Gelukkig--dat met dezen slechten stand der theoretische paedagogiek

een bloeiend schoolwezen gepaard gaat, dat, groote gebreken vertoonend,

toch over 't geheel niet behoeft onder te doen voor dat van de meeste

cultuurlanden van Europa.

Algemeene samenvatting.

Zoo kunnen wij dus dit tweede gedeelte eindigen. De tijd

der speculatieve filosofie is het eerste derde deel der 19de

eeuw. Aanvangend bij Fichte, loopt de groote idealistische strooming

over Schelling naar Hegel, die een school nalaat, welke, zich

splitsend, overgaat in het positivisme.

Een tijdlang daarna werden de idealistische systemen min of meer

vergeten. In 1890 nog schrijft Heymans, dat het geslacht dergenen

die nog in hun waarheidsgehalte gelooven, uitsterft of uitgestorven

is. "Voor het denken van dezen tijd hebben deze systemen alle

beteekenis verloren. Zij zijn dood; en het dient tot niets ze telkens

weer uit hunne graven te voorschijn te halen, om te bewijzen, dat

zij dood zijn."

Thans echter openbaart zich in ons land een sterke belangstelling in

Hegels leer, toe te schrijven aan het optreden van Bolland.

Omstreeks het midden der 19de eeuw begint het pessimisme van

Schopenhauer aandacht te trekken, na eerst een tijdlang onopgemerkt

verkondigd te zijn.

Aansluitend bij Kant komt Herbart, die de vader wordt van een

belangrijke ziel- en opvoedkundige school, die tot op dezen tijd

vooral op de theorie der opvoeding haar invloed doet gelden, en in

ons land in De Raaf en Geluk haar vertegenwoordigers vindt. Herbart

is de scherpzinnigste onder de denkers die tijdens het idealisme een

critische onderstrooming vormden. Schematisch geven we nog even een

overzicht. De toelichtende jaartallen, die wij voor het gemak naast

het schema laten drukken, moeten den tijd, waarin de denkers leefden en

hunne werken verschenen, aangeven. Zij zijn in drie groepen verdeeld:

I. De denkers.

II. De bij hun leven verschenen en in hun tijd verschenen werken.

III. De werken na dezen tijd verschenen, die aangeven, hoe door

den loop der 19de eeuw invloed bleef uitgaan van de wijsgeeren

uit dezen tijd.

DE TIJD DER SPECULATIEVE FILOSOFIE WAS

In den staat: Tijd van reactie. Onderdrukking van het liberale

beginsel: Heilige Alliantie der vorsten.

In de literatuur: Tijd van romantiek. (Tieck, Novalis, Hölderlin,

Schlegel.) Jena is het brandpunt.

In de filosofie: Tijd van idealisme en pessimisme met een critischen

onderstroom.

IDEALISME. PESSIMISME. ONDERSTROOM.

| | |

+-----------+----------+ | |

| | | | |

Fichte Schelling Hegel. Schopenhauer. Herbart.

| | | |

{ Schleiermacher. } | Mainländer. School.

{ Krause. } | { Hartmann. }

{ Wagner. } | { Nietzsche. } Psychologen:

| { Wagner. } Drobisch.

| Lazarus.

+-------------+---------------+ Steinthal.

| | | Waitz, etc.

Rechterzijde. Centrum. Linkerzijde.

| |

historici en Godsdienstwijsbeg.: Paedagogen:

aesthetici: Strauss. Ziller.

Erdman. Feuerbach. Strümpell.

Zeller. Rein.

Vischer. Economen: Geluk.

Kuno Fischer. Lasalle. De Raaf.

Marx.

Bolland.

EENIGE TOELICHTENDE JAARTALLEN.

1760-1814. Fichte.

1775-1854. Schelling.

1772-1831. Hegel.

1778-1860. Schopenhauer.

1776-1841. Herbart.

1794. Fichte's Wissenschaftslehre.

1798. Schelling, Van de wereldziel.

1799. Schleiermacher, Toespraken over den godsdienst.

1807. Hegel, Phaenomenologie van den Geest.

1812-1816. Hegel, Logica.

1813. Herbart's Inleiding in de Philosophie.

1816. Herbart's Leerboek der Psychologie.

1819. Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling.

1821. Hegel's Rechtsfilosofie.

1829. Herbart's Algemeene Metafysica.

1834-1853. Joh. E. Erdmann's Geschiedenis der wijsbegeerte.

1835. Strauss, Het leven van Jezus.

1839. Zeller's studies over Plato.

1841. Feuerbach, Het wezen van het Christendom.

1841. Schopenhauer's ethiek.

1842. Drobisch, Zielkunde.

1847-1852. Zeller's Geschiedenis der Grieksche wijsbegeerte.

1849. Waitz, Zielkunde als natuurwetenschap.

1846-1858. Vischer, Aesthetica.

1857. Kuno Fischer begint zijn geschiedenis der nieuwere

wijsbegeerte.

1867. Marx, Het Kapitaal.

1869. Hartmann, Filosofie van het onbewuste.

1872. Strauss, Het oude en het nieuwe geloof.

1876. Mainländer's filosofie der Verlossing.

1881. Dood van Tuiscon Ziller.

1882. Geluk's Woordenboek.

1896. Bolland, hoogleeraar te Leiden. Het wereldraadsel.

1904. Bolland, Zuivere Rede.

1905. De Raaf, Herbart's Metafysica.

1908. Dood van Ed. Zeller.

DERDE AFDEELING.

DE TIJD VAN HET POSITIVISME.

§ 27. Inleidende Opmerkingen.

Het begin der 19de eeuw is op literair gebied de tijd der romantiek. Op

wijsgeerig gebied die van 't idealisme. Na den bloei dezer richting

komt een tijd van inzinking. Men is gedesillusioneerd. Men

wendt zich af van de groote systemen. Men keert zich naar de

detailwetenschappen. IJverig onderzoek op elk gebied wordt de leus,

onderzoek naar feiten en samenhang van feiten, op welk gebied dan

ook. Maar wat men ook mag zoeken, géén metafysica. Misschien, dat men

nog erkennen wil, dat er iets achter de ons gegeven verschijnselen

ligt, dat er méér ligt in de gegeven dingen, dan wij meenen; maar dan

is het toch onkenbaar en doen wij dwaas, daaraan tijd en kracht te

geven. Als leeuwen opgesloten in een kooi, moeten we niet trachten,

de ijzeren tralies te buigen of te vermorzelen; dat zal ons toch

niet gelukken. Laat ons liever probeeren, de kooi te leeren kennen,

het in die kooi zoo gezellig mogelijk te hebben.

Inderdaad doen in dezen tijd de speciale wetenschappen

groote schreden. De physica ontwikkelde zich meer en meer, de

scheikunde deelde in dien vooruitgang. Darwin stelde zijn grootsche

ontwikkelingshypothese op, Robert Mayer vond de stelling, dat alle

energie behouden blijft, dat er omzetting van vorm der energie moge

plaats vinden maar géén vermeerdering of vermindering. Historische

studies werden ijverig bedreven. Kleine tijdperken werden met ijver

bestudeerd, grootere met minder voorliefde. De filologie spitste haar

beste krachten op de critische behandeling van teksten. De theologie

beoefende ijverig de bijbelcritiek, plukte en rafelde en twijfelde

aan elk feit zoolang, tot de critiek soms in hypercritiek scheen te

ontaarden. Groote schatten van kennis werden opgehoopt en verzameld.

In het onderwijs was de geest van Pestalozzi doorgedrongen. Kennis

verspreidde zich in alle lagen der bevolking door goed ingericht

volksonderwijs. Welk een betere organisatie bracht niet in ons

land de onderwijswet van 1857 vergeleken met die van 1806. Voor

de middenklasse, die geen academische vorming begeerde, kwamen

Hoogere Burgerscholen, waar niet het verleden, maar het heden de

leerstof zou leveren: moderne talen, wis- en natuurkunde werden er

de hoofdvakken. Niet Latijn en Grieksch zooals op 't gymnasium.

