In Danzig werd Schopenhauer den 22sten Februari 1788 geboren

als zoon van een rijken, aanzienlijken koopman van Hollandsche

afkomst. Zijn vader was een man van somberen aard, onderhevig aan

toorn en angstbuien, van prikkelbaar gestel, al wist hij zich te

bedwingen. Een wereldburger, die zijn zoon in het groote boek der

wereld wilde laten lezen, hem veler landen spraken laten leeren en

hem Arthur noemde, omdat die naam in vele talen gelijk bleef. Zijn

vrouw had den veel ouderen man meer om zijn geld en de aangename

positie, die hij haar kon verschaffen, getrouwd, dan uit liefde,

en op een behaaglijk landgoed leefde zij een idyllisch-achttiende

eeuwsch leven met hondjes en mooie lammetjes. Zij was een opgewekte,

geestige, vroolijke, ietwat lichthartige vrouw, graag de zonzijde van

't leven zoekend.

Toen Danzig, eerst een vrije stad, bij Pruisen kwam, trok de familie

naar Hamburg. Arthur's vader wilde republikein blijven. De ouders

reisden met hun kind in Frankrijk en Engeland. Zoo kende Schopenhauer

later, (beter dan de meeste Duitschers) zijn Fransch en Engelsch

uitstekend, en van rijke belezenheid getuigen zijn werken.

Op een school in Hamburg werd Schopenhauer voor den handel opgeleid

en in Hamburg bleef hij werkzaam, toen zijn moeder, na den dood des

vaders, naar Weimar trok, waar zij weldra een gevierde persoonlijkheid

werd. Op haar theeavonden kwam Goethe en met hem kwamen tal van

anderen.

Op 17-jarigen leeftijd komt er een keer, voor altijd beslissend.

"Op mijn 17de jaar, zonder alle schoolgeleerdheid, werd ik door de

ellende des levens zoo aangegrepen als Boeddha in zijn jeugd, toen

hij ziekte, ouderdom, smart en dood zag.

"De waarheid, welke luide en duidelijk uit de wereld sprak, overwon

weldra de ook mij ingeprente Joodsche [8] dogma's en mijn slotsom

was, dat deze wereld niet het werk van een algoed wezen kon zijn,

maar veeleer dat van den duivel, die schepselen in het aanzijn had

geroepen, om zich in den aanblik hunner ellende te vermeien. Daarop

wezen de feiten en het geloof, dat het zoo was, kreeg de overhand."

Deze gemoedsstemming was hem altijd min of meer eigen geweest. Met

zijn moeder door Frankrijk reizende, had hij niet kunnen genieten van

het schoone van het landschap, daar hij telkens moest denken aan het

ellendige leven van de bewoners der hutten.

Zeer werd Schopenhauer's pessimistische stemming verscherpt door den

strijd tegen de ontwaakte hartstochten. Hij schijnt een zeer sterk

zinnelijk gestel gehad te hebben, heeft nooit anders (schrijft hij

zelf) dan lichamelijke liefde voor een vrouw gevoeld, en kon op zijn

ouden dag welsprekend-ontroerd getuigen van het geluk, bevrijd te

zijn van den boei der zinnelijke aandriften [9]. Bekend is zijn vers:

O Wellust, o Helle,

O zinnen, o liefde.

Niet te bevreed'gen,

En niet te verwinnen.

Gij hebt mij getrokken

Uit hoogten des hemels,

Mij nedergeworpen

In 't stof dezer aarde.

Daar lig ik in boeien.

Zijn aandrang om te studeeren werd steeds sterker. Eindelijk kreeg

hij verlof. In korten tijd was hij voorbereid voor de universiteit,

waar hij eerst medicijnen studeerde. Weldra trok de wijsbegeerte

zijn aandacht. Hij studeerde Kant, Plato. In beiden waardeerde hij,

dat ze een scheiding hadden gebracht: de eerste tusschen de wereld

der verschijnselen, de phenomenale wereld, en die der dingen op zich

zelf, de noumenale; de tweede tusschen de eigenlijk alleen bestaande

wereld der ideeën, en die van den schijn, de doxa (I, 97, 98). Die

scheiding komt overeen met het dualisme van eigen persoon: hij ervoer

bitter en pijnlijk den afstand tusschen de wereld der ideeën en die

der grove zinnelijkheid. Ook de leer der Hindoes bestudeerde hij en

in 't Christendom en in 't Boeddhisme stelde hij 't hoog, dat zij

beide meer spraken van een verlosser, dan van een schepper. In 1813

trok hij niet mee uit ten strijde. Hij had besloten om het leven,

dat een onaangenaam ding was, aan studie te wijden. In de stilte

van Rudolstadt voltooide hij zijn dissertatie, een werk van groote

beteekenis voor de kennistheorie: "Over den viervoudigen wortel van

de stelling van den voldoenden grond."

Met Kant erkent hij, dat onze kennis een bepaalden vorm heeft, die ligt

in de inrichting van onzen geest en niet afhangt van de dingen buiten

ons. Het is echter niet noodig, verschillende vormen aan te nemen:

wij kunnen met één vorm uitkomen, die reeds bij Kant een voorname

plaats innam: de oorzakelijkheid, den voldoenden grond.

Geen onzer voorstellingen bestaat op zich zelf. Ze zijn allemaal

verbonden en steeds is de voldoende grond het beginsel waarnaar

die voorstellingen zijn verbonden. Maar aangezien deze laatste van

verschillenden aard kunnen zijn, vertoont de voldoende grond zich

ook in verschillende vormen.

Allereerst kunnen wij 't oog wenden op de gewone feiten der ervaring,

op de aanschouwingen: een dolksteek doodt een man. Dan is er te spreken

van oorzaak en gevolg. Ook de zuivere aanschouwingen, de voorstellingen

van ruimte, kunnen met elkaar in verbinding staan. In een driehoek

hebben we gelijke hoeken, als er gelijke zijden zijn. Hier is de grond

voor de gelijke hoeken het aanwezig zijn van gelijke zijden. Hier

is geen voorafgaan en volgen, zooals bij oorzaak en gevolg: hier

is gelijker tijd bestaan. De voldoende grond vertoont zich hier

als zijnsgrond. Aan onze wilsbesluiten gaat overleggen vooraf. Het

op reis willen gaan is bijv. verbonden met de voorstelling van het

leerzame of het genoeglijke van zoo'n reis. Die voorstelling treedt

als beweegreden, als motief op. Ook hier is voorafgaan en volgen, maar

niet als bij de oorzaak, in de stoffelijke, doch in de geestelijke

wereld. Wanneer ik redeneer, dan grond ik mijn gevolgtrekking op

voorafgaande stellingen. Zeg ik: 2 dezer boekjes kosten 80 cent,

dan is dat gegrond op het feit, dat één boekje 40 cent kost. Dat

is de kengrond van mijn latere bewering. Kengrond en gevolgtrekking

behelzen waarheden, die tegelijkertijd bestaan. Wil ik een oordeel

waar noemen, dan moet daar een voldoende grond voor zijn, die in dit

geval de kengrond is.

In vierderlei vorm treedt de voldoende grond dus op: als oorzaak,

zijnsgrond, motief, kengrond. We hebben gezien, dat Spinoza

bijv. en zijn tijdgenooten grond en oorzaak niet onderscheidden. (I,

pag. 263). Schopenhauer doet dit wel en het wordt hem tot verdienste

gerekend.

"Voor het bizondere gebied der causaliteitstheorie ligt misschien wel

Schopenhauer's grootste verdienste in de verbetering der heerschende

terminologie. Men zou verkeerd handelen door deze verdienste gering

te schatten."----

"Geen enkele zijner theorieën misschien kan door de latere wetenschap

zonder voorbehoud worden overgenomen, maar veel van hetgeen ons thans

klaar voor oogen ligt zou ook verborgen zijn gebleven, wanneer niet

de flikkering van zijn genie de plaatsen had doen kennen, waar voor

den scherpen blik des onderzoekers het antwoord op eeuwenoude vragen

te vinden was." (Heymans).

