten weten voort te

brengen: dat sprak voor het overerven van eigenschappen.

Uitgestorven diersoorten, waarvan men dikwijls versteeningen vond,

geleken op thans levende, maar waren dikwijls eenvoudiger vormen der

nu bestaande soorten.

Opmerkelijk is ook, dat sommige planten en dieren, wier eieren en

zaden licht door wind en stroomend water konden worden verspreid,

een groote verbreiding bezitten, en dat verder iedere streek haar

kenmerkende planten en dieren bezit. In landstreken, die zich vroeg

van andere afgescheiden hebben (bijv. Australië), vindt men dan ook

een meer eigenaardige en afwijkende ontwikkeling.

Vergelijkt men verder verschillende soorten die nog al van elkaar

afstaan, met elkaar op lager ontwikkelingstrap, bijv. in den

foetustoestand, [27] dan blijkt, dat ze veel overeenkomst vertoonen

en dus met elkaar verwant zijn. Tal van wezens bezitten ook nog

overblijfselen van organen (rudimentaire organen), die getuigen van

een vroegere periode, toen zij nog hun nut hadden, maar die nu verloren

gegaan zijn. Op tal van wijzen vond zijn hypothese dus bevestiging.

Hij ging nu over tot uitbreiding en doorvoering zijner leer. Als

de dier- en plantensoorten ontstaan waren uit lagere vormen, geldt

dit dan ook van den mensch? Hier antwoordt hij zonder voorbehoud

ja: ook de mensch heeft zich tot de hoogte, waarop hij nu staat,

ontwikkeld uit lager vormen! Tusschen mensch en dier bestaan groote

verschillen. Zeker. Maar zijn die grooter, dan die tusschen een

hoogstaand dier als een aap en een worm? Ook een dier vertoont

psychisch leven. Dieren kunnen door ervaring leeren, geven blijk van

geheugen, herinnering, associatie, overleg. Ook gevoel ontbreekt niet,

zelfs niet dat voor schoonheid. Medegevoel is aanwezig.

Door zijn uitgebreide kennis in staat gesteld, kon Darwin daar tal

van bewijzen voor bijbrengen.

Zelfs tal van mannen, die zich overigens met zijn leer konden

vereenigen, keerden zich van Darwin af, toen hij deze zijn hypothese

tot den mensch uitstrekte. Bij sommigen ging de afkeer over tot

tegenzin en afschuw. Hoe? De met rede en zedelijk gevoel begaafde

mensch een ontwikkeld dier, eigenlijk een beest! Onze edelste

aandoeningen, onze verhevenste gedachten, onze kunst, onze wetenschap

en onze godsdienst ontsprongen aan eigenschappen, die het dier reeds

bezat? De mensch, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis zou een

dier zijn? Het was onmogelijk zeiden niet alleen de theologen, maar

ook tal van anderen.

Darwin zelf meende, dat zijn theorie geenerlei bedenkelijks meebracht

voor moraal of menschenwaarde. Wat wij nu bezaten, behield waarde,

en bleef schoon, ook al kwam 't uit lager vormen voort. [28] Was het

mooier, zich den mensch te denken als gevallen engel? Ongetwijfeld

is de mensch door zijn zedelijk gevoel ver verheven boven het dier,

maar dat zedelijk gevoel heeft zich ontwikkeld uit het ook bij het

dier reeds aanwezige medegevoel en uit den gezelligheidszin. En

ook hier mag de kracht die overal elders werkt, gewerkt hebben: een

menschengemeenschap, waar in de moreele gevoelens (die welke op het

welzijn der gemeenschap gericht waren) sterk waren, had een voorsprong.

Darwin zag zich ook voor de vraag geplaatst, of hij nu de wereld voor

het werk van een doelbewuste intelligentie zou aanzien of van een

toeval. Tegen het eerste verzette zich veel. Zou de kat geschapen

zijn, met het doel om met de muis te spelen? Maar ook het laatste

kon Darwin niet aannemen. Het scheen hem toe, dat het een vraag was,

die boven de menschelijke kennis lag: men moet zich onthouden. "Zijn

plicht kon de mensch echter doen."

Darwin staat op het standpunt van het agnosticisme: het ontkent niet

en bekent niet, het weet niet.

Darwin's invloed is reusachtig geweest. Hij heeft de lijnen getrokken

voor het denken van den modernen dier- en plantkundige. Voor

dezen blijven dan een groot aantal speciale vragen over om op

te lossen. Een dier heeft een kleine afwijking. Hoe ontstaat

die? Ontstaan de variëteiten misschien sprongsgewijze? Erven alle

verworven eigenschappen over? Vindt die overerving steeds van ouder

op kind plaats, of ook bij voorkeur van grootouder op kleinkind? Welk

aandeel heeft de vader, de moeder? Gelijkt de zoon meer op den een,

de dochter meer op de andere?

De zielkundige bestudeert de erfelijkheid van geestelijke

eigenschappen. [29] Sedert Darwin gaat men de evolutie, de geleidelijke

ontwikkeling na van tal van menschelijke instellingen, gebruiken enz.,

bijv. het huwelijk, [30] den eigendom, de straf.

Aanvankelijk een hypothese voor het gebied der natuurlijke historie,

werd Darwin's leer een werkhypothese ook voor tal van andere

wetenschappen; ook de geestelijke ondergingen den invloed van

Darwinisme: taal, zedeleer, rechtsleer, strafrecht, staatsleer.

Wij staan nu nog te dicht bij de ontdekking van Darwin om haar

beteekenis geheel te overzien, maar waarschijnlijk zullen die in de

toekomst van overwegend belang blijken te zijn.

§ 36. Herbert Spencer.

Leven en Persoonlijkheid.

Een zeldzaam voorbeeld van groote energie, werkzaamheid en

volharding. Een man, die trots betrekkelijk geringe wetenschappelijke

voorbereiding, het geheel der wetenschappen overzien en beheerscht

heeft, als niet velen. Die ondanks een wankelende gezondheid en

moeilijke geldelijke omstandigheden zijn levenstaak, die hij zich

gekozen had, in een trouwen, toegewijden arbeid van 36 jaren vervulde.

Spencer werd in 1820 te Derby geboren als zoon van een bekwaam en

goed ontwikkeld onderwijzer. Hij bezocht de school van vader en oom,

toonde voor de wiskundige vakken aanleg, maar was door een zekere

vroege zelfstandigheid een lastige leerling, die niet voor alles

belangstelling had en niet bij alles ijver toonde. Zijn opvoeding werd

voltooid bij een anderen oom, een geestelijke van breede ontwikkeling

en vooruitstrevende gezindheid. Deze kon den jongen neef echter niet

bewegen de universiteit te bezoeken: hardnekkig verzette hij er zich

tegen. Zoo was Spencer's opzettelijk onderwijs op 17-jarigen leeftijd

afgeloopen en bleef hij van de voordeelen eener universitaire vorming

verstoken. Dit heeft echter op zijn werk ook een gunstigen invloed

gehad. Hij werd er misschien te zelfstandiger denker door, die,

zich weinig bekommerend om het oordeel van anderen en niet vragend

naar wat voorgangers geleerd hadden, zijn genoegen meer vond in eigen

opbouwen dan in het tot zich nemen van door anderen gevonden kennis.

Aanvankelijk zou Spencer het beroep van zijn vader kiezen. Weldra

werd hij ingenieur bij den aanleg van spoorwegen. Dan weer had hij

goed bezoldigde bezigheden, dan weer was hij zonder werk: gevolg

van de wilde spoorweg-speculaties in dien tijd, waardoor tijdperken

van koortsige haast en spanning in den bouw afwisselden met perioden

van slapte.

Ten slotte ging Spencer in Londen wonen en trachtte hier zijn brood

als schrijver te verdienen. Er verschenen verschillende werken van

zijn hand en hij kwam in aanraking met verschillende mannen van

beteekenis uit die dagen, o. a. met Mill.

