Hij zag zich nu geroepen, om ook een religie te stichten, die het

gevoel recht deed en toch ook op positieven grondslag rustte. Bij dit

streven vervreemdden vele vrienden van hem. In zijn godsdienst, met

nieuwe plechtigheden en vormen, wenschten ze hem niet te volgen. Comte

zelf op zijn beurt was het laatst van zijn leven gesloten voor al wat

de buitenwereld hem aanbood. Hij trachtte zich te isoleeren, verdiepte

zich in muziek, Italiaansche en Spaansche poëzie, las in Thomas à

Kempis' Navolging van Christus (I, 198), overal in plaats van God

de menschheid lezend. Hij las niet anders. Zijn tijd van leeren was

voorbij. Hij had nu de kennis wel opgedaan, noodig om zijn systeem

te bouwen. Het laatst van zijn leven voelde hij zich gelukkig. Zijn

uiterlijk getuigde het. Voor Comte was zijn religie een "rustplaats

waar zijn denken de herinnering aan het grootste en beste dat hij

in de menschheid gevonden had, verzamelde, en van waar hij hoopvol

de toekomst tegenblikte, welke het onophoudelijk voortschrijdende

menschelijk geslacht te verwachten had. De liefde als beginsel, de

orde als grondslag, de vooruitgang als doel--dat was het motto van

de religie der menschelijkheid." (Höffding).

Den 5den Augustus 1857 stierf Comte.

De drie stadiën.

In de ontwikkeling der menschheid onderscheidt Comte drie trappen:

de theologische, de metafysische, de positieve.

Aanvankelijk heeft de menschheid weinig waarnemingen. Zij kent niet

zeer vele feiten. Maar de mensch heeft toch behoefte, om de feiten,

die hij waarneemt, te verbinden tot een eenheid. Hier nu komt de

fantasie te hulp. Zij bouwt den mensch de voorstellingen van goden

of van een god, die alles scheppen, of schept. Dit stadium heeft

zijn groote beteekenis. Het verstand wordt althans in werking gezet:

er worden verklaringen gezocht. Het gevondene wordt als volstrekte

werkelijkheid aanvaard. Twijfel bestaat niet. Er is dus een allen

menschen gemeene grondslag van godsdienst en zedelijkheid. Een goed

georganiseerd samenleven is mogelijk. Er is autoriteit. In den staat

heerscht de koning en hij oefent in het wereldlijke het gezag, dat

de godsdienst in het geestelijke oefent.

Ook deze trap van de menschheid wordt nog niet in eens bestegen. Eerst

komt het fetischisme. Dat ziet alle voorwerpen bezield aan. Het denkt

zich de voorwerpen in overeenstemming met 's menschen geest. Nu volgt

het veelgodendom, dat vele krachten aanneemt. Oorzaak van bewegingen

zijn verschillende, een hoogere wereld toebehoorende goden. Daarop

volgt het eengodendom: het verheft zich tot één God. Het denken is hoe

langer hoe abstracter geworden. Het monotheïsme is de overgang naar

het tweede stadium: het metafysische. Hierin wordt de werkelijkheid

niet langer verklaard uit één persoonlijk wezen, maar uit beginselen,

ideeën. Deze worden niet als de goden bij het theologisch stadium, door

de fantasie opgesteld, maar door de rede, en zij worden bewezen. Alle

beginselen, die de metafysica opstelt, monden uit in één groot

beginsel: de natuur. In dezen tijd ontbreekt alle autoriteit. Er

is geen allen gemeenzame grond van recht en zedelijkheid. Egoïsme

heerscht. In dien staat heerscht nu niet de koning maar de juristen

zijn de leidende mannen. Ook aan het staatswezen legt men één beginsel

ten gronde: de volkssouvereiniteit. Voor Comte is het metafysisch

stadium niet dan een overgangstijdperk, een tusschenstadium dat moet

voeren tot het laatste, het positieve. Hier regeert de waarneming

en men stelt wetten op voor algemeene of bijzondere feiten. De

mensch is overtuigd van de vastheid en algemeene geldigheid der

natuurwetten. Deze worden niet tot één wet teruggebracht, zooals in

de voorgaande stadia alles tot één God en tot één beginsel. Dat kan

niet. Er zijn verschillende groepen van verschijnselen, ieder met

eigen aard. Toch komt er een zékere eenheid: een subjectieve, die

hierin bestaat, dat voor alle feitengroepen één zelfde studiemethode

wordt aangewend: de positieve. En door deze eenheid van methode kan er

nu ook een algemeen geldende moraal komen: er is meer autoriteit. Er

komt nu ook samenwerking tusschen de menschen in de voortbrenging

der aardsche goederen. Daarom treedt, in het positieve stadium, de

industriestaat op. De natuur wordt bewerkt. Doordat men haar wetten

kent, werkt men met vrucht. Men ziet, en kan vooruit zien.