In 1819 komt Schopenhauer's hoofdwerk: "De Wereld als wil en

verschijnsel." Het trok geen aandacht. Een reis naar Italië, met een

zich weer geven aan het volle leven, volgde. Een privaatdocentschap aan

de universiteit te Berlijn bereidt teleurstelling. Geen toehoorders

voor de colleges, door den nog onbekenden docent gezet op hetzelfde

uur, waarop Hegel zijn beroemde lessen over de logica gaf. De cholera

drijft hem uit Berlijn. Hij vestigt zich nu in Frankfort. Leeft

daar van zijn inkomen, niet zonder koopmanstakt (de uitdrukking is

zacht), uit het dreigend failliet van een handelshuis gered. Eenzaam,

regelmatig, weinig met menschen omgaand, voornaam als de zoon van den

patriciër uit een vrije rijksstad, verbitterd over zijn miskenning, die

hij houdt voor een samenspanning van jaloerschen, leeft hij daar, tot

in zijn levensavond nog de zon gaat schijnen. Zijn roem komt op. Hij

krijgt leerlingen. Zijn werken kan hij laten herdrukken. Begeerig, elk

droppeltje van den laten roem te genieten, vraagt hij zijn leerlingen

om toezending van alle beoordeelingen van zijn werken.

In volle kracht nog, geestelijk en lichamelijk gezond, sterft hij

plotseling 21 September 1860.

De man, die van der jeugd af, den dood had gevreesd, had een zacht

uiteinde.

Naast de genoemde werken van Schopenhauer staan verhandelingen over

de ethiek. Populair, geestig en boeiend zijn vele opstellen uit de

Parerga en de Prolegomena. (Bundels Opstellen).

Schopenhauer is in zijn werken zichzelf: zij dragen een stuk subjectief

karakter. De goddelijke onpartijdigheid van den doctor Angelicus,

van Thomas van Aquino, de geslepenheid als van een kristal, zooals bij

Spinoza, is hem vreemd. Tal van uitvallen maken op ons den indruk, niet

van een wijsgeer te zijn. Een paar voorbeelden. Over Hegel: "Daarom

zou ik mijn scherpzinnige landgenooten aanraden, dat, wanneer zij er

weer trek in hebben een "alle-dagskop" 30 jaar lang als een grooten

geest uit te bazuinen, zij toch niet zoo'n bierhuishoudersphysionomie

als Hegel had, kiezen mogen, op wiens gezicht de natuur met haar

duidelijkste handschrift het haar zoo gewone "alle-dags-mensch"

geschreven had." Over de vrouw: "De vrouwen denken in haar hart,

dat de bestemming van den man is, om geld te verdienen, de hare

daarentegen het er door te brengen, indien mogelijk, reeds bij het

leven van den man, maar minstens na zijn dood." Maar aan den moed,

om zijn overtuiging eerlijk te zeggen, ontleenen zijn werken een

groote aantrekkelijkheid. En als Paulsen over de eischen van den

filosofischen stijl spreekt, zegt hij van Schopenhauer: "Wanneer

Schopenhauer anders geen verdienste had, was het reeds niet gering te

noemen, dat hij de mogelijkheid getoond heeft, in de Duitsche taal

diepe en oorspronkelijke gedachten klaar en begrijpelijk en daarbij

krachtig en indrukwekkend uit te spreken. Het hangt ook samen met de

eerlijkheid, het rechtuite van zijn denken. Omdat het hem ernst is,

wat hij te zeggen heeft, bittere, en dikwijls grimmige ernst, behoeft

hij niet aan de taal te knutselen; vandaar den nadrukkelijken eenvoud

van zijn stijl. Hij roemt ergens de reinheid, den eenvoud der Grieksche

wijsbegeerte, 't zijn z'n eigen deugden."

§ 24. Leer.

Kennisleer.