Langzamerhand was het denkbeeld in hem gerijpt, dat het mogelijk zou

zijn, op alle gebied de ontwikkelingsgedachte door te voeren en hij

ontwierp het plan van een stelsel van ontwikkelingswijsbegeerte. Hij

dacht zijn systeem in een twintigtal jaren te kunnen voltooien. Maar

waarvan in dien tijd te leven? Hij trachtte een geschikt ambt te

krijgen, dat hem genoeg vrijen tijd liet. Ondanks hulp en aanbeveling

van mannen als Mill, Huxley en anderen, gelukte het hem niet. Hij

besloot toen, het tòch te wagen, en gaf in 1860 een prospectus uit,

waarin hij inteekenaars vroeg op zijn werken. In hoofdzaken is

Spencer bij de uitvoering van zijn plan trouw gebleven aan de reeds

in het prospectus getrokken lijnen. Aanvankelijk had de schrijver geen

voorspoed. Er werden zeer weinig van zijn werken verkocht, hij leed er

groote verliezen op. In 1867 moest hij zijn inteekenaren mededeelen,

het werk niet te kunnen voortzetten. Hulp werd aangeboden, (Mill wou

de geheele geldelijke risico voor zijn rekening nemen), maar Spencer

meende die niet te moeten aanvaarden. Als reeds vroeger kwam hem een

erfenis te hulp. Een Amerikaansch bewonderaar, prof. Joumann, die

voor de verbreiding van Spencer's ideeën in Amerika veel gedaan heeft,

bracht een 7000 dollar op uiterst kiesche wijze bijeen. Weldra waren

de slechte jaren nu voorbij. Spencer kon hulp nemen, in 1875 waren al

zijn verliezen gedekt en ten slotte trok hij nu voor zijn bescheiden

behoeften een ruim inkomen uit zijn werken. (Van zijn "Opvoeding"

bijv., waarvan eerst slechts 200 exemplaren met moeite verkocht werden,

zijn nu meer dan 50.000 geplaatst). Ongelukkig liet zijn gezondheid

te wenschen over. Reeds in 1855 had hij zich met het schrijven van

zijn zielkunde zóó overwerkt, dat hij een anderhalf jaar rust moest

nemen en sedert dien tijd aan slapeloosheid en slechte spijsvertering

leed. Herhaaldelijk viel hij weer in, en meer dan eenmaal wanhoopte

hij aan de voltooiïng van zijn arbeid. Dit was ook de reden, dat hij

zijn ethiek, die hij als het belangrijkste beschouwde, liet voorafgaan

aan zijn sociologie.

Vooral de jaren van 1886 tot 1889 waren droevig. In dezen tijd heeft

hij zijn levensbeschrijving (in 1904 in twee deelen na zijn dood

verschenen) gedicteerd, die naast zeer vele belangrijke dingen, ook

minder beteekenende bevat. Zij draagt sterk het merk, geschreven te

zijn door een zenuwzwak man, die voor zijn lichamelijke kwalen een

overgroote belangstelling koestert.

Toch richtte de grijsaard zich weer op en in 1896 verscheen het laatste

deel van het groote werk: een nationale gebeurtenis voor Engeland.

In 1898 ging Spencer van Londen--waar hij steeds, (behoudens een paar

grootere reizen, o. a. naar Amerika en door zijn gezondheid geëischte

uitstapjes naar het vasteland) gewoond had, naar Brighton, dat met zijn

milder klimaat beter voor hem was. Hier overleed hij 8 December 1903.

Spencer was een "denker." "Hij is geen mensch, maar een intellect." Hij

trachtte in alles het algemeene, het groote te zien, de beginselen,

die er aan ten grondslag lagen. Zijn gewone conversatie was zelfs

"boekachtig." Hij was ongehuwd: de filosofie was een ijverzuchtige

meesteres, die niet een andere naast zich duldde. Van kinderen

hield hij veel: hun gezelschap was voor hem een aangename

tijdverpoozing. Alle eervolle onderscheidingen (ridderorden,

eeredoctoraten, lidmaatschappen van geleerde genootschappen)

wees Spencer af. Hij zag er geen bevordering in van wetenschap,

maar 't omgekeerde. Bij een wedren geeft men een minder paard een

voorsprong. Hier doet men het omgekeerde. Een geleerde, die al

naam heeft, steunt men. 't Wordt zoo voor den jongeren geleerde nog

moeilijker. Al het hartstochtelijke, het naar het mystieke gaande,

het vage, was hem onbegrijpelijk. Hij kon 't niet meevoelen. Niet

bevreemdend is het dus, dat Carlyle en hij zich niet tot elkaar

gevoelden aangetrokken: Carlyle had "nooit een pedanter jongmensch

gezien" en Spencer geen mensch, bij wien het denken, dat van hartstocht

vrij moest zijn, er zoozeer door beïnvloed werd.

Het onkenbare.

Godsdienst en Wetenschap. Agnosticisme.

Spencer's systeem zou biologie, psychologie, sociologie en ethiek

bevatten. Hij zou eerst met vlijt alle gegevens verzamelen, nagaan

in hoeverre voor bepaalde gebieden reeds wetten waren opgesteld en

gevonden, om daarna die deelen tot een eenheid te vereenigen. Maar, aan

de behandeling der onderdeelen laat hij een werk "De grondstellingen"

(Eerste Beginselen, First Principles) voorafgaan. Allereerst spreekt

hij over het onkenbare, het Absolute en de verhouding van godsdienst

en wetenschap.

