de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en
niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen
derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. "Indien wij
onze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht
en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en
ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid,
eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief
onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan,
en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik
beschouw dan ook het grondbeginsel, waar 't hier om gaat, (het beginsel
van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan)
als een generalisatie uit al deze feiten."
Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk
zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het
bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk
gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de
algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of
onbewust, inductie ten grondslag.
Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen... alle,
zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie
op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als
berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of
dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen
waar zijn.
Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut
zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid
zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.
Causaliteit.
Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan,
in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaak van een
ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en
gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf
regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.
1. We vinden in de natuur verschillende kristallen. [20] We zullen
nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks
van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei
stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene
omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is
iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan,
wanneer een of andere stof in een vloeistof is. We nemen dus aan,
dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van
kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.
We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen,
A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet
zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen 't nu aldus
overzichtelijk voorstellen.
A, B, C, D, .......... V
A, E, F, G, .......... V
A, H, I, K, .......... V
------------------------
A, oorzaak ........... V
In al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen
hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:
Geformuleerd luidt de regel:
Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel
slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid,
waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg)
van het gegeven verschijnsel.
Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men
weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de
oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar
heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet,
en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte
stokje van den toovenaar drie maal in 't rond gezwaaid is, 'tzij de
man 'tzelf, 'tzij een der kinderen 't doet.
De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, 't openspringen van
het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in 't zwaaien
van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens
dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen
hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het
drukken op een knopje) niet gezien.
In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig
onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde
omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak
aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden
volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het
voor, dat men bepaalde omstandigheden over 't hoofd ziende, een
verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.
2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het
schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep
omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep,
waaronder de man sterft. Die tweede groep verschilt van de eerste
alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van
verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:
Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet,
met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden,
behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval,
dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen,
de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het
verschijnsel.
Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wij
A, B, C, D, E, .............. V
B, C, D, E, ......... niet V
-------------------------------
A oorzaak of medeoorzaak van V.
3. [21] Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met
chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste
leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen de
drie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen
misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin
verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van
allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen
waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen,
waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu
voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel
gehouden.
Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we
aldus voorstellen
A, B, C, D, .................. V
A, B, C, E, .................. V
B, F, G, ............. niet V
B, C, H, ............. niet V
--------------------------------
A waarschijnlijke oorzaak ... V
Naar Heymans' gewijzigde formuleering luidt ze:
Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt,
een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke
in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt,
ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke
oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.
Opm. Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts
alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de
gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts
één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid
aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schema
A, B, C, D, ................. V
A, E, F, G, ................. V
Q, R, S, ............ niet V
T, U, V, ............ niet V
-------------------------------
A oorzaak of medeoorzaak van V
4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We
weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van
sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat
de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende
verschijnselen.
Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede,
haar schema
A, B, C, D, ............ V
A, B, C, D, E, ......... V + V1
-------------------------------
E oorzaak / mede-oorz. V1
Haar regel luidt:
Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande
inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het
overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende
omstandigheden.
5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen
verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt,
deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den
invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de
aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke
omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats
vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.
Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan
op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch
alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen
(bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot
kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden
optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats
vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan
staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet
steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van
het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van
de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij
die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt
krijgen wij dit schema:
A1, B, C, D, .................. V1
A2, B, C, E, .................. V2
A3, B, C, F, .................. V3
----------------------------------
A oorzaak of mede-oorzaak van V
Onder woorden gebracht:
Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een
ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het
gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk
verband mee verbonden.
John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te
werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen
onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn
voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had al eenig
vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige
Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.
Denkfouten.
Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten,
ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon's werk. Bacon had
reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons
moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een
indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert
natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling,
onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De
eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder
behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt
onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is;
algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal
altijd zoo blijven), enz.
Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding,
allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen
waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin 't niet doorgaat.
Men ziet omstandigheden over 't hoofd, die juist gewichtig
zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien
tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel
toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.
De derde groep toont ons de generalisatie.
Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een
fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen
besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige
menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.
Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons van altijd te spreken, als iets
één of een paar maal is voorgekomen.
Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn
inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout
maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld
is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren
zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor,
maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout
begaan. [22]
Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal
schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!
Zoo een redeneering als deze:
Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.
Hij heeft een plan gemaakt.
Men moet hem niet vertrouwen.
De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders
verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken
de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet
meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan
hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven. [23] In het laatste
geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen,
zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.
Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de
denkfouten, dat er aldus uitziet:
DENKFOUTEN.
|
+-------------------+-----------------+
ZONDER REDENEERING. MET REDENEERING.
| |
| +-----------+---------+
| De grond duidelijk De grond niet
1. Denkfouten à priori voorgesteld. duidelijk
(er wordt iets als | voorgesteld.
waar gesteld). +-------+------------+ |
Inductief. Deductief. |
| | |
+------+----------+ | 5. Verwarring.