Schopenhauer is het met Kant eens, dat wij van de wereld slechts

de verschijning kennen. De wereld is verschijnsel. Wij ordenen de

verschijnselen onder den voldoenden grond met zijn vierledigen

wortel. De gewaarwordingen, die ik krijg, betrek ik op een

oorzaak buiten mij, ruimtelijk van mij onderscheiden, in den tijd

gebeurende. De geheele wereld vertoont zich aan mij als een stoffelijk

gebeuren. Voor de wereld der verschijnselen geldt een materialistische

verklaring. Maar Schopenhauer is geen materialist. Het stoffelijke,

de heele stoffelijke wereld bestaat slechts als mijn voorstelling. Ik

mag mijn spiegelbeeld niet tot werkelijkheid en mij zelven niet tot het

beeld maken. Achter die verschijnselen nu zit nog een wereld der dingen

an sich. Kant had de kennis daarvan voor transcendent, de ervaring te

buiten gaande, verklaard. Geen zijner opvolgers uit de idealistische

periode had dat ook gedaan. Men had de geheele werkelijkheid uit den

mensch willen opbouwen. Ook Schopenhauer wil dit. Hij ziet een weg,

om tot de wereld der dingen an sich te komen. Wij moeten letten op

ons eigen bewustzijn. Daarin vinden wij een kern van het bestaande,

het wezen, dat ook den grondslag zal uitmaken voor onze beschouwing van

het heelal, dat ook daarvan als de innerlijke essence zal gelden. Wat

vinden wij nu als kern voor ons zijn? Den wil. Het wezen van de wereld

is wil. De wereld is wil en verschijning. Wat verstaat de denker onder

den wil? Het woord heeft een andere beteekenis dan gewoonlijk. Het is

niet de overlegging, de afweging van motieven, maar de drang, de drift

die in ons heerscht. Gevoelens van angst, vrees, hoop, verwachting

worden ook onder het begrip ondergebracht. Het wordt uitgebreid tot

de natuur buiten den mensch. Het wordt kracht. In het vallen van den

steen ter aarde, in het aantrekken van het ijzer door den magneet,

openbaart zich de wil.

Ons wezen is dus onze wil. Ons lichaam is niet iets, dat van dien

wil verscheiden is, maar is de uitwendige vorm waaronder zich de wil

objectiveert. In het bewustzijn gezien is er wil, van buiten lijkt

dat voor den toeschouwer het lichaam. Als ik dus mijn arm oplicht,

is mijn wil daar niet de oorzaak van: dat is mijn wil, van buiten

gezien. De bolle zijde van den lepel is niet de oorzaak van de

holle. Het is dezelfde, maar van een andere zijde bezien. A ziet

bol, wat B hol ziet. Elke drift objectiveert zich weer in bepaalde

lichaamsdeelen. De groote driften zijn die voor 't zelfbehoud en voor

't behoud der soort. De honger is objectief tanden, mond, slokdarm,

maag, enz. De geslachtsdrift de genitaliën.

De geheele natuur nu is een doorwerking van den wil, die van trap

tot trap stijgt, nergens rust heeft, maar steeds verder gedreven

wordt, rusteloos, eindeloos. Die blinde, irrationeele drang openbaart

zich in anorganische verschijnselen evengoed als in organische bij

plant en dier. Die drang neemt de kennis als middel in haar dienst,

en... ontdekt zijn eigen jammerlijkheid. Niet het intellect is het

eerste, maar de wil en daarna het verstand; de voorstellingen zijn

slechts middel van den wil, om zich beter te handhaven in den strijd

om het bestaan, waarin het één gedrang en gewirwar is, waar de plant

het water en de lucht verteert, de dieren dieren en planten eten,

de mensch water, lucht, plant, dier.

