verder deelbare, zichzelf handhavende "realen," die ieder weer hun
eigenaardige eigenschappen hebben.
Niet oneindig, maar zeer groot, is het aantal realen.
Voor Democritus hadden er ook atomen bestaan. Maar hun verschil
was er een geweest van vorm en grootte. Het onderling verschil
tusschen de "realen" van Herbart is een qualiteitsverschil, een
hoedanigheidsonderscheid. Vandaar dat hij zijn leer betitelt als
qualitatief atomisme. Gevoeglijk zou zij ook te vergelijken zijn met
de leer der Eleaten. Dezen hadden het eenige, onveranderlijke zijnde
tegenover de wereld der verschijnselen gesteld, de wereld waarvan we
géén waarachtige kennis, slechts doxa, meening hadden. Ook Herbart
stelt eenige, onveranderlijke realen, geen zijnde, maar zijnden. Zijn
leer zou meervoudig Eleatisme kunnen heeten.
Die realen handhaven zich zelf. Zij willen blijven bestaan tegenover
storingen van andere verschijnselen. Alle gebeuren is een reeks
zelfhandhavingen van realen die met elkaar in betrekking komen. Wat is
nu verandering? Ik zie vandaag A, morgen A1, van A door een verschil
onderscheiden. Een reaal verandert niet. Maar tegelijk met A neem ik
nu het reaal B waar, en daardoor ontstaat het verschil. Verandering
bestaat dus eigenlijk niet. Alleen kan een mensch zich met één
reaal verschillende andere samendenken. Vertoont zich een ding dus
achtereenvolgens als A, A1, A2, A3, dan moet er telkens een andere
samenvoeging van realen zijn die ik waarneem.
Een dergelijke oplossing nu wordt gegeven van het inherentie
probleem. Een ding, waarin ik verschillende eigenschappen waarneem,
is een verzameling van realen, elk met zijn eigen hoedanigheid.
Wat is ons ik? Niet anders dan een verzameling, een complex, evenals
een ding. Het ik-probleem valt onder het inherentieprobleem. "In
het ik is velerlei bijeen: deels een samengestelde voorstelling,
die echter niet nauwkeurig bepaald is, van datgene wat tot het ik
behoort, deels een nog veel grooter en meer en meer aangroeiende
kring van voorstellingen van andere zaken; en deze onderscheiding
geeft aanleiding om te spreken van een ik en van een niet ik."
En wat blijkt hieruit voor ons onderzoek? Dat men het ik kan beschouwen
als eene verbinding van vele en velerlei kenmerken; dat het dus hoort
in de rij der vroeger beschouwde dingen met vele, veranderlijke
kenmerken en dientengevolge valt onder het logisch hoogere begrip
van het ons bekende probleem der inherentie.
De geheele werkelijkheid bestaat dus uit realen die bij storingen
van buiten zich zelf handhaven. Alle gebeuren berust daarop. Alle
geschieden, alle verandering hangt dus af van de betrekking, waarin
het eene reaal staat tot het andere.
En door die verschillende betrekkingen aan te nemen, zijn
tegenstrijdigheden op te lossen, zijn de begrippen te bearbeiden. Het
doel der wijsbegeerte is bearbeiding der begrippen. Haar methode die
der betrekkingen.
Wij zagen dus, dat, wanneer een ding ons morgen anders schijnt dan
gisteren, wanneer het verschil vertoont, dat dit komt, omdat het in
betrekking is gekomen tot andere realen. Maar gisteren en vandaag is er
dan toch een reaal geweest, uitgangspunt als 't ware der reeksen die ik
zie, die gelijk is gebleven. Die reale is de substantie. Zoo is er, op
geestelijk gebied ook een reaal, een substantie: de ziel. Die ziel komt
met andere in betrekkingen, er ontstaan een reeks zelfhandhavingen:
dat zijn de voorstellingen. Maar die moeten niet opgevat worden, in
gewonen zin, zoo als wij spreken van de voorstelling van een huis,
een park, enz. Want deze voorstellingen zijn niet enkel. Herbarts
voorstellingen zijn de enkelvoudige gewaarwordingen, bijv. één toon
[10].
En hiermede gaan wij over tot Herbarts psychologie.
Psychologie.
