van dat voor het schoone, ontstaat wanneer een gespannen verwachting
plotseling in niet overgaat [3]. Zoo worden we als 't ware voortdurend
opgewonden en loopen plotseling af. Veel gewicht hecht Kant aan de
hiermee gepaard gaande lichamelijke gewaarwordingen, die ons krachtiger
levensgevoel geven.
§ 12. Kant's invloed.
Kant's invloed is overweldigend geweest.
Aanvankelijk begrepen zijn tijdgenooten hem niet. Niet tot een bepaalde
partij behoorende, meende ieder in hem een vijand, zonder meer te
zien. Reinhold zegt daaromtrent in zijn brieven over de Kantiaansche
Wijsbegeerte, dat ieder hem voor een vijand aanzag: de dogmatici
voor een scepticus, die alle zekerheid van 't weten ondergroef, de
sceptici voor iemand, die een nieuw dogmatisch systeem wou opbouwen,
de spiritualisten voor een materialist, de materialisten voor een
spiritualist, enz.
Lang duurde die miskenning niet.
Op verschillende wijzen werkte Kant.
Zijn schoonheidsleer trok den grooten denker Schiller, en door
dezen raakte ook Goethe met Kant bekend. Schiller heeft Kant's
leer van het schoone verder ontwikkeld. Reinhold (1758-1823) heeft
door zijn brieven veel gedaan tot populariseering der Kantiaansche
wijsbegeerte. Gedeeltelijk afwijkende leer verkondigde Maimon, die
zich met ongelooflijke moeite (hij was een Poolsche Jood) tot zoo'n
hoogte had opgewerkt, dat Kant zei, dat niemand als hij zoo goed de
hoofdzaak had verstaan.
Weldra werd aan alle universiteiten bijna het criticisme geleerd
en leeraren, die zich tegen Kant verzetten, werden van geliefde en
geachte meesters vergeten grootheden.
Van heinde en ver kwam men naar Koningsbergen om Kant te zien en
te hooren.
Enkele uitdrukkingen kunnen aantoonen, welk een invloed men hem
toeschreef.
Mendelssohn sprak van den "alles vernietigenden Kant" en Jean Paul
riep in geestdrift uit, dat Kant met zijn zedeleer géén licht had
doen opgaan, maar zèlf een glanzend zonnesysteem was.
Ook in ons land vond de Kantiaansche wijsbegeerte belangstelling. Als
aanhanger daarvan deed zich kennen Kinker (1764-1845), een geestig
schrijver, die van 1817-1830 hoogleeraar in de Hollandsche taal
aan de universiteit te Leuven was. Over hem als wijsgeer heeft
Prof. v. d. Wijck uitvoerig gehandeld.
De Kantiaansche wijsbegeerte werd bestreden en het oude Christelijk
geloof gehandhaafd door den dichter Rhijnvis Feith (1753-1824),
die in 1806: "Brieven aan Sophie over den geest van de Kantiaansche
wijsbegeerte" schreef, welke door Kinker in een vinnig geschrift:
"Brieven van Sophie aan Feith," beantwoord werden.
Het verdere verloop der waardeering blijkt uit het vervolg.
TWEEDE AFDEELING.
DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.
§ 13. Voorloopige opmerkingen.
Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden
groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der
19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond,
zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.
Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de
eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met
de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel
wordt mee bevorderd door de denkers.
Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers
en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche
literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te
halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van het romantisme.
Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich
uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen,
niet allereerst van wijsgeerigen aard is. [4]
Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte, terugtrekken op
het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te
vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen,
maar om dit te openbaren in de kunst, om dit uit te leven in de
artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het
leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de
geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de
heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De
nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde
verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend
gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in
een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van
geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van
geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan
open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die
het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland
met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische
roman ontstaat. [5] De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der
romantiek, Schelling is hun wijsgeer.
Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch
minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw
die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd,
is geen dwepend romanticus als Schelling.
Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare
kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant's leer: de lichamelijke wereld
is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid,
de intelligibele wereld.
Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met het denken: het
zuivere denken moet ons de waarheid brengen.
De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet
op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd
worden, wordt beproefd.
Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan,
de werkelijkheid wordt gekend.
Drie groote speculatieve filosofen zijn er.
Fichte, de ethicus, die 't meest uitgaat naar de zedenleer.
Schelling, de kunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.
Hegel, de denker.
Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt
een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. "Zijn invloed,
hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen,
onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw"
(Eucken). De school van Hegel vormt met haar linkerzijde den overgang
tot het positivisme in Duitschland.
In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.
Dit gedeelte is genoemd de tijd der speculatieve filosofie. Want
er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens
de genoemde. Onder hen valt te noemen Herbart, die op ziel- en
opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
HOOFDSTUK V.
FICHTE.
§ 14. Leven en Werken.
Leven.
De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb
Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in
Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden,
door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te
studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke
geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich
te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader
der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter
Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk
maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie
moeilijkheden meebracht--hij hield de ouden elke week de door hen
begane opvoedkundige fouten onder de oogen!--vertrok hij naar Jena,
waar hij kennis maakte met Kant's wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd
de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die van Kant's
boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift
ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht
Fichte hem--hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer
hoopte te worden--te spreken en geeft als aanbeveling een in
vijf weken ontworpen geschrift: "Proeve eener critiek van alle
openbaring". Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze
zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de
laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien
tijd Kant's godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het
boekje voor Kant's werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in
één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar
Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite
met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten,
wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij
wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van
Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt,
indien hij in 't ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem
nu, zelfs met Goethe's toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken,
vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de
romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt
hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij
wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810
wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn
plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft
hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt
gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.
Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende
persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken
van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid
onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn
licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen;
het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.
Werken.
Fichte's werken zijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn
meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn
verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag
méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van
die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel
willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die
uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt
in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en
praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers
van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn
leer wel een ontwikkelingsgang te ontdekken, maar geen totalen omkeer.
In 1794 verscheen de "Grondslag der geheele wetenschapsleer." In
1797 gaf hij daar nog "Inleidingen" op en in 1800 verscheen: "De
Bestemming des menschen." Verder zijn te noemen: "De Grondslag van
het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L." (1796) en de Zedeleer
naar dezelfde beginselen (1798).
Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams
goedkoope uitgaven) "De toespraken tot de Duitsche natie," "De
bestemming van den mensch," "Systeem der Zedenleer" en "Feiten van
het Bewustzijn" (1811).
§ 15. Theoretische filosofie.
Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer
nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van
uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van
Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn
criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid
en duidelijkheid geen misverstand buitengesloten en was zoo--zij het
onwillens--vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer
bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en
indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf
geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel
ontsprong. Hij had, in onze kennis vorm en inhoud onderscheidend,
niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.
Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend,
nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug
te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:
Een stelsel te ontwerpen, dat alles uit één beginsel afleidend,
de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen
van Kant, erkent, maar den laatsten oorsprong zoekt van de door Kant
gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.
Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?
Tweeërlei is mogelijk.
Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten
bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit
is het dogmatische of realistische standpunt.
En men kan zeggen:
Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat
een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt
voortgebracht. Dit is het absoluut idealisme.
Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van
af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke
redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is een
daad, een wilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos
de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor
het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven,
aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan
dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn:
het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit
't bewustzijn worden verklaard.
Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is: het ik zet zich
zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven
bij denken. "Denk den muur en denk nu, die den muur denkt."
Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, een handeling. Maar--het
ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik
tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik
zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these
en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:
"In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik."
Het ik en niet-ik perken elkaar "in."
Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik,
ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre
passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.
Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit
is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe
Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan
de practische filosofie het primaat moest geven.
In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle
verdere wijsbegeerte. "Geen enkele filosofie komt boven deze kennis
uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren."
Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven
stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden
doorloopen. Het begint met
1. een gewaarwording te hebben (bijv. van rood, geur);
2. komt tot de aanschouwing, dat die gewaarwording buiten het
bewustzijn bestaat,
3. vormt in tijd en ruimte een beeld (bijv. roos) van het aanschouwde,
4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot
staan. Er is nu een voorwerp ontstaan, dat aangezien wordt voor de
oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is,
een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).
5. De oordeelskracht is het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen
te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur,
of de grootte).
6. Het hoogste stadium, de rede, stelt ons in staat, om van alle
voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt
vindt het ik zichzelf.
Maar nu kan ook gevraagd worden: hoe komt het ik er bij, om zich door
een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het. Dàt het ik dus
de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maar waarom dat
niet-ik gesteld?
Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord
worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot
bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf
teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn,
is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door
het niet-ik.
Wij moeten handelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen
als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een
voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die
overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm
is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het
ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om
practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover
ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in
haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.
Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik:
(de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft
deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom,
dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid
hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden,
en dus de natuur te overwinnen.
§ 15a. Practische filosofie.
Zedeleer.
Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen
op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De
mensch volgt zijn natuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium
te volgen. De mensch moet komen tot handelen om der wille van het
handelen, hij moet vrij zijn. Streeft hij hier niet naar, blijft
hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. De luiheid
is het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de
mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een
verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op
den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad
moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid
voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in
die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur-
en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam
gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen,
is geweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar ons
geweten te handelen; ieder in zijn ambt en staat.
Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent
Fichte toe aan "deugdgenieën", in wie de drift naar vrijheid zeer sterk
was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze
genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen
de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook
dikwijls de godsdienststichters.
Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met
menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de
verwerkelijking van het ik. Daartoe kan elke mensch slechts door den
arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom--niet als
doel maar als middel--bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd
echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen--zij zijn met
mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik niet alleen in dienst van de
verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term
te gebruiken, "een gemeenschap der heiligen."
Rechtsleer.
De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van het recht. Dit
heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt
ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als
vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die
dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.
Zoo is de algemeene rechtsregel:
"Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen
zijn."
In het begrip der persoonlijkheid liggen de "oerrechten" [6] van
persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.
Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem
dwingen. Er is dus dwangrecht. Maar om dit in 't werk te kunnen
stellen, moet er een staatsrecht zijn. Dit eischt, dat de burgers
elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig
erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap
tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.
Huwelijk.
In een aanhangsel van het "Natuurrecht" behandelt Fichte het huwelijk,
dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde
der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken
en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepen openstaan,
verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.
Staat.
Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal
verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de
volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op
revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet
wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te
ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een
organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in
beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is,
om te zorgen, dat ieder eigendom heeft en werken kan. Een soort
socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij
op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad:
er zijn in z'n socialisme vele reaktionaire elementen.
Godsdienst.
In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk
geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een
vroom bespiegelend boekje: "Aanwijzing tot zalig leven." Was vroeger
voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is
deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat
Absolute is het Ik een beeld. "De Geest (= Het Ik) een beeld Gods,
de wereld een beeld des geestes." Het ware wezen der religie is een
allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.
Geschiedenis.
In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het
denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst
een stadium te zien van "onschuld," waarin het zedelijke onbewust uit
instinct wordt gedaan. Nu komt het tijdperk der "beginnende zonde,"
waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of
niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven:
"die der voleindigde zondigheid," waarin willekeur en zelfzucht
zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en
waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat
de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds
wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der
"beginnende rechtvaardigmaking," waarin het enkel ik zich aan de
rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt
de geschiedenis in het stadium der "voleindigde rechtvaardigmaking
en heiliging," de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is
opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden
met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.
Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert
hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben
Luther's hervorming, Kant's wijsbegeerte, Pestalozzi's opvoedkunde
voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en
zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding,
die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch
brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote
doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.
Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland,
werd een herdruk der toespraken verboden!