Maar als de wil zoover is, dat het bewustzijn is ontstaan, rust hij

niet. Hij bedriegt ons. Hij toovert ons voor, dat deze wereld goederen

van waarde bezit. Wij jagen ze na, om onszelf. Wij bereiken ze, opdat

hij besta. Wij meenen in de bevrediging van den heftigsten en sterksten

lust ons eigen genot te zoeken, wij doen den wil voortleven in het

geslacht. Wij hebben lief en meenen, dat het persoonlijke neiging

is. De wil voert ons die vrouw tegemoet, bij wie door ons het beste

nageslacht verwekt wordt. De oppervlakkige optimist, blijft in de

illusie leven, maar de pessimistische denker doorziet het bedrieglijk

spel en moet weigeren er aan mede te doen. Hij moet niet ja, hij

moet néén tegen het leven zeggen. Het leven is een troostelooze

zaak. De ervaring leert, dat het verdriet, het lijden de overhand

heeft op de vreugde. Vreugde is alleen iets negatiefs, afwezigheid

van kwaad. Gezondheid, jeugd, vrijheid, veiligheid, worden eerst

gewaardeerd, als ze ontbreken. Gewoonte stompt wel voor het genieten

af, maar als we de goederen niet meer hebben, is er nieuw lijden. Het

uitnemendste van het leven is lijden, moeite, verdriet, angst. Hoe

ons daaruit te redden? Hoe te ontkomen? Hoe is er verlossing mogelijk?

Verlossing. Kunst.

De kunst verlost ons! Als wij ons verdiepen in een kunstwerk, staat

het rad van den tijd stil. Het willen houdt op. De begeerte zwijgt. We

zijn verlost van den blinden drang. Zeer hoog stelt Schopenhauer

onze Hollandsche schilderkunst, waarin alles zoo stil is en vredig

en rustig. Ook de muziek acht hij bizonder hoog. In de melodie trilt

als 't ware het bewegen van den wil, zijn heffingen en dalingen. De

trillende snaar is de mensch zelf. Het kost echter inspanning, om

zoo tegenover de kunst te staan, niet ieder gelukt dat. Ook is de

verlossing, die de kunst geeft, maar tijdelijk. Er is een blijvende, te

vinden op den weg der heiligmaking, der onthouding van het zinnelijke;

der askese.

Schopenhauer komt hier tot groote bewondering voor de heiligen zooals

het Boeddhisme en het oudste Christendom die gekend hebben. Zij hebben

afstand weten te doen van wereldsche genietingen. Zij hebben zich

weten los te maken van de bekoringen der zinnen, van de verleiding

des vleesches. Zeker, zij vallen wel eens terug. Zelfkastijding wordt

dan geoefend. Langzamerhand stijgt de mensch tot een toestand waarin

de drang tot zwijgen is gebracht. Hij glijdt over in het Nirwana,

een toestand die den nog in het willen bevangene een niets-zijn

toeschijnt. Graag gebruikt Schopenhauer termen, aan het Boeddhisme

ontleend.

Hij acht het niet noodig, dat de filosoof een heilige zij. Zijn

taak is, in heldere, strenge begrippen de wereld te denken, uit te

drukken. Hij vindt den heilige als hoogste ideaal. Hij buigt zich

daarvoor in deemoed. Maar voor zijn eigen persoon slaat hij misschien

andere wegen in.

Het is opmerkelijk dat Schopenhauer alleen oog heeft voor de verlossing

van het individu. Niet voor die van het menschelijke geslacht. De

geschiedenis, een blind alogisch spel, brengt die niet.

Ethiek.

In de ethiek verkondigt hij het medelijden als een oerphaenomeen. De

mensch die lijdt, wordt zich bewust, dat hij eenswezend is met andere

menschen. Dat in hem zich dezelfde wil openbaart. Wanneer wij een

ander onrecht willen doen, gedreven door den wil, worden wij ons

bewust, dat de gepijnigde één is met ons. Wij willen hem nu vreugde

bereiden. Hoe kan dat? Alleen door verdriet weg te nemen, lijden te

verzachten. Medelijden is dus de grondslag van de zedeleer.

Invloed.

Een eigenlijke school heeft Schopenhauer niet gesticht. Toch was zijn

invloed groot. Bij Hartmann en Nietzsche zullen we dien ontmoeten. Het

pessimisme wordt tot zijn radicaalste uiting gebracht door Philips

Mainländer, (Pseudoniem voor Philips Batz, die leefde van 1841-1876),

die in zijn boek "Filosofie der verlossing" de wereld als de uiting

van een stervenden God beschouwde, die naar niet-zijn streeft. Hij

beval den dood van 't ras door geslachtelijke onthouding of van

't individu door zelfmoord aan. Hij zelf koos consequent het laatste.