Aan deze wetenschap kent Herbart een zeer voorname plaats toe en
hij is een harer uitnemendste vertegenwoordigers. Hij weet van zijn
zielkunde een samenhangend, stelselmatig geheel te maken, dat de
zielkundige verschijnselen niet als een meer of minder los naast
elkaar staande groep van verschijnselen opvat, maar er verbinding in
weet te brengen door ze te ordenen onder algemeene beginselen. Maar
ook is Herbarts zielkunde niet aan ervaring, menschenkunde, scherpen
blik gespeend. Menige pagina zijner werken getuigt van voortreffelijk
waarnemen.
Wat is het groote beginsel, vanwaar uit Herbart de psychologie
beschouwt? Het hangt samen met zijn metafysica.
Het bewustzijnsleven is resultaat van het werken der
voorstellingen. Deze werken op elkaar in naar bepaalde wetten. Zooals
er voor de buitenwereld een mechanica is, die de wetten der beweging
opspoort, zoo moet er een mechanica van voorstellingen komen. Dit
heeft doen spreken van Herbarts voorstellingsmechanisme. De disparate
voorstellingen kunnen verbindingen aangaan, bijv. de woordklank
roos, het gezichtsbeeld roos, de geur, enz. Zijn voorstellingen
gelijksoortig, dan vindt er versmelting plaats, bijv. het
waarnemingsbeeld van een roos met het herinneringsbeeld. Zijn
voorstellingen, die elkaar tegen gesteld zijn, tegelijk in 't
bewustzijn, dan belemmeren ze elkaar, bijv. twee kleuren.
Er is dus verbinding, versmelting, belemmering. Bij ná elkaar komen
ontstaan rijen (bijv. van een gebeurtenis) bij gelijk zijn groepen
(beeld van een plein of kamer bijv.)
Elke voorstelling nu handhaaft zich zelf, ze verdwijnen dus niet. Is
zij niet in het bewustzijn, dan komt dat, omdat ze belemmerd
wordt. In haar zelf vindt ze een kracht, om naar boven te komen, om
te stijgen. Reproductie, opnieuw bewust worden van voorstellingen kan
door associatie ontstaan, maar dus ook spontaan: als de belemmeringen
wegvallen.
Uit de verhoudingen der voorstellingen ontstaat het gevoel,
het streven, de wil. Deze zijn nu geen afzonderlijke vermogens
der ziel. Heftig bestrijdt Herbart de vroeger heerschende
vermogenstheorieën, die aan de ziel aparte vermogens,
b.v. voorstellingsvermogen, gevoelvermogen, begeervermogen toekende.
Zooals Herbarts metafysica in innig verband staat met zijn zielkunde,
leidt deze weer tot de opvoedkunde. Het karakter van den mensch hangt
af van bepaalde overheerschende voorstellingsmassa's.
Hoe langer die bestaan, hoe meer invloed ze uitoefenen en hoe
sterker gewoonten ontstaan, die andere in toom houden. Onze wil
wordt bepaald door onze voorstellingen, van deze hangt ons handelen
af. Herbart is een voorstander van het determinisme. Zonder dit ware
opvoeding onmogelijk. Hoe zou, als er geen inwerking mogelijk was,
als de voorstellingen niet bepalend werkten, ooit iets gedaan kunnen
worden met hoop op resultaat?
Ook aan de afwijkende verschijningen op het gebied van 't
bewustzijnsleven alsmede aan het psychisch leven van groepen wijdt
Herbart eenige aandacht, zij het lang niet in die mate als thans het
geval is bij de zielkundigen.
Ethica.
Doch de zielkunde is niet de eenige hulpwetenschap voor de
opvoedkunde. Zij geeft de middelen aan. Het doel wordt aangewezen
door de zedekunde. Op welk ethisch standpunt staat Herbart?
De ethica is een onderdeel van de aesthetica. Wanneer wij
bijv. een goed klinkend accoord, een samentreffen van eenige bij
elkaar passende tonen hooren, vinden wij dat onwillekeurig mooi,
tegenover een wan-klank. Onze belangen, onze wil blijven buiten die
beoordeeling. Onwillekeurig schenken wij onze goed- of afkeuring. Dit
belangelooze is het kenmerk van aesthetische oordeelen. Nu kan het
oordeel ook gegeven worden over een menschelijke handeling. Ook deze
kunnen we karakteriseeren als mooi of leelijk, en tengevolge daarvan
kan het voornemen ontstaan om zich eveneens te gedragen. Begeeren
wij iets, zien wij daden van anderen, dan kunnen wij beoordeelen,
of die opkomende begeerte, die verrichte daad in overeenstemming is
met dat voornemen. Dan ontstaat een zedelijk oordeel. Ter laatster
instantie berust dit op een schoonheidsoordeel. Zooals Kant en
Fichte nu een algemeen zedelijk beginsel gezocht hebben, tracht
Herbart ook beginselen te vinden, waarnaar de zedelijk-ethische
waardeering plaats vindt, en die ons als richtsnoer kunnen dienen
in bizondere gevallen. Van deze beginselen kent Herbart er vijf: de
vijf practische ideeën, die, ook in overeenstemming met zijn methode,
berusten op betrekkingen. Zij zijn de idee der innerlijke vrijheid, der
volkomenheid, der welwillendheid, van het recht, der billijkheid. En
uit haar vloeien vijf ideeën voort voor de maatschappij, voor de
samenleving der individuen. Wat is de inhoud dezer tien ideeën?