Op politiek gebied verdween na 1848 de tijd der reactie

gedeeltelijk. In Frankrijk en Engeland, in Duitschland in sommige

staten, in ons land was de volksinvloed (een invloed van den nijveren

of handeldrijvenden of grondbezittenden middelstand) op de regeering

merkbaar.

Op maatschappelijk gebied brachten de vele uitvindingen der 19de eeuw

geweldige veranderingen. De oude, vaderlijke verhouding tusschen

werkgever en werknemer verdween bij grooter worden van het getal

arbeiders, gevolg van grooter inrichtingen. Machines en installaties

eischten meer geld dan het eenvoudige bedrijf van vroeger, er kwam

opeenhooping van kapitaal in enkele handen. Daartegenover begon een

stand van werkenden te komen, wien gering loon werd uitbetaald. Vrije

concurrentie spoorde aan tot zoo zuinig mogelijk inkoopen van

arbeidskracht.

De kerk begon terrein te verliezen. Het rationalisme der 18de eeuw was

niet verdwenen, had sporen nagelaten. De rustige rust na Napoleons

val had ook in de kerk invloed doen gelden. In ons land was het

aanvankelijk pays en vree tot ook hier het modernisme doordrong, dat,

in onbarmhartige critiek op het oude en overgeleverde, voor velen de

kerk sloot. Voerende geesten wendden zich af van haar, zochten niet

zelden anderen werkkring. Wel ontbrak ook hier niet de reactie en

met name in het godsdienstige Nederland hield een niet gering deel

der natie vast aan oude Calvinistische leerstellingen.

Dit alles duurt tot '60, '70. Dan komt een reactie die in ons land,

dat de geestesstemmingen der groote cultuurlanden misschien iets

later weerspiegelt, omstreeks '80 duidelijk wordt. Omstreeks '60

wordt in de wijsbegeerte de leus vernomen: terug naar Kant! Lange

geeft zijn Geschiedenis van het materialisme, die onder doorloopende

waardeering van wat gedaan is door de materialistische denkers, steeds

de klip aantoont waarop alle materialistische levensverklaring moet

vastloopen. De nood der arbeidende klasse grijpt aan, maar niet op

idealistisch-utopistischen grondslag tracht men tot verandering te

komen. Karl Marx wil het socialisme wetenschappelijk grondvesten. De

regeeringen beginnen met sociale wetgeving. De literatuur verandert

zich, brengt het hartstochtelijk zoeken naar het nieuwe, de behoefte

aan dieper levensgevoel tot uiting, zoekt nieuwe vormen, nieuwe taal.

De politieke constellatie verandert. Frankrijk wordt een republiek,

het herstelde Duitsche rijk gaat in economischen bloei snel vooruit,

Italië wordt een eenheidsstaat.

De verachting der wijsbegeerte begint langzaam op te houden.

De tijd van het positivisme ligt derhalve zoo ongeveer in het tweede

derde der eeuw.

Maar vóór we de afzonderlijke denkers bespreken, past drieërlei

opmerking.

Het positivisme kon gaan bloeien, toen het idealisme uitbloeide. Maar

onjuist is het, om het bloot als reactie daartegen te beschouwen. Reeds

eenvoudige historische feiten bewijzen dit: Comte, de groote Fransche

positivist leeft ten tijde van Schelling en Hegel. Leerzaam is het

volgende tabelletje:

1798 Cabanis. Fichte.

Verband tusschen lichaam en Wetenschapsleer.

geest van den mensch.

1809 Lamarck. Schelling.

Zoölogische wijsbegeerte. Over de vrijheid.

1830 Comte. Hegel's werken uitgegeven

Positieve filosofie. (1832).

1834 Bentham's leer der moraal Fichte's nagelaten

verschijnt. geschriften komen uit.