De studie der Oostersche wijsbegeerte wordt vooral beoefend door den

Kielschen hoogleeraar Deussen, die veel met Schopenhauer overeenkomt.

En van de met hem verwante kunstenaars noemen we den grooten

operadichter Richard Wagner. Deze wilde Schopenhauer's leer laatste

grondslag van alle verdere geestelijke en zedelijke cultuur gemaakt

zien.

HOOFDSTUK IX.

HERBART.

§ 25. Leven, Metafysica.

Inleidende opmerkingen.

De groote mannen van den tijd der speculatieve filosofie waren Fichte,

Schelling, Hegel. Met hen in sommige opzichten verwant, maar een andere

waarde aan 't leven hechtend, was Schopenhauer, wiens hoofdwerk wel in

dezen tijd verschijnt, maar wiens invloed in het midden der 19de eeuw

begint. Fichte, en na hem Schelling en Hegel, knoopten aanvankelijk bij

Kant aan, maar waren eigen wegen gegaan: zij hadden geacht, dat het

mogelijk was het wezen der dingen, niet alleen hunne verschijningen

te kennen. En daartoe geraakt men niet langs den weg der ervaring,

maar langs dien der bespiegeling, die haar uitgangspunt vond in den

mensch zelf. De bouwers dezer systemen waren koningen geweest in het

rijk der gedachte. Hun roem had Schopenhauer overschitterd. Hun faam

had der menigte zoo in de ooren geklonken, dat ook de namen van enkele

anderen nauwelijks gehoord worden. Die denkers hier bedoeld, waren

mannen, die zich met de richting van hun tijd niet konden vereenigen,

die bezwaar hadden tegen "de modefilosofie" als een hunner zeide,

die zich meer aansloten bij het criticisme van Kant.

Zij worden wel genoemd de mannen der oppositie tegen het constructieve

idealisme. Zij vertegenwoordigen de critische onderstrooming in den

idealistischen tijd.

Drie namen worden vooral genoemd: Beneke, Fries, Herbart. Liever,

dan van alle drie iets te geven, blijven wij wat uitvoeriger staan

bij Herbart. Hij is ongetwijfeld verreweg de belangrijkste van het

drietal; hij is tevens in ons land en in onzen tijd een zeer bekend

denker, vooral in de opvoedkundige wereld.

Leven.

Johan Friedrich Herbart werd als zoon van een rechterlijk ambtenaar

den 4 Mei 1776 te Oldenburg geboren. Zijn jeugd was niet aangenaam:

eigen lichaamszwakte, geen begrijpen van elkaar der beide ouders. In

1799 komt hij in Jena. Na veel moeite verkreeg hij van den vader,

die liever een broodgevend beroep gekozen zag, verlof, om althans

voor een jaar wijsgeerige colleges te volgen. Onder den indruk van

Fichte, maar niet met blinde overgave. Critisch staat hij tegenover

diens opmerkingen bij een door hem ingezonden stuk, dat vragen en

zwarigheden behelsde. Schelling's leer wordt gecritiseerd. Na de

universiteit huisonderwijzer in Zwitserland, waar hij Pestalozzi leerde

kennen. Had noch het opvoedkundig ideaal der nieuw-humanisten, noch dat

der aufklärung hem kunnen bekoren, was hij er tegen geweest, om den

kinderen de zaak zoo gemakkelijk te maken, gelijk de Philantropijnen

deden, in Pestalozzi's opvoedkunde zag hij meer. De kennismaking

in Zwitserland is van blijvenden invloed geweest op Herbart's

opvoedingsleer.