Aan alle verschijnselen, zooals zich die aan ons openbaren, 't zij in

onze ikheid, 't zij in de buitenwereld, ligt een werkelijk iets ten

gronde, waarvan de verschijnselen slechts openbaringen zijn. Voor

ons nu staat open de kennis der verschijnselen, maar de wetenschap

van het Absolute is ons ontzegd. Dat het bestaat, is zeker. Maar er

meer van te weten is onmogelijk.

De godsdiensten, op welken trap van ontwikkeling en hoe verschillend

ook, hebben toch iets gemeenschappelijks. Ze hebben altijd naar

het aan de overzijde der ervaringen liggende gewezen, ze hebben het

besef wakker gehouden, dat er een "geheim" was, een niet te kennen

mysterie. Aan de laagste godsdiensten scheen dat geheim gemakkelijk

op te lossen. Maar naarmate de godsdiensten voortschreden, zagen zij

hoe langer hoe meer in, dat het mysterie niet te doorgronden was:

Het Absolute was niet voor te stellen. Onder geenerlei menschelijke

gedaante of vorm. Maar daarmee had men opgegeven het te kennen, want

wij beschikken alleen over naar menschelijke analogie gedachte of met

gegevens der menschelijke ervaring opgebouwde voorstellingen. De fout

der religie is geweest, dat zij op het terrein der verschijnselen wou

komen, dat zij wou spreken, waar het woord was aan de wetenschap. Voor

den vrede tusschen deze beide, elkaar vijandige machten is het noodig,

dat de religie ophoude ongodsdienstig te zijn en zich niet begeve op

het terrein der wetenschap.

En deze laatste moet ophouden onwetenschappelijk te zijn: Zij mag

niet komen op het gebied van den godsdienst. Zij heeft te beseffen,

dat er een onkenbaar iets is, het Absolute, waarvan de verschijningen

openbaringen zijn. En het pogen om dit te willen, en de bewering,

om dit te kunnen doorgronden, moet zij opgeven. In den eerbied voor

het Onkenbare komen wetenschap en godsdienst samen.

"Hier hebben wij een grondwaarheid van de grootst mogelijke zekerheid,

waarin alle godsdiensten het met elkaar en met de wijsbegeerte, die

haar bizondere leerstellingen bekampt, het eens zijn. Zullen godsdienst

en wetenschap verzoend worden, dan moet de grondslag der verzoening

deze diepste, uitgebreidste en grootste waarheid zijn, dat de Macht,

die zich in het Heelal openbaart, absoluut onnaspeurbaar is."

Waarom moet de wetenschap zich ook buigen voor het Absolute? Het

denken gaat steeds voort met verklaringen te vinden. Wat is dat,

"verklaren?" Terugbrengen van een verschijnsel tot een reeds

bekend, algemeener. Zoo worden de warmteverschijnselen uit beweging

der kleinste deeltjes, der moleculen verklaard. Beweging is een

algemeener waarheid. Maar kunnen wij nu met dat terugbrengen eindeloos

doorgaan? Kennelijk niet. Ten slotte komen wij tot een waarheid,

die niet nader verklaard kan worden, niet onder een andere, algemeene

gebracht. Dit wordt wel eens door den wetenschappelijken onderzoeker

vergeten. Gewoon, dat een nog niet bekend gebied nog nader bekend

worden kan, dat verklaringen, die nog niet te geven zijn in een

bepaalden tijd, toch gevonden worden, ziet hij over 't hoofd, dat het

stellige weten de geheele sfeer van het denken niet kan vullen. Aan

de uiterste grenzen der ontdekkingen rijst de vraag op, zal de vraag

steeds oprijzen: "Wat ligt aan de overzijde?" Geen verklaring, hoe

diep ook, kunnen wij ons denken, die de vraag: Wat is de verklaring

dezer verklaring? zou buitensluiten. Stellen wij ons de wetenschap

als een altijd grooter wordende bol voor, dan kunnen wij zeggen, dat

elke vergrooting van zijn oppervlakte hem in omvangrijker aanraking

brengt met het hem omgevende niet-weten.

"In de buiten- zoowel als in de binnenwereld bevindt de man der

wetenschap zich te midden van eeuwige veranderingen, waarvan hij

begin noch einde kan ontdekken. Wanneer hij de ontwikkeling der

dingen nogmaals nagaand, de hypothese opstelt, dat het Heelal eens

in een ongeordenden toestand bestond, dan vindt hij het toch absoluut

onmogelijk, zich voor te stellen, hoe het kwam, dat het zoo bestond. En

het is evenzoo, als hij nadenkt over de toekomst: hij kan geen grens

bepalen voor de oneindige reeks van verschijnselen, die zich voor

hem ontvouwen.