Wat is n.l. het positivisme? Het wil uitgaan van de werkelijkheid,

van de gegevens, zooals die zich objectief aan ons voordoen. En dan

van onderen op wil het stijgen tot een omvattende kennis der geheele

realiteit, evengoed als het idealisme dat wou van boven af. En evenzeer

als dit, zoekt het in de geschiedenis en wil in deze, naar Kant's

programma, de leidende beginselen, de stuwende krachten ontdekken,

om zoo den loop der geschiedenis te leeren verstaan. Comte, evengoed

als Hegel, stelt een ontwikkelingsgang op der menschheid, ziet lijn

en verloop in de historie.

Ook het positivisme zet zich schrap tegenover het gebrek aan

historischen zin der aufklärung. Veeleer dan een dochter van 't

idealisme, die haar moeder 't leven rooft, is het positivisme een

in Frankrijk geboren zuster, die weldra het Kanaal oversteekt, en,

uit vrees van te vervallen in het idealisme der Duitsche, uit vrees

voor verlies van 't ervarings-standpunt, duidelijke feiten van 't

bewustzijnsleven over 't hoofd ziet.

Er past een tweede opmerking. Zooals er ten tijde van 't idealisme

critische denkers leefden, die later hunne waardeering vonden en

aanhang verwierven, zoo werken er in deze jaren van het midden der

eeuw wijsgeeren, die nú hún jongeren vinden. Onder hen is vooral te

noemen Gustaaf Theodoor Fechner.

Tot recht verstand kome een derde opmerking. De tijdgrenzen staan niet

precies vast voor deze periode en het woord positivisme wordt als een

titel gebruikt, die niet alles omvat wat in dit gedeelte gegeven wordt.

Wij gaan achtereenvolgens de Franschen na; zien, hoe daar in Comte

het positivisme tot zijn hoogtepunt komt, na eerst voorbereid te

zijn. In Engeland leeren we den strijd over de zedeleer kennen,

de richting van het Utilisme vertegenwoordigd door de beide Mill's,

van wie de zoon tevens was een uitnemend beoefenaar der logica. We

zien Darwin zijn grootsche hypothese opstellen en maken kennis met

de ontwikkelingsleer van Spencer.

In Nederland weerspiegelen zich deze bewegingen. Opzoomer wordt hier

de verkondiger van de wijsbegeerte der ervaring, bij hem sluit zich

aan zijn leerling Allard Pierson, en aanvankelijk ook Van der Wijck.

In de literatuur worden dan vele begrippen door Multatuli

gepopulariseerd, die, door puntige, scherpe wijze van zeggen in ons

land langen tijd een invloed kreeg, die oorspronkelijker en veel

dieper denkers soms ontzegd bleef.

En, even als in 't begin der nieuwe geschiedenis gaat ook nu van

Italië prikkelende kracht uit: een deel der positivistische school

werpt zich op de leer van den misdadigen mensch.

In Duitschland wordt het materialisme verkondigd door Büchner, Vogt,

Moleschott. De leer van kracht en stof doet opgeld.

HOOFDSTUK X.

HET FRANSCHE POSITIVISME.

§ 28. Inleiding.

De psychologische school.

In de revolutie had de aufklärung gezegevierd. Condillacs wijsbegeerte

werd de wijsbegeerte van Frankrijk. Bij hem sloten zich een aantal

denkers aan. In 't bijzonder te noemen is hier de arts Cabanis, die

met veel ijver het verband tusschen onze stoffelijke en geestelijke

verschijnselen bestudeerde. Bizonder gewichtig is, dat hij in de

zielkunde het begrip van het levensgevoel invoerde. Condillac had

geleerd, dat alles in onze bewustzijnsverschijnselen tot waarneming,

tot zinnelijke gewaarwording was terug te voeren. (I 334). Cabanis

nu wijst er op, dat ons ook uit ons organisme, uit onze hersenen,

gewaarwordingen toevloeien, ja, reeds voor onze geboorte. Deze vage

"gevoelens" vormen het levensgevoel. Ondanks enkele zijner uitingen

rekent men Cabanis niet tot de materialisten.