De indeeling der wetenschappen.

Comte zag als zijn taak, de positieve wijsbegeerte te ontwerpen. Hij

wilde daarbij niet, zagen we, als de theologen of de metafysica

alles tot één beginsel terugbrengen. Er waren verschillende groepen

van verschijnselen, die niet tot elkaar kunnen worden herleid en

dientengevolge waren er ook verschillende wetenschappen, die elk

zelfstandig waren door de behandelde stof, maar alleen de positieve

methode gemeen hadden. Deze wetenschappen moeten in een goede rij

worden geklassificeerd, haar volgorde moet vastgesteld worden. Als

leidend beginsel wordt hierbij aangenomen het intreden in het positieve

stadium. Zoo worden dan gegeven: wiskunde, sterrenkunde, natuurkunde,

scheikunde, biologie, sociologie.

Met deze indeeling gaat ook gepaard de meerdere of mindere

eenvoud. Wiskunde is een eenvoudige, sociologie de meest samengestelde

wetenschap. En de eenvoudige wetenschappen omvatten het meest:

zij komen terug in andere. Een verschil van methode gaat hiermee

gepaard. De meetkunde is deductief. Zij bewijst het bijzondere uit het

algemeene. Die methode is haar zoo eigen, dat zij over 't hoofd ziet,

dat haar éérste beginselen, de grondstellingen, de axioma's vanwaar

zij uitgaat, aan de ervaring ontnomen zijn. Comte staat hier dus--en

hem verwante denkers volgen hem hierin na--tegenover die denkers,

welke redelijke niet van de ervaring stammende elementen in onze

kennis aannemen. Volgens hen begingen Comte en de zijnen de fout,

dat zij uit empiristisch vooroordeel, en uit liefde voor de feiten,

eenvoudige, maar sprekende gegevens uit het bewustzijnsleven over

't hoofd zagen en dat zij, verkeerdelijk de wiskundige axioma's uit

de ervaring lieten stammen. Hun algemeen geldend, noodwendig volkomen

nauwkeurig karakter kunnen zij niet verklaren. We zullen zien, hoe

deze, aan Kant aanknoopende beschouwingswijze na het positivisme

weer opkwam.

De sociologie moet inductief te werk gaan, de wetten zoeken die het

leven der gemeenschap beheerschen. En heeft zij die wetten eenmaal,

dan is er toepassing op bijzondere gevallen mogelijk, kan zij deductief

te werk gaan.

De wetenschappen verschillen dus naar eenvoud, omvang, methode.

Comte houdt het voor absoluut onmogelijk, dat er een overgang kan

komen tusschen de verschillende groepen. Hij houdt sterk vast aan

de afscheiding.

Planten- en dierenrijk zijn absoluut gescheiden. Zij gaan niet

geleidelijk in elkaar over. In elk rijk staan de soorten weer

vast. Geen soort ontstaat uit de andere. In het gebied der natuurkunde

staat de eene groep verschijnselen naast de andere, treedt er niet

mee in verbinding. Hier heeft Comte's geestesrichting in haar zucht

tot het hebben van een stevig houvast hem belet, de in zijn tijd

reeds opgekomen ontwikkelingstheorieën te waardeeren. Zij hadden hem

kunnen doen zien, dat er toch veel op de overgangen wijst. De grens

tusschen planten en dieren is, als wij in de onderste soorten komen,

bijna niet meer te trekken. Robert Mayer ontdekte, dat beweging zich in

warmte omzette, dat warmte beweging was. Hij verbond twéé gebieden,

die Comte streng gescheiden achtte en de richting van herleiding

deed nog verder een groote schrede, toen de eenheid van licht en

electrische verschijnselen werd aangetoond. De ontwikkelingshypothese

heeft zich vruchtbaarder bewezen dan Comte dacht en de gescheidenheid

der verschijnselengroepen bleek niet zoo streng als hij meende.

Voor zielkunde als afzonderlijke wetenschap is geen plaats

in Comtes systeem. Hij verwerpt de subjectieve methode van

zelfwaarneming. Hoe? De geest neemt zich zelf waar. Splitst

hij zich dan misschien in twee gedeelten: een waarnemend en een

waargenomen? Neen, een objectieve methode is noodig. Het verstand

moet aan zijn resultaten (bijv. kunst, geschiedenis, wetenschap)

bestudeerd worden. Hier vergat Comte weer het belangrijke, eenvoudige,

onomstootelijke beginsel, dat ons alleréérst zijn gegeven onze eigen

bewustzijnsverschijnselen en dat de waarneming er van in objectieven

zin, als hij wilde, een middellijk waarnemen is. Toch heeft het

zijn nut gehad, dat Comte tegenover de zelfwaarneming ook wees op

de waarneming van psychische elementen, zooals zich dat openbaarde

in verschillende producten: allerwege wordt thans in de zielkunde de

middellijke waarneming naast de zelfwaarneming gezet. En eveneens heeft

het zijn groote beteekenis, dat hij den mensch niet als eenling wil

beschouwd hebben, maar op de omgeving, op het milieu gelet hebben. Een

groot deel der zielkunde wordt ondergebracht onder de sociologie.