2. Waarneming. 3. Generalisatie. |
|
4. Redeneering.
Ethologie.
Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op
positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den
menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch
te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.
Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit
zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding 't even ver
had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid
vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk
wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de
eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze
intellectueel de mindere van den man gemaakt.
Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer
behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven
van zijn groote kennis en scherp verstand. Het zou ons te ver voeren,
hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer
van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij
een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer
begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan
politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield
dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende
een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet
meer. Het blijke uit het volgende: "Wanneer men kiezen moest tusschen
het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand
der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,... wanneer
de instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een
noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld
werd, als dat thàns geschiedt--bijna in omgekeerde evenredigheid met
den arbeid--dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer
wegen dan kaf in de weegschaal..."
Ten opzichte der religie bleef Mill's standpunt onzeker, maar in
't laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van
den godsdienst.
In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had
medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend
zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het
Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell,
den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
HOOFDSTUK XII.
DE ONTWIKKELINGSFILOSOFIE.
§ 34. Historische opmerkingen.
Voor het naïeve denken zijn tal van dingen zóó, als ze zijn, en het
veronderstelt, dat ze er altijd zoo geweest zijn. In het hoofd van
een ongeschoolden Drentschen herder kwam het vroeger misschien niet
op, te vragen, waar die groote keien toch vandaan kwamen. Ze wáren
er. Een overigens lang niet dom meisje, van tegen de 20, dat men
eens op eenvoudige manier het ontstaan van den regen wou verklaren,
keek met verwijtenden blik, alsof men heiligschennis beging. In haar
denken werd alles, wat in de natuur geschiedde, tot een directe werking
der Godheid gemaakt, die niet verder nagespoord kón of behóorde te
worden. Niet verschillend in wezen is het denken van tal van menschen,
die het bestaande niet verder afleiden, maar alles terugbrengen tot
een schepping of een eenmaal bestaanden toestand.
Al spoedig echter moet in het verstand, dat tot nadenken over gegeven
ervaringen komt, het denkbeeld eener ontwikkeling optreden. Aan ons
strand zien wij duinen. Bij heftigen wind zien we ze verstuiven. Op
het strand hoopt zich zand op tegen een steentje, een schelpje, een of
ander voorwerp. Er ontstaat als 't ware een klein duintje. Zoo komt
men allicht tot de gedachte, dat de duinen ontstaan zijn, geworden,
zich ontwikkeld hebben.
Men ziet in den mensch ontwikkeling. Een kind groeit op. Het leert
loopen, spreken. Zijn denken, zijn voelen neemt toe. Maar ook
weet men uit overlevering of uit geschriften iets van vroegere
geslachten. Zij hebben ook in hunne werken, hunne gebouwen,
bijv. sporen van hun bestaan nagelaten. Het nageslacht blijkt verder
dan het voorgeslacht. Zoo kan de vraag zich voordoen, of misschien
niet alleen de mensch, maar ook de menschheid zich ontwikkelt.
Koene geesten beperken zich niet tot voor de hand liggende
ervaringen. Zij durven stoute verbindingen van voorstellingen
aan. Zoo ze in een bergstreek dierresten vinden, die aan zeedieren
hebben behoord, dan laten ze zich niet afschrikken door het groote
verschil tusschen berg en zee: zij wagen de veronderstelling, dat
déze aarde-hoogten aan de zee haar ontstaan hebben te danken.
De veelvuldigheid der gegevens van de ervaring trachten zij onder
algemeene formuleering of wetten te brengen. Zij durven daarbij tot
het einde doordenken. En zoo komt ons in de Grieksche wijsbegeerte
eigenlijk van haar eerste ontstaan af al de ontwikkelingsgedachte
tegen, de gedachte dat het nú bestaande geworden is uit het vróeger
bestaande,--en geen van eeuwigheid vaststaande vorm is, dat het
hoogere op het lagere berust en zich daaruit ontwikkelt.
Herinneren wij nog vluchtig aan enkele punten, die wij vroeger reeds
behandelden.
Empedocles reeds laat de dieren ontstaan, uit levensvatbare combinaties
(I, 39).
Bij Spinoza (I, 265) zagen wij, hoe deze uit een eenvoudig zedelijk
beginsel zich het geheele zedeleven ontstaan denkt, terwijl ook het
staatsleven zich ontwikkelt. Montesquieu (I, 333) had oog gehad voor
de ontwikkeling van het zedelijk gevoel; al iets meer oog gehad dan de
andere mannen der aufklärung, en Lessing had op godsdienstig terrein
willen aantoonen, hoe er een zekere vooruitgang in de godsdienstvormen
was (I, 355).