Napoleon was de leer van Condillac niet gunstig gezind. Met

persvrijheid was het gedaan. De aanhangers van Condillacs leer,

die vooral psychologen waren, trokken zich in engeren kring terug,

schaarden zich in Auteuil om Cabanis. Tot dien kring hoorde ook Maine

de Biran (1766-1824). Deze merkwaardige man, iemand van diep gevoel,

bestudeerde zijn eigen zieleleven met de objectieve belangstelling

van een theoreticus. Hem boeide vooral het probleem van de verhouding

tusschen activiteit en passiviteit in onze ziel: in hoeverre wordt

deze door de indrukken van buiten beheerscht, in hoeverre beheerschen

wij deze.

'n Zeer belangrijken kijk op den denker, die geen groote activiteit

bezat en er niet toe gekomen is, om zijn theorieën geheel uit

te werken, geeft zijn: "Intiem dagboek" in 1857 uitgegeven. (Zijn

werken werden eerst lang na zijn dood bekend.) Toch werd hij door zijn

hartstocht voor psychologisch waarnemen de vader der nieuwe Fransche

zielkundige school. Tot zijn vrienden en geestverwanten behoorde de

beroemde natuurkundige Ampère, die in wijsgeerig opzicht dicht bij

hem stond.

Het autoriteitsbeginsel.

Tegenover deze school nu stond een richting, die zoo van 1815-1830,

toen onder de Bourbons de reactie in Frankrijk hoogtij vierde, in

eere was. Zij wees terug naar het geloof als eenig heil, naar de

autoriteit van staat en kerk als onontbeerlijk. Ondanks epigrammen,

guillotine en sluitredenen stond de kerk nog rechtop. Het menschdom

had afdoende bewezen, dat de rede geen leidsvrouw kon zijn. Het

geloof bood een vast steunpunt. Reeds in 1802 had de letterkundige

Chateaubriand zijn beroemd werk over het christendom (le genie du

christianisme) geschreven en Joseph de Maistre werd de verkondiger

van het autoriteitsbeginsel. Buig u voor koningen, edellieden, voor

paus en kerkelijke autoriteiten. Laten zij beslissen wat waar, goed

en nuttig is. Zelfs de natuurwetenschap moet het ontgelden. Als zij

verklaart dat vloed en eb ontstaan door de aantrekkingskracht der

maan, als ze beweert, dat water uit twee deelen waterstof tegen één

deel zuurstof is samengesteld, dan noemt de Maistre dit "dogma's"

die betwijfeld kunnen worden.

Ons verstand begrijpt toch niet alles. Tal van onverklaarde dingen

doen zich aan ons op. De oorlog bijv. door het verstand vervloekt,

blijkt door geheel de schepping heen een middel tot bewaring van 't

leven. Zoek den vrede in de kerk. Laat de paus de wereld regeeren,

hij is onfeilbaar. Het ongeluk voor de menschheid is begonnen met

de Hervorming, een der grootste euveldaden! Het zette zich voort

in de 18de eeuw, samenspanning tegen geloof en kerk, waarbij de

godslasterlijke hansworst Voltaire voorging.

Zooals de aufklärung alles aan de kerk en de papen weet, alles

toeschreef aan opzet en bedrog, zoo doet de Maistre het aan de

aufklärung.

Cousin.

Onder het koningschap van Lodewijk Philippe was Cousin, (1792-1861)

begaafd redenaar, schitterend stylist, de alleenheerscher op wijsgeerig

gebied. Hij doceerde aan de "Normaalschool," de inrichting, waar alle

leeraars voor hoogere betrekkingen worden opgeleid. In elke filosofie

iets waars ziende, werd hij een eclecticus, die verschillende elementen

tot een systeem vereenigde. Dit waardeeren der verschillende stelsels

bracht hem tot de bestudeering van de geschiedenis der wijsbegeerte. Op

dit terrein hebben hij en zijn leerlingen besliste verdiensten. Aan

zijn Platovertalingen werd reeds herinnerd.