"Wendt hij den blik naar binnen, dan vindt hij eveneens dat de beide

draden van het bewustzijn buiten zijn greep liggen: ja, buiten

zijn vermogen, om zich voor te stellen, dat ze bestaan hebben of

zullen bestaan. Zoowel objectieve als subjectieve dingen vindt hij

beide gelijk onnaspeurbaar, wat hunne substantie of hun oorsprong

betreft. Naar alle richtingen plaatsen zijn onderzoekingen hem

voor een onoplosbaar raadsel en hoe langer hoe meer begrijpt hij,

dat het inderdaad niet op te lossen is. Hij kent de grootheid en de

kleinheid van den menschelijken geest, tegelijkertijd zijn macht,

alles te omvatten wat binnen de ervaring ligt, en zijn onmacht

tegenover alles, wat buiten en boven de ervaring is. Hij gevoelt in

haar geheele sterkte de totale onbegrijpelijkheid van het eenvoudigste

proces, wanneer dit op zich zelf wordt beschouwd. Beter, dan iemand

anders weet hij, dat niets, in zijn diepste wezen, kan gekend worden."

Spencer is dus agnosticus. (Het woord is van Huxley, die in een

gezelschap, gevraagd zijnde naar zijn beschouwing daarvan, om een naam

te hebben voor het zich onthouden van een oordeel over het absolute,

zei, dat hij een agnosticus was). Hij is "de grootste agnosticus der

19de eeuw."

Wel heeft zich ook bij Spencer een gemoedsbehoefte geldend gemaakt,

maar hij is nooit verder gegaan, dan zijn wetenschappelijk geweten

hem veroorloofde. Hij heeft de vraag overwogen, of het misschien een

ethisch postulaat zou zijn, om het Onkenbare als persoonlijk te denken:

maar hij verwerpt dit. De keuze ligt niet tusschen persoonlijkheid

en iets lagers: er is een bestaansvorm, die misschien hoog boven het

persoonlijke staat [31]. Naarmate Spencer ouder werd, naderde ook hij

meer tot den godsdienst: Op zijn 73ste jaar stelt hij overdenkingen op,

waaruit blijkt, dat hij zich ernstig met godsdienstige vragen bezig

hield. Hij zag voor zich de oneindige wereld met zijn zonnestelsel,

zijn komen en gaan, zijn vollen rijkdom van ontbloeiend leven, en hij

moest de vraag stellen: Waartoe dat alles? En zijn laatste woorden

luiden dan ook: "Ik ben er toe gekomen het godsdienstig geloof,--dat

op de een of andere wijze de plaats inneemt, die verstandelijke

uitlegging zoekt in te nemen, maar waarin ze faalt en des te meer

faalt, naarmate zij het probeert--met een sympathie te beschouwen,

die op gemeenzaamheid van behoefte berust. Ik gevoel, dat mijn anders

denken van de ongeschiktheid komt, de gegeven oplossingen aan te nemen,

verbonden met den wensch, dat er oplossingen mogen worden gevonden."

Taak der filosofie.

Der wetenschap is dus een bepaald gebied aangewezen. Wat is nu de taak

der filosofie? Om onze kennis tot eenheid te brengen. Het einddoel,

dat de filosofie zich stelt, is volkomen één gemaakte, geünificeerde

kennis (completely unified knowledge). De bizondere wetenschappen

schrijden voort van stap tot stap. Zij stellen voor een beperkt gebied

wetten op. Verschillende gebieden worden onder een algemeener wet

vereenigd. Zoo'n algemeener wet is in graad, niet in aard verscheiden

van een onder haar staande, meer bizondere. De wijsbegeerte nu verhoudt

zich tot de wetenschappen als deze zich tot haar deelen. Zij zoekt dus

de meest omvattende algemeene beginselen, die voor alle ervaringen

gelden. Wij beginnen met de algemeene beginselen aan te nemen, en

wanneer de uit die beginselen afgeleide gevolgtrekkingen of zij zelve

door de gegevens der ervaring bevestigd worden, dan blijken ze juist

te zijn. Om dat te kunnen doen, moeten we dus kunnen vergelijken:

gelijkheid en verscheidenheid opmerken, is de grondslag van ons denken.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 12 / 20 段