Kant en Laplace hadden de ontwikkeling in ons zonnestelsel aangetoond:
Als oorsprong was een oernevel gesteld, die, in draaiing gekomen,
zich gesplitst had: uit haar hadden de planeten zich losgemaakt,
van deze weer de manen. Terwijl Kepler de wetten had opgesteld,
volgens welke de planeten zich nu feitelijk bewegen, hadden zij de
vraag willen beantwoorden: vanwaar die planeten met hare beweging?
De idealistische filosofie was de ontwikkelingsgedachte--zij het
in anderen vorm--gunstig geweest: de geheele werkelijkheid was
zelfontwikkeling van het Absolute; voor Fichte zoowel als voor Hegel
was de geschiedenis een ontwikkelingsproces.
In het begin der 19de eeuw werd op natuurwetenschappelijk gebied de
ontwikkeling overal aangewezen. Lyell toonde aan, dat de verschillende
aardlagen spraken van een vorming door dezelfde krachten, die nu nog
op onze aarde inwerken.
Op geestelijk gebied zijn hier de associatie-psychologen te noemen,
die uit verbinding van voorstellingen den geheelen rijkdom van het
psychisch leven laten opkomen.
Ook de ontwikkelingsgedachte is dus evenmin als een andere uit de lucht
komen vallen: ook zij had hare voorloopers en de stand der wetenschap
was zoodanig, dat een geniale geest haar in scherpte en klaarheid
kon opstellen: Spencer deed dit voor de wijsbegeerte, Darwin voor de
natuurlijke historie. Maar de hypothese van den laatste werkte zoo
vruchtbaar, dat zij op schier elk gebied haar invloed doet gelden
en deed gelden. Zooals bij het uiteinde der middeleeuwen Kepler en
Galileï staan en met hun werk blijvenden invloed uitoefenen op het
wijsgeerig denken, zoo staat Darwin in de 19de eeuw als een keerpunt.
§ 35. Charles Darwin.
Leven.
Charles Darwin werd den 12den Februari 1809 in Shrewsbury
geboren. Studies in medicijnen en theologie boezemden hem geen belang
in. Gaarne ging hij dus de reis om de wereld met de Beagle maken
(1831-1836), die hem gelegenheid gaf tot veelvuldige waarnemingen
[24]. Zoo trof het hem bizonder, wat hij op de Galapagos eilanden,
1100 K.M. van Zuid-Amerika verwijderd, zag. Daar trof hij nl. een
aantal diersoorten aan, die alleen op die eilanden, en nergens
anders te vinden waren, maar tot geslachten behoorden, welke alleen
in Zuid-Amerika inheemsch waren.
Het scheen wel, dat er één grondvorm was geweest en dat die zich zoo
omgevormd had, dat sommige op het vasteland, andere op de eilanden
konden leven. Elk eiland had dan weer zijn eigen soorten.
"Het was hoogst verrassend, omringd te zijn door nieuwe vogels,
nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe
planten--en toch door tallooze kleine bizonderheden in lichaamsbouw,
zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor
oogen te zien van de gematigde streken van Patagonië of van de heete
droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom--zoo vroeg ik mij af--werden
op deze kleine plekjes land... de oorspronkelijke bewoners hier naar
Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij... zoowel
in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland,
en dus ook in de wisselwerking verschillen." En dat ieder eiland zijn
eigen soort had, die overeen kwam met een andere soort op een ander
eiland, viel Darwin bizonder op.
Na de reis zette Darwin, die in 1839 met zijn nicht getrouwd was,
zich neer, om de verslagen van zijn reis te schrijven. Sedert verliep
zijn leven als een echt geleerdenleven. In 1839 komt zijn werk over
den oorsprong der soorten, in 1871 dat over de afstamming van den
mensch. Den 19den April 1882 stierf hij. Terecht mocht hij in zijn
levensbeschrijving zeggen: "Ik geloof goed gehandeld te hebben met
mijn leven aan de wetenschap te wijden."
Hoe kwam Darwin er toe, uit zijn waarnemingen zijn hypothese op
te bouwen?
In 1838 was er van de hand van den staathuishoudkundige Malthus
een belangrijk werk verschenen over het bevolkingsvraagstuk, dat
op Mill en zijn medestanders een diepen indruk maakte, en ook aan
Darwin's gedachten een stoot gaf in bepaalde richting. Malthus was
sterk getroffen door de toeneming der bevolking. Uit elk paar ouders
konden natuurlijk veel meer dan 2 afstammelingen komen. De groote vraag
was of de toeneming der voedingsmiddelen met dien bevolkingsaanwas
gelijken tred zou houden. Hierop antwoordde de Engelsche econoom
ontkennend. De bevolking wies harder aan: nl. in een meetkundige reeks,
tegen de middelen van onderhoud in een rekenkundige [25].
We kunnen dit dus zoo uitdrukken:
1 2 4 8 16 32 ... Bevolkingsaanwas,
1 2 3 4 5 6 ... Productieaanwas.