invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve
wijsbegeerte èn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. "Hij
was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was
hij in 't ontwerpen grooter dan in 't uitvoeren.
"Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel
als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak,
de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die
taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn
arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des
levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen
tot stand gebracht." (Eucken).
HOOFDSTUK VI.
SCHELLING EN ZIJN GEESTVERWANTEN.
§ 16. Schelling.
Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de
filosoof der romantiek. Daarvan getuigt zijn leer, aan herhaalde
wijzigingen--zij 't niet zonder onderling verband--onderhevig en de
invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers,
(Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);--zijn denkmethode, meer op
fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten
dan op de verschillen lettend;--zijn stijl, soms stijgend tot die
der lyrische verrukking.
Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg
in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een
dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797
te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn "Ideeën over
natuurfilosofie" uit. In 1798 komt: "Van de wereldziel." Hetzelfde
jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den
kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte's standpunt gestaan
had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het
"Systeem van het transcendentale Idealisme" uitkomt, begint een nieuwe
ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed
van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München,
als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809
begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze
zich religieuze vraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen
over het wezen der menschelijke vrijheid).
Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen,
die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München,
komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen
als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche
linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt
hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel
onverwacht.
Natuurfilosofie.
Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra
was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed
het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen,
dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden
stof zal zijn. Hem geldt de natuur als een samenhangend geheel en
de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij
kan alleen gekend worden, als zij met den geest gelijksoortig is:
ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een
voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard
worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.
Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de
natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de
natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou
een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De
natuur staat dus niet tegenover den geest, maar is een lager vorm,
de materie is sluimerende geest.
Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd,
die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de
natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten
der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt
het innerlijke der natuur te verstaan.
Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur
ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een
schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats
vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt
door van kennen en handelen tot de kunst voort te schrijden. Zij
is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den
wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam,
wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.
Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie
is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.
Identiteit.
Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets
ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling's tweede periode
bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en
ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene
Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigen vorm ook
eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu 't voorwerp der filosofie. De
natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer
van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.
Absolute.
-------^-------
Geest = Lichaam.
Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is
allebei.
Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht
naar één zijde.
Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen
gelijk.
De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.
Het objectieve overheerscht.
De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.
Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno,
verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie
en wetenschap.
Theologie.
Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch
object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich
vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond,
dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte
dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor
de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing
aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226). De grond voor scheiding,
voor 't verkeerde moet in het Absolute liggen.
Er bestaat een irrationeel element in de wereld. God kan eerst
dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijken kan. Het ontstaan
der bijzondere dingen is als 't ware een afval, is de zondenval. De
geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname
der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.
Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen
een mogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. De werkelijkheid
van het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen,
houdt op.
Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling's leer op, dan krijgen
wij in drie stadiën dit:
Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar
ook geest. Daarom is, van uit de natuurfilosofie op te stijgen tot
den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar
aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt
iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan,
en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is de identiteit
van geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit
het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan:
de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet
zich ontwikkelen. Maar de mensch met zijn vrijheid maakt het mogelijke
booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding
der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
§17. Schelling's geestverwanten.
Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een
groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde
richting werkzaam waren. Zoo is te noemen de natuurfilosoof Lorenz
Oken (1779-1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al
zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier
vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel,
de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: "De aether
is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether,
tezamen 4." "De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal."
Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij
de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed
uitgeoefend op Fechner.
De identiteitfilosoof Wagner (1775-1841) oefende invloed uit op den
Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang
invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is
moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit
maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn
werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in
evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam
een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer,
waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.
De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van
Schelling is Schleiermacher.
Schleiermacher.
Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde
theologie, gaf in 1799 zijn "Toespraken over de religie" uit, werd
in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor
te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke
invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een
persoonlijk kenmerk wist samen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk
uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens
wat "mat." Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische
werkzaamheid: "de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert
den Hervormingstijd had gehad." (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier
tot zijn godsdienstwijsbegeerte.
Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen,
naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In
God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God
niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig
maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft
nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij
hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door
wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen
zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.
Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een
schadeloosstelling in het hiernamaals.
Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij
zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in het gevoel. Wij
voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige
handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het
religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel van afhankelijkheid,
ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht
naar eenwording met God.
Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis,
en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke
Platovertalingen.
HOOFDSTUK VII.
HEGEL EN ZIJN SCHOOL.
§ 18. Leven en persoonlijkheid.