De idee der innerlijke vrijheid leert ons, dat dit handelen goed is,
hetwelk geschiedt overeenkomstig ons zedelijk inzicht: zij heeft
dus betrekking op de verhouding tusschen inzicht en wil. We zouden
hier kunnen spreken van een wetgevenden wil en een uitvoerenden. De
overeenstemming tusschen beide is de zedelijke vrijheid.
Het komt er echter niet alleen op aan, dat we willen zooals ons inzicht
voorschrijft, maar ook, dat we krachtig, energiek willen, dat ons
willen veelzijdig (zonder versnippering) zij, dat er harmonie bestaat
tusschen de verschillende richtingen van den wil. Het krachtige, rijke,
gezonde (harmonieuse) willen behaagt en dit vindt zijn uitdrukking
in de idee der volkomenheid.
Maar--de wil van den mensch kan niet alleen in betrekking staan
tot eigen inzicht, tot eigen wil (in anderen tijd, in andere
omstandigheden) maar ook tot den wil van anderen. En hieruit
ontspringen de overige drie ideeën.
Wanneer A den wil van B kent of zich dien voorstelt en dat willen
goedkeurende, onberispelijk vindende, bevrediging van B's willen
begeert, dan is er welwillendheid aanwezig. Deze doet zonder meer
aangenaam aan. Het kan zijn, dat de welwillende door gebrekkige kennis,
door onwetendheid verkeerd handelt: het willen van B kan slecht zijn,
de middelen, gekozen om hem te helpen, ondoelmatig of verkeerd, maar
daaronder lijdt niet de waardeering der gezindheid. Noch behaagt de
daad, die uit welwillendheid zou kunnen voortgekomen zijn, maar haar
motieven in iets anders vindt, (bijv. ijdelheid, berekening). Letten
wij goed op: de gezindheid alleen is reeds voorwerp van waardeering:
zij behoeft nog niet tot handelen te komen.
De verhouding bestaat hier ook niet tusschen twee werkelijke, in
de buitenwereld optredende willen, maar tusschen een voorstellende,
en een voorgestelde wil.
Waar twéé willen in de buitenwereld optreden, waar A zich bijv. richt
op Q en B ook, waar tusschen A en B strijd ontstaat over Q, daar
treedt een andere verhouding op. Wij vinden dien strijd leelijk,
wij keuren hem af. Hij moet dus vermeden worden. Men kan hem ontgaan
door de welwillendheid, (een of beide doet afstand) maar gewoonlijk
worden er afspraken gemaakt, waaraan zich te houden, recht is. Het
eerbiedigen van de afspraken, het blijven binnen de gestelde grens,
wekt waardeering. Hier hebben we de idee van het recht.
Eindelijk billijken wij het, wanneer hij, die wel doet, wèl ontvangt,
en omgekeerd. Er is verstoord evenwicht, als een daad onvergolden is.
Op deze waardeering bouwt Herbart de idee van de vergelding, waaronder
ook de begrippen schuld, opzet, vallen.
Welke regelen gelden nu voor het leven van gemeenschappen? Hier gaan
wij de omgekeerde volgorde. Met de vergeldingsidee komt overeen die
van het loonsysteem, het onrecht wordt in de samenleving gestraft. Daar
is het noodig, regelen te treffen, die, daar de strijd ontbranden kan,
dien kunnen voorkomen, door rechtsregelen te treffen.
