van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische
compagnie, die "gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet
vreest." Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd
bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam
zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn
geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem
omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij
leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832
moesten de lords hun verzet opgeven en de "reform-bill" aannemen, die
beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op
algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding
tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou
er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.
Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door
zijn werk: "Ontleding van den geest." (Analysis of the Mind) waarin
hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na,
wat deze inhoudt.
Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet
denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een
schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide
voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier een associatie
door gelijkheid.
Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende
in 't bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander
opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook
tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer
bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de
boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie door aanraking,
aanraking in ruimte of tijd.
Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot
haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De
associatie is het psychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij
uitnemendheid.
Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel,
lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel
zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan
gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd
is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door
de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze
geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze
ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen,
gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door
de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde
richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding,
de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen
en voorstellingscomplexen.
De associatiepsychologie kon allereerst kritisch werken. Tal van
oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die
den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon
aangetoond worden, dat zij op verbinding van bepaalde voorstellingen
berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.
Maar zij kon ook opbouwend werken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op
de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen
opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
§ 32. Thomas Carlyle.
Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een
letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste
levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische,
critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals
nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen,
die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort,
omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij
Duitschland, Duitschland's éénige dichter Goethe vooral--maar ook
zijn denkers--doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman
maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige,
meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in
Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs
geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en
woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot 't einde van zijn leven.
Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot
zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen,
vond hij in zijn vrouw Jane Welsh.
Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerig oogpunt
behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn
studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering. [16]
Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische
levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet
zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op
een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij
durft er neen tegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest
tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig
geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den
invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij
niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel
van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.
Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid
blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende
voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar
lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de
theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een
persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de
leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor
op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden
is. Maar--hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is
begin van Nieuw leven.
Hier zien wij Carlyle één met Fichte.
Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen, het is
het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten,
achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die
werkelijkheid is religie.
"Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn
godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer,
die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven
en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel
en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle
geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of
onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en
beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de
buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke
redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch
werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij
het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen;
wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt
aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn
plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het
voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijn religie."
Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de
verschijnselen liggende.
Op ethisch gebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een
paar pagina's uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:
"Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over
Bentham's theorie over den mensch en 's menschen leven, noemde ik
haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij
verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken, dat zulks mijn
besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen
den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten
en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij
vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewust zijn, wat de
geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was te
worden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de
genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een
toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij,
een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren
machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat
ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een
goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is
iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme
uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen,
ofschoon het een Heldenmoed is met uitgestoken oogen! Het is het
hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder
volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende
eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het
goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien
zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De
leer van Bentham is Heldenmoed met uitgestoken oogen; het menschelijk
geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende
in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn
molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van
Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.
"Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen, wist en ter harte nam,
dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op
de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat
alle goddelijkheid zou verdwijnen uit 's menschen begrip omtrent
dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,--ik wil
het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te
noemen--waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het
is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zal
verkeerd denken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt
alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de
erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,--hekserij
zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken
Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch
God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is,
valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een
verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend
van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De "Leer
der Drijfveeren" zal hem leeren dat het,--onder meerdere of mindere
bedekking,--niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees
voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook,
het einddoel is van 's menschen bestaan. Godloochening kortom--iets,
dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch
geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode,
werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen,
evenwichten en ik weet niet wat al meer."
Ook op sociaal gebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij
ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van
graanrechten.
Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en
werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn
"Past and Present," dat met Schiller's "Ernst is het leven" tot motto,
in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is
onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap
bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte
een gevaar wordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron
van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke
beweging: eerder niet.
In Carlyle's geschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke
element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de
helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht,
de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de
helden, die denker, dichter, profeet waren.
Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In
het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in
de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten
slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de
verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den
menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in
ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.
Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag
het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap,
het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held
zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn
80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij
de orde van Pruisen: "Pour le mérite." [17] Misschien klemde hij zich
daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun
aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon
vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze
menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden
schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd,
het zwijgen, het stille zijn is verleerd--bewondering, eerbied is
verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend
leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?
Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle
dus den nadruk op het persoonlijke.
Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en
positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.
Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet
Nietzsche's ideaal: dat de grooten, de helden het doel der geschiedenis
zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn
de stuwende krachten in de historie. "Heldenvereering, indien gij
wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven
een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld
van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.
"Ja, vrienden.... heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig,
dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten
ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willen wij,
o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen
zij... daarheen drijven. Daar--of anders in den afgrond van den
oceaan--zullen wij komen!"
§ 33. John Stuart Mill.
Leven en Persoonlijkheid.
De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en
ontving z'n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder
zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden
had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen
met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer,
economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een
tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier
wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet
hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven
prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch
herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek
aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan
met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren
de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham's
leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met
andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme,
en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In
1823 komt hij in India-house in dienst van het besturend lichaam der
O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem
bespaard. Hij klimt op tot hoogere salarissen (ten slotte f 24.000)
bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd
laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat
overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch
pensioen van f 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.
Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt
zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen,
verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt
zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp
ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij
is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder
zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De
slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op
een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo
dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen
met menschenlot en menschenleed.
In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten,
wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was,
dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan 't oude.
De waarde van poëzie en kunst wordt hem--die overigens steeds een sterk
en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten--bewust. Hij heeft
gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham's nuchtere beschouwing
had geleerd. Mill heeft de subjectieve zijde van het leven gevonden.
En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij
sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een
Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te
waardeeren, als heilzaam tegengif.
In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met
Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel
over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de
kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte's
uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden
zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen
door Comte's eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal
bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.
In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde
logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen,
waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn
belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte
toe aan zijn latere vrouw.
Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht
haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling,
haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel
bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling
van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel
meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig
tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij
haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw
in '58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven
weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij
lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel
der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende
hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: "De
bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hij in het parlement kwam
wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de
ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze
"den heilige van het rationalisme" te noemen. Ik behoef niet te zeggen,
dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep
beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke
partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen--ik moet het
met smart bekennen--zeldzaam."
Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter
een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in
Avignon, in 't Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den
5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw,
wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens
werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben
bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.
Logica. Het empirisch standpunt.
Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill's
Logica, die niet zeer beknopt is, [18] zou dat niet veel meer worden
dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe,
enkele punten aan te wijzen.
Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit
de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan
wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid
toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen, die evenwijdig zijn,
elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring
heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien
samenkomen. We generaliseeren dus, maken de waargenomen gevallen
tot een algemeen verschijnsel. "Er blijft over te vragen, wat de
grond is van ons geloof in axioma's, welke de inductie, waarop zij
berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn;
generalisatie's van waarnemingen."
Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste
associaties. "Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke
natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op 't eerste gezicht iets
als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring,
die ons gewoon is en lang bestaan heeft.
Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten
van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen
gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben
gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende
moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden
te denken.
Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen
absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest
stevig verbonden zijn, te scheiden, [19] en zoo menschen met een
ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorsprong hebben, dan
komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar
zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij
hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld,
en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen
te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.
De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de
algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche
gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen,
die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of
bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er,
gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste
inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur
zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden
met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan
zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen:
voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk,
wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht... gemakkelijk
vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden."