als zoon van een rijken, aanzienlijken koopman van Hollandsche
afkomst. Zijn vader was een man van somberen aard, onderhevig aan
toorn en angstbuien, van prikkelbaar gestel, al wist hij zich te
bedwingen. Een wereldburger, die zijn zoon in het groote boek der
wereld wilde laten lezen, hem veler landen spraken laten leeren en
hem Arthur noemde, omdat die naam in vele talen gelijk bleef. Zijn
vrouw had den veel ouderen man meer om zijn geld en de aangename
positie, die hij haar kon verschaffen, getrouwd, dan uit liefde,
en op een behaaglijk landgoed leefde zij een idyllisch-achttiende
eeuwsch leven met hondjes en mooie lammetjes. Zij was een opgewekte,
geestige, vroolijke, ietwat lichthartige vrouw, graag de zonzijde van
't leven zoekend.
Toen Danzig, eerst een vrije stad, bij Pruisen kwam, trok de familie
naar Hamburg. Arthur's vader wilde republikein blijven. De ouders
reisden met hun kind in Frankrijk en Engeland. Zoo kende Schopenhauer
later, (beter dan de meeste Duitschers) zijn Fransch en Engelsch
uitstekend, en van rijke belezenheid getuigen zijn werken.
Op een school in Hamburg werd Schopenhauer voor den handel opgeleid
en in Hamburg bleef hij werkzaam, toen zijn moeder, na den dood des
vaders, naar Weimar trok, waar zij weldra een gevierde persoonlijkheid
werd. Op haar theeavonden kwam Goethe en met hem kwamen tal van
anderen.
Op 17-jarigen leeftijd komt er een keer, voor altijd beslissend.
"Op mijn 17de jaar, zonder alle schoolgeleerdheid, werd ik door de
ellende des levens zoo aangegrepen als Boeddha in zijn jeugd, toen
hij ziekte, ouderdom, smart en dood zag.
"De waarheid, welke luide en duidelijk uit de wereld sprak, overwon
weldra de ook mij ingeprente Joodsche [8] dogma's en mijn slotsom
was, dat deze wereld niet het werk van een algoed wezen kon zijn,
maar veeleer dat van den duivel, die schepselen in het aanzijn had
geroepen, om zich in den aanblik hunner ellende te vermeien. Daarop
wezen de feiten en het geloof, dat het zoo was, kreeg de overhand."
Deze gemoedsstemming was hem altijd min of meer eigen geweest. Met
zijn moeder door Frankrijk reizende, had hij niet kunnen genieten van
het schoone van het landschap, daar hij telkens moest denken aan het
ellendige leven van de bewoners der hutten.
Zeer werd Schopenhauer's pessimistische stemming verscherpt door den
strijd tegen de ontwaakte hartstochten. Hij schijnt een zeer sterk
zinnelijk gestel gehad te hebben, heeft nooit anders (schrijft hij
zelf) dan lichamelijke liefde voor een vrouw gevoeld, en kon op zijn
ouden dag welsprekend-ontroerd getuigen van het geluk, bevrijd te
zijn van den boei der zinnelijke aandriften [9]. Bekend is zijn vers:
O Wellust, o Helle,
O zinnen, o liefde.
Niet te bevreed'gen,
En niet te verwinnen.
Gij hebt mij getrokken
Uit hoogten des hemels,
Mij nedergeworpen
In 't stof dezer aarde.
Daar lig ik in boeien.
Zijn aandrang om te studeeren werd steeds sterker. Eindelijk kreeg
hij verlof. In korten tijd was hij voorbereid voor de universiteit,
waar hij eerst medicijnen studeerde. Weldra trok de wijsbegeerte
zijn aandacht. Hij studeerde Kant, Plato. In beiden waardeerde hij,
dat ze een scheiding hadden gebracht: de eerste tusschen de wereld
der verschijnselen, de phenomenale wereld, en die der dingen op zich
zelf, de noumenale; de tweede tusschen de eigenlijk alleen bestaande
wereld der ideeën, en die van den schijn, de doxa (I, 97, 98). Die
scheiding komt overeen met het dualisme van eigen persoon: hij ervoer
bitter en pijnlijk den afstand tusschen de wereld der ideeën en die
der grove zinnelijkheid. Ook de leer der Hindoes bestudeerde hij en
in 't Christendom en in 't Boeddhisme stelde hij 't hoog, dat zij
beide meer spraken van een verlosser, dan van een schepper. In 1813
trok hij niet mee uit ten strijde. Hij had besloten om het leven,
dat een onaangenaam ding was, aan studie te wijden. In de stilte
van Rudolstadt voltooide hij zijn dissertatie, een werk van groote
beteekenis voor de kennistheorie: "Over den viervoudigen wortel van
de stelling van den voldoenden grond."
Met Kant erkent hij, dat onze kennis een bepaalden vorm heeft, die ligt
in de inrichting van onzen geest en niet afhangt van de dingen buiten
ons. Het is echter niet noodig, verschillende vormen aan te nemen:
wij kunnen met één vorm uitkomen, die reeds bij Kant een voorname
plaats innam: de oorzakelijkheid, den voldoenden grond.
Geen onzer voorstellingen bestaat op zich zelf. Ze zijn allemaal
verbonden en steeds is de voldoende grond het beginsel waarnaar
die voorstellingen zijn verbonden. Maar aangezien deze laatste van
verschillenden aard kunnen zijn, vertoont de voldoende grond zich
ook in verschillende vormen.
Allereerst kunnen wij 't oog wenden op de gewone feiten der ervaring,
op de aanschouwingen: een dolksteek doodt een man. Dan is er te spreken
van oorzaak en gevolg. Ook de zuivere aanschouwingen, de voorstellingen
van ruimte, kunnen met elkaar in verbinding staan. In een driehoek
hebben we gelijke hoeken, als er gelijke zijden zijn. Hier is de grond
voor de gelijke hoeken het aanwezig zijn van gelijke zijden. Hier
is geen voorafgaan en volgen, zooals bij oorzaak en gevolg: hier
is gelijker tijd bestaan. De voldoende grond vertoont zich hier
als zijnsgrond. Aan onze wilsbesluiten gaat overleggen vooraf. Het
op reis willen gaan is bijv. verbonden met de voorstelling van het
leerzame of het genoeglijke van zoo'n reis. Die voorstelling treedt
als beweegreden, als motief op. Ook hier is voorafgaan en volgen, maar
niet als bij de oorzaak, in de stoffelijke, doch in de geestelijke
wereld. Wanneer ik redeneer, dan grond ik mijn gevolgtrekking op
voorafgaande stellingen. Zeg ik: 2 dezer boekjes kosten 80 cent,
dan is dat gegrond op het feit, dat één boekje 40 cent kost. Dat
is de kengrond van mijn latere bewering. Kengrond en gevolgtrekking
behelzen waarheden, die tegelijkertijd bestaan. Wil ik een oordeel
waar noemen, dan moet daar een voldoende grond voor zijn, die in dit
geval de kengrond is.
In vierderlei vorm treedt de voldoende grond dus op: als oorzaak,
zijnsgrond, motief, kengrond. We hebben gezien, dat Spinoza
bijv. en zijn tijdgenooten grond en oorzaak niet onderscheidden. (I,
pag. 263). Schopenhauer doet dit wel en het wordt hem tot verdienste
gerekend.
"Voor het bizondere gebied der causaliteitstheorie ligt misschien wel
Schopenhauer's grootste verdienste in de verbetering der heerschende
terminologie. Men zou verkeerd handelen door deze verdienste gering
te schatten."----
"Geen enkele zijner theorieën misschien kan door de latere wetenschap
zonder voorbehoud worden overgenomen, maar veel van hetgeen ons thans
klaar voor oogen ligt zou ook verborgen zijn gebleven, wanneer niet
de flikkering van zijn genie de plaatsen had doen kennen, waar voor
den scherpen blik des onderzoekers het antwoord op eeuwenoude vragen
te vinden was." (Heymans).
In 1819 komt Schopenhauer's hoofdwerk: "De Wereld als wil en
verschijnsel." Het trok geen aandacht. Een reis naar Italië, met een
zich weer geven aan het volle leven, volgde. Een privaatdocentschap aan
de universiteit te Berlijn bereidt teleurstelling. Geen toehoorders
voor de colleges, door den nog onbekenden docent gezet op hetzelfde
uur, waarop Hegel zijn beroemde lessen over de logica gaf. De cholera
drijft hem uit Berlijn. Hij vestigt zich nu in Frankfort. Leeft
daar van zijn inkomen, niet zonder koopmanstakt (de uitdrukking is
zacht), uit het dreigend failliet van een handelshuis gered. Eenzaam,
regelmatig, weinig met menschen omgaand, voornaam als de zoon van den
patriciër uit een vrije rijksstad, verbitterd over zijn miskenning, die
hij houdt voor een samenspanning van jaloerschen, leeft hij daar, tot
in zijn levensavond nog de zon gaat schijnen. Zijn roem komt op. Hij
krijgt leerlingen. Zijn werken kan hij laten herdrukken. Begeerig, elk
droppeltje van den laten roem te genieten, vraagt hij zijn leerlingen
om toezending van alle beoordeelingen van zijn werken.
In volle kracht nog, geestelijk en lichamelijk gezond, sterft hij
plotseling 21 September 1860.
De man, die van der jeugd af, den dood had gevreesd, had een zacht
uiteinde.
Naast de genoemde werken van Schopenhauer staan verhandelingen over
de ethiek. Populair, geestig en boeiend zijn vele opstellen uit de
Parerga en de Prolegomena. (Bundels Opstellen).
Schopenhauer is in zijn werken zichzelf: zij dragen een stuk subjectief
karakter. De goddelijke onpartijdigheid van den doctor Angelicus,
van Thomas van Aquino, de geslepenheid als van een kristal, zooals bij
Spinoza, is hem vreemd. Tal van uitvallen maken op ons den indruk, niet
van een wijsgeer te zijn. Een paar voorbeelden. Over Hegel: "Daarom
zou ik mijn scherpzinnige landgenooten aanraden, dat, wanneer zij er
weer trek in hebben een "alle-dagskop" 30 jaar lang als een grooten
geest uit te bazuinen, zij toch niet zoo'n bierhuishoudersphysionomie
als Hegel had, kiezen mogen, op wiens gezicht de natuur met haar
duidelijkste handschrift het haar zoo gewone "alle-dags-mensch"
geschreven had." Over de vrouw: "De vrouwen denken in haar hart,
dat de bestemming van den man is, om geld te verdienen, de hare
daarentegen het er door te brengen, indien mogelijk, reeds bij het
leven van den man, maar minstens na zijn dood." Maar aan den moed,
om zijn overtuiging eerlijk te zeggen, ontleenen zijn werken een
groote aantrekkelijkheid. En als Paulsen over de eischen van den
filosofischen stijl spreekt, zegt hij van Schopenhauer: "Wanneer
Schopenhauer anders geen verdienste had, was het reeds niet gering te
noemen, dat hij de mogelijkheid getoond heeft, in de Duitsche taal
diepe en oorspronkelijke gedachten klaar en begrijpelijk en daarbij
krachtig en indrukwekkend uit te spreken. Het hangt ook samen met de
eerlijkheid, het rechtuite van zijn denken. Omdat het hem ernst is,
wat hij te zeggen heeft, bittere, en dikwijls grimmige ernst, behoeft
hij niet aan de taal te knutselen; vandaar den nadrukkelijken eenvoud
van zijn stijl. Hij roemt ergens de reinheid, den eenvoud der Grieksche
wijsbegeerte, 't zijn z'n eigen deugden."
§ 24. Leer.
Kennisleer.
Schopenhauer is het met Kant eens, dat wij van de wereld slechts
de verschijning kennen. De wereld is verschijnsel. Wij ordenen de
verschijnselen onder den voldoenden grond met zijn vierledigen
wortel. De gewaarwordingen, die ik krijg, betrek ik op een
oorzaak buiten mij, ruimtelijk van mij onderscheiden, in den tijd
gebeurende. De geheele wereld vertoont zich aan mij als een stoffelijk
gebeuren. Voor de wereld der verschijnselen geldt een materialistische
verklaring. Maar Schopenhauer is geen materialist. Het stoffelijke,
de heele stoffelijke wereld bestaat slechts als mijn voorstelling. Ik
mag mijn spiegelbeeld niet tot werkelijkheid en mij zelven niet tot het
beeld maken. Achter die verschijnselen nu zit nog een wereld der dingen
an sich. Kant had de kennis daarvan voor transcendent, de ervaring te
buiten gaande, verklaard. Geen zijner opvolgers uit de idealistische
periode had dat ook gedaan. Men had de geheele werkelijkheid uit den
mensch willen opbouwen. Ook Schopenhauer wil dit. Hij ziet een weg,
om tot de wereld der dingen an sich te komen. Wij moeten letten op
ons eigen bewustzijn. Daarin vinden wij een kern van het bestaande,
het wezen, dat ook den grondslag zal uitmaken voor onze beschouwing van
het heelal, dat ook daarvan als de innerlijke essence zal gelden. Wat
vinden wij nu als kern voor ons zijn? Den wil. Het wezen van de wereld
is wil. De wereld is wil en verschijning. Wat verstaat de denker onder
den wil? Het woord heeft een andere beteekenis dan gewoonlijk. Het is
niet de overlegging, de afweging van motieven, maar de drang, de drift
die in ons heerscht. Gevoelens van angst, vrees, hoop, verwachting
worden ook onder het begrip ondergebracht. Het wordt uitgebreid tot
de natuur buiten den mensch. Het wordt kracht. In het vallen van den
steen ter aarde, in het aantrekken van het ijzer door den magneet,
openbaart zich de wil.
Ons wezen is dus onze wil. Ons lichaam is niet iets, dat van dien
wil verscheiden is, maar is de uitwendige vorm waaronder zich de wil
objectiveert. In het bewustzijn gezien is er wil, van buiten lijkt
dat voor den toeschouwer het lichaam. Als ik dus mijn arm oplicht,
is mijn wil daar niet de oorzaak van: dat is mijn wil, van buiten
gezien. De bolle zijde van den lepel is niet de oorzaak van de
holle. Het is dezelfde, maar van een andere zijde bezien. A ziet
bol, wat B hol ziet. Elke drift objectiveert zich weer in bepaalde
lichaamsdeelen. De groote driften zijn die voor 't zelfbehoud en voor
't behoud der soort. De honger is objectief tanden, mond, slokdarm,
maag, enz. De geslachtsdrift de genitaliën.
De geheele natuur nu is een doorwerking van den wil, die van trap
tot trap stijgt, nergens rust heeft, maar steeds verder gedreven
wordt, rusteloos, eindeloos. Die blinde, irrationeele drang openbaart
zich in anorganische verschijnselen evengoed als in organische bij
plant en dier. Die drang neemt de kennis als middel in haar dienst,
en... ontdekt zijn eigen jammerlijkheid. Niet het intellect is het
eerste, maar de wil en daarna het verstand; de voorstellingen zijn
slechts middel van den wil, om zich beter te handhaven in den strijd
om het bestaan, waarin het één gedrang en gewirwar is, waar de plant
het water en de lucht verteert, de dieren dieren en planten eten,
de mensch water, lucht, plant, dier.
Maar als de wil zoover is, dat het bewustzijn is ontstaan, rust hij
niet. Hij bedriegt ons. Hij toovert ons voor, dat deze wereld goederen
van waarde bezit. Wij jagen ze na, om onszelf. Wij bereiken ze, opdat
hij besta. Wij meenen in de bevrediging van den heftigsten en sterksten
lust ons eigen genot te zoeken, wij doen den wil voortleven in het
geslacht. Wij hebben lief en meenen, dat het persoonlijke neiging
is. De wil voert ons die vrouw tegemoet, bij wie door ons het beste
nageslacht verwekt wordt. De oppervlakkige optimist, blijft in de
illusie leven, maar de pessimistische denker doorziet het bedrieglijk
spel en moet weigeren er aan mede te doen. Hij moet niet ja, hij
moet néén tegen het leven zeggen. Het leven is een troostelooze
zaak. De ervaring leert, dat het verdriet, het lijden de overhand
heeft op de vreugde. Vreugde is alleen iets negatiefs, afwezigheid
van kwaad. Gezondheid, jeugd, vrijheid, veiligheid, worden eerst
gewaardeerd, als ze ontbreken. Gewoonte stompt wel voor het genieten
af, maar als we de goederen niet meer hebben, is er nieuw lijden. Het
uitnemendste van het leven is lijden, moeite, verdriet, angst. Hoe
ons daaruit te redden? Hoe te ontkomen? Hoe is er verlossing mogelijk?
Verlossing. Kunst.
De kunst verlost ons! Als wij ons verdiepen in een kunstwerk, staat
het rad van den tijd stil. Het willen houdt op. De begeerte zwijgt. We
zijn verlost van den blinden drang. Zeer hoog stelt Schopenhauer
onze Hollandsche schilderkunst, waarin alles zoo stil is en vredig
en rustig. Ook de muziek acht hij bizonder hoog. In de melodie trilt
als 't ware het bewegen van den wil, zijn heffingen en dalingen. De
trillende snaar is de mensch zelf. Het kost echter inspanning, om
zoo tegenover de kunst te staan, niet ieder gelukt dat. Ook is de
verlossing, die de kunst geeft, maar tijdelijk. Er is een blijvende, te
vinden op den weg der heiligmaking, der onthouding van het zinnelijke;
der askese.
Schopenhauer komt hier tot groote bewondering voor de heiligen zooals
het Boeddhisme en het oudste Christendom die gekend hebben. Zij hebben
afstand weten te doen van wereldsche genietingen. Zij hebben zich
weten los te maken van de bekoringen der zinnen, van de verleiding
des vleesches. Zeker, zij vallen wel eens terug. Zelfkastijding wordt
dan geoefend. Langzamerhand stijgt de mensch tot een toestand waarin
de drang tot zwijgen is gebracht. Hij glijdt over in het Nirwana,
een toestand die den nog in het willen bevangene een niets-zijn
toeschijnt. Graag gebruikt Schopenhauer termen, aan het Boeddhisme
ontleend.
Hij acht het niet noodig, dat de filosoof een heilige zij. Zijn
taak is, in heldere, strenge begrippen de wereld te denken, uit te
drukken. Hij vindt den heilige als hoogste ideaal. Hij buigt zich
daarvoor in deemoed. Maar voor zijn eigen persoon slaat hij misschien
andere wegen in.
Het is opmerkelijk dat Schopenhauer alleen oog heeft voor de verlossing
van het individu. Niet voor die van het menschelijke geslacht. De
geschiedenis, een blind alogisch spel, brengt die niet.
Ethiek.
In de ethiek verkondigt hij het medelijden als een oerphaenomeen. De
mensch die lijdt, wordt zich bewust, dat hij eenswezend is met andere
menschen. Dat in hem zich dezelfde wil openbaart. Wanneer wij een
ander onrecht willen doen, gedreven door den wil, worden wij ons
bewust, dat de gepijnigde één is met ons. Wij willen hem nu vreugde
bereiden. Hoe kan dat? Alleen door verdriet weg te nemen, lijden te
verzachten. Medelijden is dus de grondslag van de zedeleer.
Invloed.
Een eigenlijke school heeft Schopenhauer niet gesticht. Toch was zijn
invloed groot. Bij Hartmann en Nietzsche zullen we dien ontmoeten. Het
pessimisme wordt tot zijn radicaalste uiting gebracht door Philips
Mainländer, (Pseudoniem voor Philips Batz, die leefde van 1841-1876),
die in zijn boek "Filosofie der verlossing" de wereld als de uiting
van een stervenden God beschouwde, die naar niet-zijn streeft. Hij
beval den dood van 't ras door geslachtelijke onthouding of van
't individu door zelfmoord aan. Hij zelf koos consequent het laatste.
De studie der Oostersche wijsbegeerte wordt vooral beoefend door den
Kielschen hoogleeraar Deussen, die veel met Schopenhauer overeenkomt.
En van de met hem verwante kunstenaars noemen we den grooten
operadichter Richard Wagner. Deze wilde Schopenhauer's leer laatste
grondslag van alle verdere geestelijke en zedelijke cultuur gemaakt
zien.
HOOFDSTUK IX.
HERBART.
§ 25. Leven, Metafysica.
Inleidende opmerkingen.
De groote mannen van den tijd der speculatieve filosofie waren Fichte,
Schelling, Hegel. Met hen in sommige opzichten verwant, maar een andere
waarde aan 't leven hechtend, was Schopenhauer, wiens hoofdwerk wel in
dezen tijd verschijnt, maar wiens invloed in het midden der 19de eeuw
begint. Fichte, en na hem Schelling en Hegel, knoopten aanvankelijk bij
Kant aan, maar waren eigen wegen gegaan: zij hadden geacht, dat het
mogelijk was het wezen der dingen, niet alleen hunne verschijningen
te kennen. En daartoe geraakt men niet langs den weg der ervaring,
maar langs dien der bespiegeling, die haar uitgangspunt vond in den
mensch zelf. De bouwers dezer systemen waren koningen geweest in het
rijk der gedachte. Hun roem had Schopenhauer overschitterd. Hun faam
had der menigte zoo in de ooren geklonken, dat ook de namen van enkele
anderen nauwelijks gehoord worden. Die denkers hier bedoeld, waren
mannen, die zich met de richting van hun tijd niet konden vereenigen,
die bezwaar hadden tegen "de modefilosofie" als een hunner zeide,
die zich meer aansloten bij het criticisme van Kant.
Zij worden wel genoemd de mannen der oppositie tegen het constructieve
idealisme. Zij vertegenwoordigen de critische onderstrooming in den
idealistischen tijd.
Drie namen worden vooral genoemd: Beneke, Fries, Herbart. Liever,
dan van alle drie iets te geven, blijven wij wat uitvoeriger staan
bij Herbart. Hij is ongetwijfeld verreweg de belangrijkste van het
drietal; hij is tevens in ons land en in onzen tijd een zeer bekend
denker, vooral in de opvoedkundige wereld.
Leven.
Johan Friedrich Herbart werd als zoon van een rechterlijk ambtenaar
den 4 Mei 1776 te Oldenburg geboren. Zijn jeugd was niet aangenaam:
eigen lichaamszwakte, geen begrijpen van elkaar der beide ouders. In
1799 komt hij in Jena. Na veel moeite verkreeg hij van den vader,
die liever een broodgevend beroep gekozen zag, verlof, om althans
voor een jaar wijsgeerige colleges te volgen. Onder den indruk van
Fichte, maar niet met blinde overgave. Critisch staat hij tegenover
diens opmerkingen bij een door hem ingezonden stuk, dat vragen en
zwarigheden behelsde. Schelling's leer wordt gecritiseerd. Na de
universiteit huisonderwijzer in Zwitserland, waar hij Pestalozzi leerde
kennen. Had noch het opvoedkundig ideaal der nieuw-humanisten, noch dat
der aufklärung hem kunnen bekoren, was hij er tegen geweest, om den
kinderen de zaak zoo gemakkelijk te maken, gelijk de Philantropijnen
deden, in Pestalozzi's opvoedkunde zag hij meer. De kennismaking
in Zwitserland is van blijvenden invloed geweest op Herbart's
opvoedingsleer.
In 1802 vestigt Herbart zich als privaat-docent in Göttingen. Zijn leer
is nu in hoofdtrekken klaar. Hij doceert niet alleen wijsbegeerte maar
ook paedagogiek. In 1805 wordt hij--geleerdheid en bekwaamheid van
doceeren stonden in goeden roep--buitengewoon hoogleeraar met 300
thaler salaris. Dan in 1809 naar Koningsbergen. Hier hoogleeraar
op Kant's katheder. Bemoeienis niet alleen met de theoretische
opvoedkunde, maar ook met practische opleiding van aanstaande
leeraren. In 1833 keert Herbart naar Göttingen terug als gewoon
hoogleeraar. Zich bezig houdend met zijn colleges en studies, in
't bizonder vervuld van zijn opvoedkundig streven, bemoeide de in de
politiek conservatief gezinde denker, zich weinig met andere dingen.
In 1841 stierf hij. Herbart was een scherpzinnig denker, een groot
geleerde, een hoogstaande, nuchtere, bezonnen persoonlijkheid. Koel en
hoog op 't eerste gezicht. Afkeerig van verkondigen van subjectieve
meeningen. Begaafd met groote liefde voor de waarheid, een leven
leidend van strenge plichtsbetrachting.
Uitgangspunt.
Herbart sluit aan bij Kant. Hij erkent ook, dat wij alleen de
verschijningen der dingen hebben. Het dogmatisme is door Kant voor
eeuwig vernietigd. Maar achter de verschijnselen ligt een ding an
sich. Voor Kant is dat een grensbegrip, voor Herbart is het iets
meer. Uit onze gewaarwordingen besluiten we tot het zijn. Zooveel
verschijning, zooveel verwijzing naar een zijn. Dat zijn, dat
werkelijke bestaat, er is iets werkelijks, iets "reaals." Herbart staat
dus niet geheel op 't zelfde standpunt van Kant, hij noemt zich zelf
ergens een Kantiaan van het jaar 1828: er was vooruitgang sedert Kant.
Tegenstrijdigheden.
De taak, die Herbart voor de filosofie acht weggelegd is bearbeiding
onzer begrippen. Deze zijn vol tegenstrijdigheden. Die moeten
verwijderd worden. En dit kan alleen door de leer van de realen. Toonen
we dit aan voor een paar begrippen, waarin Herbart tegenstrijdigheden
meent te ontdekken: verandering, ik, inherentie.
Daar is water. Dat bevriest en morgen is datzelfde water ijs. Hier
ligt een tegenspraak. Wij zeggen: er is hetzelfde water, A = A. Wij
nemen hier het identiteitsbeginsel aan. Maar tegelijkertijd zeggen
wij: A is vandaag water, morgen is A ijs, m. a. w. A is vandaag A,
morgen niet A. Dit strijdt tegen het grondbeginsel der contradictie:
Iets kan niet tezelfder tijd wèl iets en niet iets zijn.
Er ligt dus in alle verandering een tegenstrijdigheid.
Neem een horloge. Ge ziét het. Leg het voor uw oor. Ge hóórt
het. Betast het. Ge krijgt gewaarwordingen van koude en gladheid. Ge
hebt dus verschillende gewaarwordingen. Ge betrekt die op één ding,
het horloge. Dit is tegelijk tikkend, glad, wit en koud. A is B,
en C, en D. Het ding bezit een veelheid van eigenschappen. Hier ligt
een tegenstrijdigheid: het inherentieprobleem.
Wij praten van onze ziel als van een eenheid. Het Ik denkt, doet,
begeert, voelt, enz.
Ook hier eenheid en veelheid. En wat is dit ik eigenlijk? Het ik stelt
zichzelf voor. Bepaal nu eens dat zichzelf, enz. Dat is weer dat,
wat zichzelf voorstelt. Om dus het ik te bepalen, moeten we tot in
het eindelooze teruggaan..
Ook hier dus weer tegenstrijdigheden.
Verandering-, inherentie- en ik-probleem eischen oplossing.
Oplossing.
Herbart neemt aan een "reale." Als taak der filosofen stelt hij,
de tegenstrijdigheden uit de begrippen te verwijderen.
Laat ons zien, hoe hij deze weet te doen verdwijnen door zijn leer
der realen.
Ziehier de grootsche hypothese, die herinnert aan de Eleaten,
Democritus en Leibniz.