De geschiedenis is niet anders dan het proces, dat de werkelijkheid

doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een

grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een

ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling

mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor

gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar

alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken

acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In

de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het

Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden

zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der

Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met

een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland

is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt

in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in

Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus

brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de

menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid,

waarin de mensch "na volending van zijn levensloop in zichzelf

terugkeert." Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid

nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, 't leenstelsel,

de reformatie, enz.

§ 21. Het systeem. (Vervolg).

De absolute geest.

Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in

den absoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject

en object, denken en zijn opgeheven. Het absolute aanschouwt zich

zelf in de kunst, stelt zich zelf voor in de religie en denkt zich,

begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.

HEGEL'S SYSTEEM.

LOGICA. NATUURFILOSOFIE. FILOSOFIE VAN DEN GEEST.

| | |

----------+----------- ---------------+--------------- ---------------------------+-------------------------

zijn | wezen | begrip. mechanica | physica | organica. subjectieve geest | objectieve geest | absolute geest.

| | | (zie hieronder.)

-------------+-+---------- ------------------------------------+--------- --------+------------------------

subj. begrip | obj. begrip. anthropologie | phaenomenologie | psychologie. Recht | Moraliteit | Zedelijkheid.

-------- | |

Idee. | |

-----------------------------------------+- |

eigendomsrecht | verdragsrecht | strafrecht. |

|

------------------------------------+----

familie | burgerlijke samenleving | staat.

| | |

o.a. o.a. |

(huwelijk, standen, GESCHIEDENIS.

erfrecht, vereenigingen. a. despotische staat

opvoeding.) (één vrij oostersch

volk).

b. republiek (eenigen

vrij, Grieken

en Romeinen).

c. const. erf. mon.,

(allen vrij, Germanen).

absolute geest.

|

--------------------------------+----------------------------------

kunst religie filosofie.

| | |

------------------------+--------------------- | |

symbolisch, klassiek, romantisch, | van Eleaten enz. tot Hegel!

architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, |

muziek. |

---------------------- |

poëzie. |

|

------------------------------------------+-----------------------------------------

natuurreligie subjectieve vrijheid absolute religie.

| | |

------------+------------ ---------------+--------------- |

(Chinezen, Bramanen, enz. Joden, Grieken, Romeinen. (Christendom).

verhevenheid, schoonheid, nuttigheid.

Kunst.

De kunst kan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerst

symbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee,

die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen

harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens de klassieke kunst,

die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde

trap, de romantische kunst, waarin de zinnelijke verschijning op den

achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.

Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is

toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek

en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende

kunst.

Godsdienst.

Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt

in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter

vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de

op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem

onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het

Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor

nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger

dan de oostersche (Chineesche, Bramaansche, enz., die ieder hun eigen

kenmerk hebben) staan de religies der "geestelijke persoonlijkheid,"

der "vrije subjectiviteit," die van de Joden (verhevenheid), Grieken

(schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van 't

Christendom volgt hierop. De dogma's van het Christendom laten hunne

wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.

Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording

van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet:

God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording

van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer

negatie is Christus' Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch

geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.

Wijsbegeerte.

Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken:

Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der

geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van

de Eleaten af, die het zijn opstelden, over Heraclitus (worden),

Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius

(bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel,

waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der

filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar

tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en

klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt:

de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.

§ 22. Hegel's school.

Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden

meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig

dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding

tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie

opgeheven is in de wijsbegeerte, die wel denzelfden inhoud heeft,

maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.

Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd,

legden nadruk op het gelijke van den inhoud: zij wilden den godsdienst

handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan den

anderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de

radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.

In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus,

Onsterfelijkheid.

Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij

een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of

was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke? Was

zijn godsbegrip pantheïstisch?

Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men

kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn

stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel's

dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten,

tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem

voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.

Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen

daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd

druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets

anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste

voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno

Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der

nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche

universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie en

wist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen

en groote kennis te teekenen. Aldus zingt Liebmann hem toe:

"Dit alles [7] leert gij; luistrende jongrenschaar

Volgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,

Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuw

Der menschheid hoogste gedachten verjongen.

De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij

is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx

en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het

hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over

twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend

gemaakt. Strauss en Feuerbach.

Strauss.

Strauss (1808-1874) studeerde eerst theologie te Tübingen, gaf in 1835

een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in

de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus

zouden kennen, wij kennen den Christus van 't geloof. Hij verwerpt

echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen:

het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij

ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten

zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid

is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.

Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij

later uit op de dogma's van het christelijk geloof. Verzoening tusschen

gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strauss zich meer

met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend

werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld

nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij

stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen

mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde

weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door

het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn;

maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom,

productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld

en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch

einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.

Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan

luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van

afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed

uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de

vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets

voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen

van staat en menschheid, door de kunst, in 't bizonder door de muziek,

verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss

tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van 't genie,

door onzen da Costa geteekend:

Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!

En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van 't Genie!

Feuerbach.

Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer

van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor

theologie studeerende, brengen Hegel's colleges hem tot de studie der

wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij

zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd

dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van

Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in

Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier

heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit:

"Het wezen van het Christendom" waarin hij wel de dogma's zeer scherp

critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens,

waaruit ze ontstaan zijn.

Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich

genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den

last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke

hulpmiddelen.

Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite

gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn

begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten,

vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl

schilderde voor 't eerst de beteekenis van Feuerbach.

Ten opzichte der religie leert hij, dat de mensch God maakt. God is het

ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen

wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en

prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek,

in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven

heeft. De hemel van den mensch is een "bloemlezing," ontstaan door

eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel

van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God

en den hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.

De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een

gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk

gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God

is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus,

God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.

"De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe

verborgenheid geschreid over de ellende der menschen."

Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand

geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden

en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf,

zeer vergroot, is.

Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne

beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis

ook brood en wijn en water zijn.

Alles, ook het geringste, wordt geadeld.

Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere

Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:

"Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig

het water. Amen!"

Op wijsgeerig gebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme,

maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van

de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste,

zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer

scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het

materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand

voor den geestelijken, heeft hij veel oog. Treffend komt dit uit in een

bespreking van een werkje van Moleschott: "De leer der voedingsmiddelen

is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden

tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten

en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn

vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het

in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is,

wat hij eet."

Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende

tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve

filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848,

dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu

niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer's

pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust,

Hegel's geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land

zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het

optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.

Bolland.

Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te

Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem

op in 't katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende

lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde

dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het

gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie

der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von

Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in

de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool, vooral door toedoen van

zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.

Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op

theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken

waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen

en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name

in Utrecht, Amsterdam en Delft.

Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij

vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel's werken

zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen

der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie

bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij

de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen

op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens

zelfstandig verhoudt.

Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van

kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn

standaardwerk: "Zuivere Rede." Zijn artikelen werden meest opgenomen

in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding

tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde

verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven

zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: "hij doet de wijsheid

Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer

hem dit gelukt." Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met

maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige

artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over

Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven,

persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A. van den Bergh van Eisinga in

"Mannen van Beteekenis," Deel XXXVIII, afl. 5.

Opm. Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van

den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent

te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in

diens preekenbundel: "Rust een weinig," geeft Bolland een voorbeeld

van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief

aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn

meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland,

meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid,

die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke

leer en werk betreffen.

HOOFDSTUK VIII.

SCHOPENHAUER.

§ 23. Leven en Persoonlijkheid.

Inleidende opmerkingen.

Het romantisme had, in afkeer van den tijd der verlichting, nieuwe

idealen gezocht. Aan de aufklärung had historische zin ontbroken,

het romantisme leefde gaarne in 't verleden. Zijn dichters zongen

van voorbijgeganen tijd en voelden zich thuis in ridderburcht

of middeleeuwsche stad. Zijn denkers hadden de groote beteekenis

der historische ontwikkeling begrepen en Hegel was tot een machtig

stelsel gekomen van geschiedkundige ontwikkeling. In die ontwikkeling

leerde het Absolute zichzelf kennen. De historie was ontwikkeling;

voortgaande, voortschrijdende tot hooger. Zij had beteekenis,

zij had een eenige beteekenis. Wie geloofde aan, wie overtuigd

was van dien ontwikkelingsvoortgang, mocht hoopvol op 't leven

zien. Waar de werkelijkheid niet zonder Rede was, daar was zij

nooit te verwerpen. Zoo kon er zekere tevredenheid met het bestaande

komen: Hegel was verzoend, Hegel was het eens met den Pruisischen

regeeringsvorm.

De speculatieve wijsbegeerte had in Hegel haar toppunt bereikt:

de methode was aangegeven, de door het Absolute doorloopen

ontwikkelingsgang gevonden, ja, het eindpunt bereikt. De religie

was geen vijandige macht voor het weten, veeleer lager trap, waarop

de absolute geest zich bevond. De mensch vond zijn bestemming, zijn

plicht in de zedelijkheid, die hem bond aan de gemeenschap van andere

redebegaafde wezens.