Sociologie.

Dit woord vond Comte uit, en ondanks taalkundige bezwaren heeft

het zich gehandhaafd om de leer der maatschappij aan te duiden. De

sociologie omvat de staathuishoudkunde, de zedeleer, een groot deel

der zielkunde en aan haar is een groot deel van Comtes werk gewijd.

De mensch moet niet als enkeling beschouwd worden: de individu is

veeleer een abstractie. Men moet evenmin de verschillende elementen

der samenleving, recht, zeden, staatsinstellingen, apart beschouwen:

het eene hangt met het andere samen. Het is zeer dwaas, om één punt,

bijv. staatsinstellingen geheel te willen veranderen, zonder dat de

leidende ideeën, de zeden gewijzigd zijn. Doorloopend invloed oefenen

de deelen op elkaar uit. Wijzigen de denkbeelden zich, dan komen er

ook veranderde staatsinstellingen. Deze op hun beurt kunnen na langen

tijd ook wel iets bijdragen tot omvorming der ideeën.

Wat is de grondslag van het samenleven? Niet het slim overleg

van enkele booze individuen die het nut er van zagen, zooals de

aufklärungstijd wou leeren: om het nut te ondervinden, moet men eerst

een poos samengewoond hebben. Neen, de grond is gelegen in een drang

naar gezelligheid. Ook hier is het gevoel de kennis voorafgegaan. In

de samenleving ontwikkelt zich ook het altruïsme, de tegenstelling

van egoïsme. Natuurlijk mag de zorg voor eigen zelf nooit verdwijnen,

maar het moet ondergeschikt worden. Verstand, dat ons aantoont wat

goed is, sympathie, die ons niet uitsluitend in eigen dienst doet

arbeiden, bevorderen het altruïsme.

In den kring van de samenleving--de familie--heerscht vooral de

sympathie, in den staat het verstand. De positieve wetenschap

begunstigt de ontwikkeling van het altruïsme veel meer dan de

katholieke kerk. Deze toch kan niet de behoeften van het verstand

bevredigen, leert den enkeling zorgen voor eigen zieleheil. Gene

daarentegen scherpt de menschen in, dat er alleen ontwikkeling is in

de samenleving.

Toekomstig geluk hangt af van verbreiding van positivistisch

inzicht. Opvoeding werkt daaraan mee. Komen de ideeën maar eerst,

dan volgen de noodige staatsinstellingen van zelf. Er is nu eerst

maar eens behoefte aan een tijd, die de idee laat doorwerken, die

niet te veel verandering brengt.

Comte zelf heeft aanvankelijk niet verwacht, dat die tijd zoo spoedig

zou komen. Maar later meende hij, dat hij er al de beginteekenen van

zag. Het was in dien tijd zijner godsdienstige stemmingen. Zien wij

nog even, wat hij hier uitvond of liever bedacht.

Godsdienst.

Comte gaat nu nog eens een leer opstellen: hij wil een positieven

godsdienst stichten, die het gevoel recht doet wedervaren. Om van uit

het individu tot de wereld te komen, neemt hij de ethiek als zevende

en laatste, meest ingewikkelde wetenschap aan, waarin al de anderen

teruggevonden worden. Door haar wordt de menschheid het middenpunt,

waarom zich alles beweegt. Ja, de menschheid wordt "het groote wezen"

le grand être, dat wij vereeren. De menschheid omvat alle levenden,

dooden, die voor haar heil gewerkt hebben, allen, die nog zullen

komen. Er komt een eeredienst.

Aan het hoofd staan algemeen ontwikkelde wijsgeeren, als priesters,

die tevens dichters, opvoeders en geneesheeren zijn.

Er zijn bepaalde ceremoniën; er zijn sacramenten.

Er is een kalender, waarin iedere maand, iedere dag benoemd is naar

een groot man, die gearbeid heeft voor het welzijn der menschheid. Er

vinden herdenkingsfeesten ter eere van die weldoeners plaats. In

de particuliere kerken worden personen vereerd, die den mensch

persoonlijk nader hebben gestaan en het ideaal der menschheid voor

hem representeeren. Er zijn een aantal feestdagen. Er zijn drie maal

daags uitstortingen van het hart (gebeden) er zijn 9 sacramenten,

waaronder ook de dood behoort, de overgang van het objectief bestaan

in het voortleven in de gedachten der menschheid.