Met de idee van het recht correspondeert de rechtsstaat. Maar het
is eveneens noodig, dat er in die samenleving zooveel mogelijk geluk
voor allen zij. Met de idee der welwillendheid komt het beheersysteem
overeen. Zooals voor het individueele leven de idee der welwillendheid
het voornaamste is en buiten haar om recht en vergelding niet mogen
uitgeoefend worden of toegepast, zoo moet in de maatschappij nooit bij
vergelding, bij straf dus en bij rechtsregelen het geluk van allen
vergeten worden; mag het beheersysteem niet uit het oog verloren
worden. Maar de gemeenschap als geheel, moet ook trachten, tot zoo
krachtige en zoo groot mogelijke ontvouwing van alle krachten te
komen. Zooals het individu geleid wordt door de idee der volkomenheid,
heersche in de gemeenschap het beschavingssysteem. Ten slotte moet
ook in de maatschappij overeenstemming zijn tusschen inzicht en wil:
er moet getracht worden de vier zooeven genoemde ideeën ingang te
doen vinden.
In de bezielde maatschappij is dus de afgeleide idee gegeven, die
overeenstemt met de zedelijke, de innerlijke vrijheid van den enkeling.
De politiek heeft nu tot taak de regelen te geven voor de wijze, waarop
de staat en de maatschappij moeten gebracht worden tot opvolging der
ideeën. De paedagogiek doet hetzelfde voor het individu.
§ 26. Opvoeding. De Herbartsche School.
Het is de verdienste, de zeer groote verdienste van Herbart
geweest, dat hij een systeem gegeven heeft van opvoedkunde. Naast
de theoretische wijsbegeerte, die vraagt naar het zijn, en die
kénnen wil, staat de practische, die voorschriften voor handelen
zoekt. Beurtelings zagen we een van beide overwogen. Tijden, dat de
filosofie alleen levensleer was, waren geen eigenlijke bloeitijdperken
voor het denken. Kant had, met zijn scheiding van theoretische
(zuivere) en practische rede beide deelen van de wijsbegeerte recht
gedaan. Ook hierin is Herbart een Kantiaan. Ook hij heeft theoretische
en practische wijsbegeerte gescheiden. En in deze laatste sluit hij
bij Kant aan in zijn bepalen van het schoone als een belangeloos
beoordeelen, in het niet aan de ervaring ontleend zijn der ethische
grondbegrippen.
Maar Herbart gaat verder. Hij beantwoordt niet alleen de vraag:
hóe zijn de regels voor ons handelen. Hij begrijpt, dat zich
oogenblikkelijk daarop de vraag moet voordoen: Hoe voeden we dan
onze kinderen op, hoe richten we een staat in? Die laatste vraag had
van oudsher veel meer de belangstelling der wijsgeeren getrokken dan
de eerste. Eigenlijk is Herbart de eerste, die een wetenschappelijk
stelsel van opvoedkunde ontwerpt. Locke had waardevolle aanteekeningen
gegeven, Rousseau geestdrift verwekt. Kant's meeningen zijn niet te
minachten... omdat... ze van Kant zijn. Maar Herbart bouwt. Deze
verdienste is hem noch door voor- noch door tegenstanders
ontzegd. Natuurlijk blijft hier dan nog ruimte voor tweeërlei
waardeering.
Wat is--los van alles--de waarde der opvoedkunde? Heeft zij niet
geringe beteekenis, waar in de opvoeding opvoeder en opvoedeling
beide individuen zijn, ieder met eigen aard? Is het daar mogelijk,
algemééne of zelfs veelvuldig geldende voorschriften te geven? En
aangenomen de waarde van de voorschriften op zich zelve, heeft het
geven daarvan invloed op den opvoeder: zal het voorschrift op zijn
daden invloed uitoefenen?
En dan de tweede vraag: is de paedagogiek van Herbart de juiste,
verdient zij wijziging in de grondslagen, of alleen in onderdeelen
en eischt zij verder voortbouwen op eenmaal gelegd fundament?
Maar Herbart's verdienste mag daarom grooter of kleiner worden; dat
hij--de eerste en tot dusver eigenlijk de eenige--een paedagogisch
stelsel gebouwd heeft, dat, in nauwen samenhang met zijn leer, toch
ruimte bood voor verdere practische ontwikkeling, heeft hem invloed
tot nu, bezorgd.