Scherp tegenover deze wijsbegeerte staat nu Schopenhauer. Geniaal

gevoelsmensch en toch "zonder hart," grillige persoonlijkheid, vat

vol tegenstrijdigheden, ontwerpt hij een stelsel van wijsbegeerte,

dat,--gedragen als het is door één persoonlijkheid, doorleefd en

zelf ervaren als het is door een rijken geest,--een eenheid is, en

toch door de kenmerken dier persoonlijkheid, grillige overgangen,

onverzoende tegenstrijdigheden bezit en den invloed van vele denkers

toont ondanks de oorspronkelijkheid. Hoe geheel andere persoonlijkheid

dan die van Hegel, welk een andere vorm van werk. Het staat er ook

in leer tegenover. Het leert het onredelijke, het irrationeele der

geschiedenis en der werkelijkheid, eerder schepping van den duivel,

dan zelfverwezenlijking der Rede. Verdere ontwikkeling brengt niet tot

grooter geluk: elke schrede verder doet meer de ellende, den jammer,

de onredelijkheid der wereld inzien. Schopenhauer wordt de vader van

het pessimisme in de 19de eeuw. Hij staat tegenover Hegel, tegenover

den mensch, en, als we zullen zien, tegenover den denker. Toch behoort

ook hij nog tot het tijdperk der speculatieve wijsbegeerte. Door

den tijd, waarop zijn hoofdwerk verschijnt (1819). Door een gelijken

voedingsbodem. Hij heeft Kant bestudeerd, hij heeft Fichte gehoord, met

Hegel gedebatteerd. Door zijn hoofdbeginsel, om van uit het subject,

uit de bewustzijnhebbende persoonlijkheid, de wereld te verklaren.

Toch duidt Schopenhauer ook over dezen tijd heen. De groote denkers

ervan zijn voor hem opsnijders, "windmakers;" kritische geesten als

Herbart pedanten. Hij hecht aan ervaring.

Hij wordt niet gelezen. Eerst, als de glorie der speculatieve

school voorbij is, wordt hij bekend. De Hegel'sche school heeft zich

gesplitst. Het vertrouwen is gedeeltelijk geschokt, de belangstelling

gedoofd. De stem van den meester, wiens werken onduidelijk zijn,

klinkt niet meer. De politieke toestanden veranderen. Het besef wordt

levendig in vele Duitsche hoofden--nog meer wordt het gevoel wakker

in vele harten--dat er één eenig Duitschland hoort te zijn, vrij van

Middeleeuwsche vorsten, krachtig door volksvrijheid en invloed. De

Februarirevolutie van Parijs slaat over naar Weenen, Berlijn. Hoop

van beter tijd vertoont zich. Grondwetten komen, beloften worden

gedaan. Een groot Duitsch rijksparlement daagt in Frankfort. De

schoone droom zal in vervulling gaan. IJdele verwachting. In Frankrijk

komt de rust. Hongarije wordt bedwongen, zij het in bloed, Weenen

tot rust gebracht. Duitsche vorsten en vorstjes gevoelen zich weer

zeker. Het oude gaat, zij 't met wijziging, zijn gang. Ontgoocheling

komt. "Neen," zucht de ontmoedigde, "de wereld is een jammerdal." De

denker, die dit verkondigd heeft, vindt bijval. Oorzaak van allen

bijval is homogeniteit, heeft hij zelf gezegd en ondervonden. Na

1850 ongeveer begint zijn roem. Op het midden der eeuw oefent

Schopenhauer zijn invloed uit, niet alleen op de wijsgeeren van

't vak, maar ook op tal van niet-geschoolden. Nederland leest hem

gretig. Zijn pessimisme sluipt in veler harten in. Naklanken vindt men

er in literair werk der laatste tientallen jaren. Schopenhauer heeft

naast speciaal wijsgeerige, algemeene cultuur-beteekenis. Hij behoort

tot de meest gelezene schrijvers. Dit rechtvaardige een eenigszins

uitvoerige behandeling, ook van zijn leven en persoonlijkheid, die

zoo grooten invloed uitoefenden op zijn leer. Fichte's woord, dat het

er van afhangt, welke mensch men is, wat voor filosofie men heeft,

schijnt voor Schopenhauer geschreven.

Leven.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 5 / 20 段