Tegenover de "Normaalschool" stond de polytechnische Hoogeschool. Hier

ontstond het positivisme van Comte.

§29. August Comte.

Leven en Persoonlijkheid.

Merkwaardigen vooruitgang hadden de natuur- en scheikunde te zien

gegeven. Tal van verschijnselen waren ontdekt, voor tal van reeds

bekende een juister verklaring gevonden. Zouden die ontdekkingen geen

invloed uitoefenen op andere wetenschappen? Zouden zij niet nuttiger

kunnen zijn dan alleen op 't enge gebied van eenige afzonderlijke

vakken? Het antwoord kon niet twijfelachtig zijn. Altijd had de

groeiende ervaring der menschheid ingewerkt op haar godsdienst, kunst,

staatsleven. Nooit geheel hadden zij zich kunnen onttrekken aan de

macht der feiten. Zouden ze het nú dan wel doen, nu die feiten zoo vele

waren, zoo luide spraken? Het was onmogelijk. Wat er te doen bleef,

dat was een wetenschap van den geest op te bouwen, even positief als

de scheikunde, de natuurkunde. Dan waren alle bizondere wetenschappen

positief. En deze te zamen zouden een geheele wijsbegeerte leveren,

die, even stellig als nu de natuurwetenschappen, even onbetwistbaar zou

zijn, evengoed ontzag zou inboezemen, en dus een algemeene denkwijze

bevorderen. De stelligheid moest zich zoo met de algemeenheid en

de algeheelheid vereenigen. Dan zoude er meer autoriteit komen en

gehoorzaamheid aan 't gezag. Het zat er diép in: de behoefte aan

autoriteit in de eerste jaren der 19de eeuw. Eens was er een tijd

geweest, toen de menschen met eerbied bezield waren voor de kerk,

een gemeenschappelijk ideaal hadden, zich één voelden, zich bogen en

daarin en daardoor samen werkten. Dien tijd hadden de Middeleeuwen

te zien gegeven met de kerkelijke hiërarchie. Maar de hervorming

was gekomen en had tot deïsme en andere halfslachtigheden geleid,

die noch het eerbiedig ontzag voor de kerk, noch dat voor de feiten

bezaten. Dan had De Maistre recht gehad, die onomwonden weer eerbied

voor de kerk, herstel der Middeleeuwsche gehoorzaamheid eischte. Doch

die tijd was voorbij. Critiek en nadenken hadden onherstelbaar

het geloof aan de kerkelijke leerstellingen vernietigd. Teruggaan

was onmogelijk. Vooruit lag de weg! Men moest komen tot het allen

ontzag inboezemende positivisme, de leer, gegrond op de positieve

wetenschappen. Die leer te ontwerpen, haar door te voeren voor de

practijk zoowel als haar met groote kennis van feiten te argumenteeren,

ziedaar de levenstaak en het werk van August Comte.

Hij werd den 19den Januari 1798 uit een streng katholieke familie

geboren, maar reeds op zijn 14de jaar kwam het in den jongen tot een

crisis: hij voelde, dat het leven zich moest verjongen en vernieuwen,

dat het tot dusver gevolgde geloof niet houdbaar was.

Hoe moest die jonge geest voedsel vinden aan de polytechnische

hoogeschool, waarheen hij werd gezonden! Daar heerschte onder de

leerlingen een vrije, republikeinsche geest en met de liefde voor

de exacte wetenschappen verbond zich een levendige belangstelling in

mensch en maatschappij: hier ontmoetten in jonge menschen met warme

harten en heldere hoofden stelligheid en menschelijkheid elkaar.

Wie weet, welk een intens leven een poos geheerscht heeft aan de

polytechnische hoogeschool te Delft [12], vindt een Hollandsche

parallel.

Een studentenopstootje is voor de regeering aanleiding om de school

te sluiten en de studenten her en der te verspreiden.