Zijn religie der menschelijkheid is "het katholicisme zonder

christendom." In Frankrijk, Brazilië, Chili, ontstonden enkele

gemeenten in den zin van Comte. Opvolger als "hoogepriester" was

Lafitte.

Maar deze bedachte godsdienst schoot geen wortel. Zij interesseert

ons verder niet uit wijsgeerig oogpunt, en niet op dit gebied ligt

de groote beteekenis van den Franschen denker.

Staat.

In den ideaalstaat der positivisten zal de macht berusten in handen der

"patriciërs" der hoofdmannen van de nijverheid, (bankiers, fabrikanten,

grondbezitters).

Zij zullen hun macht niet aanwenden tot eigen verrijking, maar tot

nut van het algemeen. Zoo ze verkeerd handelen, zullen wijsgeeren,

vrouwen en arbeiders, die het verstand, het gevoel en de kracht

vertegenwoordigen, hen samen tegenwerken. De openbare meening zal

eveneens een macht in den staat zijn. Werkstaking zal eventueel

geoorloofd zijn.

De arbeider zal niet in kommervolle omstandigheden moeten leven. Hij

zal een woning met minstens 7 kamers, een jaarlijksch loon van een

achttien honderd gulden hebben.

In dit laatste zien wij, dat Comte sterk den invloed ondergaan had

van het Socialisme dier dagen. In tegenstelling van het latere,

door Marx opgestelde Socialisme, was het utopistisch: het bouwde

een ideaalstaat, en beschreef tot in kleinigheden, hoe alles door de

voortbrenging en de verdeeling der goederen zou zijn geregeld. (Zie

hoofdstuk: Individualisme en Socialisme).

HOOFDSTUK XI.

HET ENGELSCHE POSITIVISME.

§30. Inleidende opmerkingen.

In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland,

hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het

land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was

het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond

zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde:

in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig

voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het

gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op

staathuishoudkundige vragen.

Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?

De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon

met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de

natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het

binnenland gericht. Weldra echter kwam--na Napoleon's val--beweging,

een schijnbaar politieke, maar inderdaad een economische... Napoleon

had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht

aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland

of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu

Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was

opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met

zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle,

bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden

muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende

invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van

arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende

rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland,

tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen

nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook

nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar

ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen

het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid,

en de orde wordt gehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig,

met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van

onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust;

maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij

en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis

een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes,

oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien

een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later

opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in 't parlement

kenbaar te maken.

Hervorming van 't kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding

der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt,

waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die

op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein

samenwerken, in de "Westminster review" weldra hun orgaan vinden.

Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te

noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft

voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die

de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John

Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook

practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp

en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in

hem alle draden van 't Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij

wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung

voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van

het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker

Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk

idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde

der levende persoonlijkheid. Aan Comte's leer trekt hij zich nu naar

boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.

§ 31. Bentham, James Mill.

Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten,

maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.

Jeremias Bentham (1748-1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel

onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk

mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan, om voor

het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De

groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het

geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied

geleerd, dat het in 't algemeen voor 't geheel 't best uitkwam,

wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou

dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet

een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch

gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet

kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De

openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen

belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht

in 't algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister

oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht,

wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in

't algemeen welzijn.

Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en

Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven

bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants

rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de

neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die

andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder,

die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de

associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den

enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren

als Bentham.

Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen--Höffding.

Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System

der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit

en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten

staat, gaat niet mee met Kant's algemeene geldigheid van het zedelijk

beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke

wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust

op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook

nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil

strekte? "De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt,

dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd,

met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval

onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden." Wel

bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill

te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het

hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven

is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van

handelen en leven. "Ik geloof, dat het recht op de zijde van het

energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent,

dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk

handelen is." Tot zoover Paulsen.

De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, de Kopenhager

Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt

diens leer, door den overgang tot behartiging van 's naasten belangen

anders te verklaren.

Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden,

welke hij beproeft te geven.

Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig

tot medelijden met anderen bewogen en dus ook in dat opzicht met

Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer

de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het

Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was,

onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog

niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf [15]. Hij eischte codificatie

('t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze

kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.

Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel

I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren

beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de

orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig

gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en

het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der

gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar

dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het

grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.

James Mill.

Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van

Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland

geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde

moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd,

daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John

Stuart. Theologiestudie beviel hem niet. Op dertigjarigen leeftijd

gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid

moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood

verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter

geen schade.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 9 / 20 段