Aan de ethiek ontleent de paedagogiek haar doel. Dit moet zijn een
zedelijk sterk karakter te vormen. Deugd is het einddoel. Middel geeft
de psychologie, die leert, dat de wil door voorstellingen beheerscht
wordt. Het onderwijs zelf is dus middel tot opvoeding mee, alle
onderwijs zij opvoedend tevens. Door aanknooping aan 't bekende wekke
het onderwijs belangstelling, door geleidelijke, streng methodische
behandeling der leerstof moeten heldere begrippen ontstaan. Niet
door kunstmiddelen, gelegen buiten het onderwijs, maar door de goede
behandeling er van, door het inzicht, moet de belangstelling komen. En,
opdat er bepaalde samenhangende voorstellingsmassa's ons willen zullen
bepalen, moet de leerstof zooveel mogelijk met elkaar in verband
gebracht worden: liefst om één middelpunt gerangschikt. Rijk zij het
willen en daarom zij de keuze der leerstof veelzijdig, veelzijdige
belangstelling opwekkend.
Bij de zedelijke opvoeding onderscheide men wel tusschen regeering
en tucht. De eerste is slechts betooming van drift en natuurlijke
ongebondenheid, moet brengen tot legaal handelen. Zij werkt met
verschillende maatregelen (gebod, verbod, straf) en ten slotte
wordt door de gewenning het kind gewoon betamelijk te handelen. Maar
eerst als men tracht zedelijk inzicht aan te brengen, als gezindheid
gekweekt wordt, is er echt zedelijke opvoeding. Dit is het gebied
van de tucht. De autoriteit van den opvoeder treedt gaandeweg op
den achtergrond.
Samenvatting.
Overblikken wij nog kort Herbart's leer:
Filosofie is bearbeiding der begrippen en zij doet dit door de
methode der betrekkingen en valt uiteen in een aantal bijzondere
wetenschappen. De werkelijkheid bestaat uit een niet oneindig aantal,
qualitatief verschillende "realen," die zich nooit veranderen. Zij
handhaven zich zelf. Alle gebeuren is niets anders dan zelfhandhaving
der realen. De mensch kent éérst dat gebeuren, maar zooveel schijn,
zooveel verwijzing naar een zijn: uit de ervaring klimt hij op tot
de realen. Deze leer van het qualitatieve atomisme stelt in staat
tegenstrijdigheden op te lossen die in de begrippen liggen. Met
haar wordt het probleem der verandering verklaard, door haar het
inherentie-probleem, waaronder het ik-probleem valt. De ziel is een
der realen, haar zelfhandhavingen zijn voorstellingen. Deze zijn het
primaire van alle bewustzijnsverschijnselen. Vermogens der ziel bestaan
niet. Uit het spel der voorstellingen, uit hare betrekkingen ontstaan
gevoel, begeerte, wil. De voorstellingen determineeren den wil.
De zedeleer is een onderdeel der aesthetica. Wij vonden sommige
daden belangeloos, schoon. Er zijn vijf beginselen, waarnaar onze
zedelijk-aesthetische oordeelen tot stand komen. Daaruit volgens vijf
beginselen voor de staatsleer.
Op ethiek, die het doel aangeeft en psychologie die de middelen
aanwijst, is de opvoedkunde gebouwd, welke door onderricht, dat
alzijdige belangstelling wekt, langs den weg van gewenning en regeering
den leerling tot de tucht en daardoor tot ware zedelijkheid brengt.
Herbart heeft vele navolgers gevonden. Allereerst zijn er vele
zielkundigen geweest, die zich bij hem aansloten en door degelijke
leerboeken en studies bijdroegen tot de beoefening en vooruitgang
dier wetenschap. Het zou hier te ver voeren, die namen te noemen en
wij bepalen ons tot enkele. Drobisch en Waitz zijn als zielkundigen
meer bekend. Vooral een werk van den laatste, waarin hij handelt over
de statistiek der moraal in verband met wilsvrijheid is interessant
en nu nog opmerkelijk.
Lazarus en Steinthal hielden zich bezig met taalstudies en hebben
op 't gebied der taalkunde besliste verdienste. Zij stichtten een
belangrijk tijdschrift voor taalwetenschap en volkszielkunde. In het
"Tijdschrift voor filosofie en paedagogiek" vindt de Herbartsche
school in Duitschland haar orgaan.
Ook de opvoedkundige ideeën werden verder ontwikkeld. Met name is hier
te noemen Tuiscon Ziller (1817-'82), die voor de practijk de beginselen
van den meester uitwerkte. Rein, hoogleeraar te Jena, onder wiens
leiding een groote encyclopaedie der opvoedkunde verschijnt, (thans in
2den druk) en die in Jena een middelpunt van veel paedagogisch streven
is, kan thans gelden als het hoofd der Herbartiaansche paedagogen. Met
eere is hier ook te noemen Strümpell, die door een degelijk werk over
de niet-normale kinderen (Paedagogische Pathologie) den grondslag lei,
en de stoot gaf voor belangwekkende studie's op dit gebied.