Maar Comte houdt het niet uit buiten Parijs: hij keert er terug, vult

nu met studies in andere vakken zijn kennis aan, komt in aanraking

met De Saint Simon en ondergaat, als zoo menigeen, diens machtigen

invloed. De liefde voor de Middeleeuwen, die zoo wel georganiseerd

waren, deelt hij met dezen, en hij gevoelt belangstelling voor

sociale vragen: had niet het positivisme ook een belangrijke sociale

roeping. In 1822 verschijnt zijn eerste belangrijke werk. Het wekt

bevreemding, belangstelling. Het komt op tegen vrijheid, het eischt

autoriteit, maar gegrondvest op inzicht, op buigen voor de wetten

van het verstand.

De politiek moet tot een positieve wetenschap worden gemaakt. Men moet

ook hier de wetten leeren kennen, om daaruit de noodige voorschriften

voor de practijk af te leiden.

Die wetten te vinden, die leer te ontwerpen wordt nu levenstaak. En

aan een kleinen, maar zéér uitgelezen kring, leest hij in 1826 zijn

positieve filosofie voor. Hij breekt dien cursus af. Waarschijnlijk

tengevolge van overspanning, wordt hij tijdelijk krankzinnig. Met

groote energie weet zijn vrouw--een trouwe, toegewijde vrouw, met wie

Comte 't echter op den duur niet meer vond--haar rechten te handhaven

tegenover Comte's ouders, en hem uit 't klooster te houden.

In 1829 is de cursus voltooid: in 1830 verschijnt deel I, in 1835 II,

in 1838 III, 1839 IV der positieve filosofie. Op de wandelingen bedacht

Comte zijn werken. Zijn uitnemend geheugen stelde hem de stof, zonder

naslaan, ter beschikking en in betrekkelijk korten tijd waren zijn

boeken neergeschreven. Hun vorm is niet steeds aangenaam. Somtijds

zijn ze wat langdradig [13]. Toch zijn ze begrijpelijk en de stijl,

hoewel niet mooi, getuigt van ernst en is helder.

Na het jaar 1830, toen Frankrijk liberaler werd geregeerd, had Comte

op een professoraat in de positieve filosofie gehoopt. Het kwam

niet. Evenmin een professoraat in de wiskunde. Hij verdiende zijn

brood met schrijven, les geven. Bovendien was hij examinator voor de

polytechnische school. Tot dit ambt--bijna schreef men hier, vergeleken

met den man die 't bekleedde: baantje--werd men elk jaar benoemd door

den raad van leeraren. Toen nu Comte in de voorrede van een zijner

werken een tamelijk heftigen aanval had gedaan op de wiskunde en

gezegd, dat zij nú onder de natuurwetenschappen stond, toen hij de

hoogleeraren der polytechnische school hunne wiskundige eenzijdigheid

had verweten, ontging hem zelfs dit. Zorgen, armoede stonden voor de

deur: de groote man moest weer privaatlessen gaan geven. Maar vele

belangstellenden in Frankrijk en daarbuiten, (in Engeland o. a. Stuart

Mill en Grote [14]), zorgden voor ondersteuning. In denzelfden tijd

scheidde Comte ook van zijn vrouw. Zij bleef zich haar leven lang

interesseeren voor zijn werk en zijn ideeën. Een nieuwe zenuwcrisis

brak aan.

Een merkwaardige verandering treedt er nu in Comte op. Hij was van

jongsaf mystiek aangelegd. Hij had een sterke behoefte in zich gehad,

zich geheel aan iemand te kunnen overgeven, met al de kracht van zijn

gevoel. In een jonge vrouw, Clotilde de Vaux, vond hij eindelijk haar,

die hij zocht. Zij werd voor hem, wat Beatrice voor Dante geweest

was. Toen zij na een jaar stierf, bleef hij haar vereeren: zij was

voor hem de verpersoonlijking der menschheid. En hiermede ging Comte

over tot zijn godsdienstige periode.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 8 / 20 段