De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve
denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te
Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in
Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den
dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de
Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en
Rousseau werden gelezen. Van 1793-'96 was hij huisonderwijzer te Bern,
daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander
van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige
beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een
tijdschrift uit.
Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op
den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende,
spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende,
de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.
Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam, even onbeholpen in
het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur
maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal
aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend
en doordénkend.
In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het
Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon's veldheersgenie, nauwelijks
belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn "Phaenomenologie
van den geest" voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en
openbaring van eigen standpunt.
Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar:
hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg,
als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig
onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt
zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als
hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste
jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831
aan de cholera sterft.
In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van
bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges
over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een
geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde
en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid,
maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor
hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. "Nog
nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het
onderzoek van Hegel's geschriften verbonden, zich aan een gevoel van
bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van
dezen denker." (Dr. Ritter).
Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich
van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote
beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten
weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften
van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig
gebied vierde hoogtij.
Hegel was--gevolg zijner wijsbegeerte--conservatief gezind en zoo stond
hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel
op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet,
om den vorst te believen.
Na zijn dood gaf eene "vereeniging van vrienden van den vereeuwigde"
zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die
werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl
geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal
kunsttermen nog meer af.
Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven
der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.
§ 19. Methode.
Hegel's systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al
het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van
zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is
identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit,
door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur
staat niet naast het denken, maar er onder. Keert Hegel dan tot
Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik
een object tegenover zich zou hebben, waarop het zijn krachten kon
richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is
niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling
waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.
Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen,
met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren
kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel
der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute
is eerst "an-sich," aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot
anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest,
wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het
Absolute weer "an-sich," maar ook für sich, voor zich zelven. In alles
wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke
is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet
van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.
Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij een
stelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot
kennis der verschijningen. De dingen an sich: het Absolute moet gekend
worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van
het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica,
dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules
en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het
zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.
Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische
methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn
ontkenning. Maar... zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we
tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze
zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraak is verdwenen,
zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide
begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin
òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor
een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn
negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer
ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).
Schematisch dus:
a --> niet a
------------
A --> niet A
------------
B --> niet B
------------
C --> niet C
------------
D enz.
Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken
en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methode eenheid
van tegendeelen.
Hegel's systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm
gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch,
identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute
leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt,
en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent,
zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu
heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. "Grootscher taak is
haar nooit opgedragen."
Hegel's groote kennis en bouwend vermogen stelt hem in staat een
volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van
den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88--89
en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.
§ 20. Het systeem.
Logica.
Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt,
die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode,
waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste
begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of
hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn,
maar, als het gedacht wordt bestaat het als gedachte en niet-zijn
wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Het
worden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is
worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In
het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.
Na de logica volgt de natuurfilosofie, vrij algemeen als het minst
belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De
algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt,
om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in 't
buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der
vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in
't vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest,
die zich openbaart als:
subjectieve, objectieve en absolute geest.
Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze
bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en
verwerkelijkt. Dit gebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer
zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven
geest als ziel van een lichaam is de anthropologie, die handelt over
de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden,
vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten,
slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte
onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie,
voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen,
herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De
subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en
tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in
de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van den OBJECTIEVEN
geest is de schitterendste schepping van Hegel, in 't bijzonder dan
zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid
moet werkelijkheid worden. Het recht brengt de uitwendige vrijheid,
de moraliteit de innerlijke, de zedelijkheid beide vereenigend, de
volkomen vrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van
verboden inperking van den wil.
Het recht is aleerst eigendomsrecht, het is het recht der
persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen
persoonlijkheid. In een verdrag treedt die persoonlijkheid tot anderen
in verhouding en het strafrecht is de ontkenning van de ontkenning
van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere
wil zich verzet tegen den algemeenen.
Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen
voegt, is moraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve
gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft
een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; het geweten,
rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.
Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en
dat geschiedt in de "zedelijkheid." De zede is een in de gemeenschap
heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt
als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen
voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.
Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt
is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote
aangelegenheid van 't gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De
leer der "burgerlijke gezelschappen" doet o. a. recht wedervaren aan
de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen
met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand)
vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden
hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de
grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen
denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals
een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van
de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men
dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook
hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het
werkelijke redelijk.
Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer
willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen
wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor
steeds te laat. "Eerst als de schemering begint, vangt Minerva's uil
aan te vliegen."