In ons land wordt de Herbartsche school voornamelijk vertegenwoordigd
door J. Geluk en H. de Raaf.
Geluk, vroeger hoofd der school te Dinteloord, was een man van groote
kennis, veelzijdig weten, die zich door eigen studie een groote
kennis van talen en wijsgeerige vraagstukken had eigen gemaakt en
wiens Herbartiaansch standpunt hem niet verhinderde, ook met de
psychologie der Engelschen en Franschen op de hoogte te zijn. Hij
schreef een uitnemend werk over "Herbart's Opvoedingsleer," een zeer
degelijk "Woordenboek voor opvoeding en onderwijs" (Groningen 1882)
en verder tal van artikelen.
H. de Raaf, tot voor korten tijd directeur der kweekschool voor
onderwijzers te Middelburg, gaf eerst een eenvoudige zielkunde
voor onderwijzers naar Herbart's beginselen, stichtte met Geluk een
Nieuw Tijdschrift voor paedagogiek, sedert herdoopt in Opvoedkundig
tijdschrift, en heeft later de leer van Herbart hier ingang willen
doen vinden door bewerkingen van zijn leer. Eerst gaf hij Herbart's
Paedagogiek (Groningen 1903) een vertaling van een der meer populaire
werken over opvoedkunde van Herbart, toegelicht met aanhalingen
uit andere werken van den schrijver, en voorafgegaan door een goed
geschreven levensschets, die van piëteit tegenover en kennis van den
meester getuigt. Daarop volgde Herbart's Metafysica, Psychologie en
Ethiek, (Groningen 1905) voorzien van een oriënteerende inleiding. Aan
de psychologie en aethica gaan eveneens inleidingen vooraf.
Beide boeken zijn, door hun helderen vorm, uitnemende inleidingen
op Herbart en zullen hem, die dezen denker nader wil leeren kennen,
goed te stade komen.
Buiten de kringen van de beroepsopvoeders schijnt in ons land Herbart's
leer weinig aandacht getrokken te hebben.
De paedagogiek als wetenschap in Nederland.
Opm. Het is hier de plaats, om een enkel woord te wijden aan de
opvoedkunde in Nederland. Zij deelt niet in de belangstelling,
welke zij in Duitschland geniet. Academische docenten in de
paedagogiek zijn daar velen, en de paedagogiek pleegt daar opgenomen
te worden in den kring der wijsgeerige wetenschappen. Sommige denkers,
bijv. Paulsen, Ziehen, toonen levendige belangstelling in paedagogische
vraagstukken. In Engeland en Amerika verheugt zich de kinderzielkunde
en in verband daarmee ook wel de opvoedkundige studie in bloei. (James:
zielkunde en opvoedkunde, ook in het Hollandsch vertaald; Stanley
Hall, Monroe.) Ten onzent wordt van den aanstaanden opvoeder,
voor zoover academisch opgeleid, geenerlei vorming voor zijn beroep
geëischt, theoretisch noch practisch. In ons land is er slechts één
privaat-docent in de opvoedkunde (Dr. Gunning [11]), die zich over
het geheele terrein der paedagogiek beweegt, maar de meeste liefde
voor de geschiedenis der opvoedkunde schijnt te gevoelen.
Van de vier hoogleeraren in de wijsbegeerte (die trouwens, vergeleken
bij andere landen, reeds een te groote hoeveelheid vakken hebben
te doceeren) geeft geen, voorzooverre mij bekend, college's in
paedagogiek. Alleen bezitten we van de hand van prof. Ritter te Utrecht
"Paedagogische fragmenten."
Meer belangstelling hebben de psychiaters getoond voor de opvoedkundige
vraagstukken. Van de hand van eenige medici bezitten wij artikelen
of brochures of dissertaties over proeven met schoolkinderen. Van
vele dezer onderzoekingen lag de prikkel in het feit, dat er vrij
algemeen over "overlading" wordt geklaagd.
Bij hen, die het lager onderwijs dienen, is veel grooter lust
tot studie der paedagogiek. Het Ned. Onderw. Genootschap heeft een
voortreffelijke paedagogische bibliotheek ondergebracht in de A'damsche
universiteitsbibliotheek. Verder verschijnen een menigte boeken,
tijdschriftartikels, voordrachten over allerlei onderwerpen. Toch laat
ook hier de beoefening der paedagogiek dikwijls nog te wenschen over.