In 1802 vestigt Herbart zich als privaat-docent in Göttingen. Zijn leer

is nu in hoofdtrekken klaar. Hij doceert niet alleen wijsbegeerte maar

ook paedagogiek. In 1805 wordt hij--geleerdheid en bekwaamheid van

doceeren stonden in goeden roep--buitengewoon hoogleeraar met 300

thaler salaris. Dan in 1809 naar Koningsbergen. Hier hoogleeraar

op Kant's katheder. Bemoeienis niet alleen met de theoretische

opvoedkunde, maar ook met practische opleiding van aanstaande

leeraren. In 1833 keert Herbart naar Göttingen terug als gewoon

hoogleeraar. Zich bezig houdend met zijn colleges en studies, in

't bizonder vervuld van zijn opvoedkundig streven, bemoeide de in de

politiek conservatief gezinde denker, zich weinig met andere dingen.

In 1841 stierf hij. Herbart was een scherpzinnig denker, een groot

geleerde, een hoogstaande, nuchtere, bezonnen persoonlijkheid. Koel en

hoog op 't eerste gezicht. Afkeerig van verkondigen van subjectieve

meeningen. Begaafd met groote liefde voor de waarheid, een leven

leidend van strenge plichtsbetrachting.

Uitgangspunt.

Herbart sluit aan bij Kant. Hij erkent ook, dat wij alleen de

verschijningen der dingen hebben. Het dogmatisme is door Kant voor

eeuwig vernietigd. Maar achter de verschijnselen ligt een ding an

sich. Voor Kant is dat een grensbegrip, voor Herbart is het iets

meer. Uit onze gewaarwordingen besluiten we tot het zijn. Zooveel

verschijning, zooveel verwijzing naar een zijn. Dat zijn, dat

werkelijke bestaat, er is iets werkelijks, iets "reaals." Herbart staat

dus niet geheel op 't zelfde standpunt van Kant, hij noemt zich zelf

ergens een Kantiaan van het jaar 1828: er was vooruitgang sedert Kant.

Tegenstrijdigheden.

De taak, die Herbart voor de filosofie acht weggelegd is bearbeiding

onzer begrippen. Deze zijn vol tegenstrijdigheden. Die moeten

verwijderd worden. En dit kan alleen door de leer van de realen. Toonen

we dit aan voor een paar begrippen, waarin Herbart tegenstrijdigheden

meent te ontdekken: verandering, ik, inherentie.

Daar is water. Dat bevriest en morgen is datzelfde water ijs. Hier

ligt een tegenspraak. Wij zeggen: er is hetzelfde water, A = A. Wij

nemen hier het identiteitsbeginsel aan. Maar tegelijkertijd zeggen

wij: A is vandaag water, morgen is A ijs, m. a. w. A is vandaag A,

morgen niet A. Dit strijdt tegen het grondbeginsel der contradictie:

Iets kan niet tezelfder tijd wèl iets en niet iets zijn.

Er ligt dus in alle verandering een tegenstrijdigheid.

Neem een horloge. Ge ziét het. Leg het voor uw oor. Ge hóórt

het. Betast het. Ge krijgt gewaarwordingen van koude en gladheid. Ge

hebt dus verschillende gewaarwordingen. Ge betrekt die op één ding,

het horloge. Dit is tegelijk tikkend, glad, wit en koud. A is B,

en C, en D. Het ding bezit een veelheid van eigenschappen. Hier ligt

een tegenstrijdigheid: het inherentieprobleem.

Wij praten van onze ziel als van een eenheid. Het Ik denkt, doet,

begeert, voelt, enz.

Ook hier eenheid en veelheid. En wat is dit ik eigenlijk? Het ik stelt

zichzelf voor. Bepaal nu eens dat zichzelf, enz. Dat is weer dat,

wat zichzelf voorstelt. Om dus het ik te bepalen, moeten we tot in

het eindelooze teruggaan..

Ook hier dus weer tegenstrijdigheden.

Verandering-, inherentie- en ik-probleem eischen oplossing.

Oplossing.

Herbart neemt aan een "reale." Als taak der filosofen stelt hij,

de tegenstrijdigheden uit de begrippen te verwijderen.

Laat ons zien, hoe hij deze weet te doen verdwijnen door zijn leer

der realen.

Ziehier de grootsche hypothese, die herinnert aan de Eleaten,

Democritus en Leibniz.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 6 / 20 段