Het kosmologisch bewijs stelt God als de eerste oorzaak. Maar omdat wij

een eerste oorzaak willen aannemen, ja, bijna moeten, om tot eenheid

van kennis te geraken, daarom mogen wij aan die hypothetisch gestelde

oorzaak, die buiten de grenzen der ervaring ligt, geen werkelijk

bestaan toekennen.

Het ontologische bewijs (Deel I, pag. 189), dat uit het begrip God

zijn bestaan afleidt, wordt verworpen, wijl het bestaan niet tot de

kenmerken van een begrip behoort. "Honderd werkelijke daalders bevatten

niets meer dan honderd gedachte." Het bestaan zegt hoe een ding zich

tot onze kennis verhoudt, het moet bij een begrip gevoegd worden en

dan krijgt men een oordeel, waarin een bestaan wordt uitgesproken. Uit

God als begrip kan ik niet zijn bestaan halen. Ik moet dan zeggen:

God is. In het begrip God zijn dan echter geen meer kenmerken gekomen,

het is als bestaande gezet [geponeerd].

Zoo is dus de speculatieve theologie ook afgebroken. Het voordeel

is ook weer hier, dat daarmee meteen aan de godloochening het wapen

uit de hand is geslagen. Men kan ook niet bewijzen, dat God er niet

is. Er is dus plaats voor geloof. En gelóóft men eenmaal aan God,

dàn kan de speculatieve idee het Godsbegrip louteren en zuiveren,

en daaruit alle elementen verwijderen, die er niet in hooren.

Opm. Dit gedeelte behandelt Kant in de transcendentale DIALECTIEK, die

dus den schijn moet behandelen, niet de waan, die individueel is en

òf door slordig waarnemen òf slordig nadenken ontstaat, maar de waan

in den mensch, die natuurlijker wijze ontstaat. De rede ontwerpt hier

begrippen, die wij ideeën kunnen noemen. Zij zijn niet konstitutief,

maar regulatief. Drie dezer ideeën zijn er: ziel, wereld, God.

Deze ideeën liggen buiten het gebied der ervaring: ze zijn transcendent

(wel te onderscheiden van transcendentaal, wat Kant zelf helaas niet

altijd heeft gedaan). Door deze transcendente ideeën als objecten voor

kennis te behandelen, heeft men de rationeele psychologie, kosmologie

en theologie gekregen. De eerste brengt tot alogische redeneeringen,

tot paralogismen, de tweede tot de vier beroemde antinomiën, waarin

these en antithese beide gerechtigd schijnen, de derde tot de drie,

niet houdbare bewijzen voor 't Godsbestaan.

Overblikken wij nu de kritiek der zuivere rede.

Onze zinnelijkheid geeft ons waarnemingen, door de aanschouwingsvormen

van ruimte en tijd, die aprioristisch zijn, geordend. Ons verstand

voegt de waarnemingen onder de kategorieën door middel der schema's.

Zuivere wiskunde is mogelijk en ontleent haar algemeen geldig en

volstrekt karakter aan de aprioriteit van tijd en ruimte. Uit

de aprioriteit der kategorieën volgen enkele aprioristische

grondregels, waarnaar wij onze ervaring opbouwen. De dingen schikken

zich naar ons. Het substantie- en causaliteitsbegrip zijn hier het

voornaamste. Gaan wij de ervaring overschrijden, dan brengt de rede

ons tot de ideeën van ziel, wereld en God, die ons verborgen blijven

en geen eigenlijk voorwerp van kennis zijn. Het zijn grensbegrippen.

Onze kennis, die dit eerst wordt, als we ervaringen (geen waarnemingen)

hebben, blijft beperkt tot de wereld der verschijnselen. De achter de

phaenomenale wereld gelegen noumenale wereld blijft ons verborgen. We

weten alleen dat ze bestaat. We moeten ons hoeden voor de dwaling,

verschijning als schijn op te vatten. Ook de verschijningswereld

is werkelijk.

Opm. We geven hier nog een kort schema.

KRITIEK DER ZUIVERE REDE.

Transcendentale Transcendentale Transcendentale

aesthetiek. analytik. dialectiek.

-- -- --

Ruimte en tijd. Kategorieën. De redebegrippen of

Ideeën.

Aprioristische Zuivere --

aanschouwingsvormen. verstandsbegrippen.

Phaenomena. -- Ziel.

Noumena. Deductie. Paralogismen der

psychologie.

Ding an sich. -- Wereld.

Transcendentaal Antinomiën. (theses en

schematisme van 't antitheses) der

verstand. rationeele kosmologie.

Grondstellingen van 't God.

verstand. (o. a.

analogieën der

ervaring.)

De substantie blijft. De drie bewijzen der

speculatieve

theologie.

Causaliteit.

HOOFDSTUK III.

PRACTISCHE FILOSOFIE.

§ 8. Zedeleer.

Evenals in de kennisleer heeft Kant in de zedeleer ook een

ontwikkelingsgang van jaren doorgemaakt, voor hij tot de

vaststaande opvattingen van de kritiek der practische rede (1788)

kwam. Aanvankelijk oefende Wolff grooten invloed. Later maakten de

Engelsche moraalfilosofen, (Shaftesburry, I, pag. 309) en Rousseau

grooten indruk. Ten slotte bouwde ook hier de denker een eigen

trotschen bouw, die de tijdgenooten nog meer imponeerde, dan zijn

theorie der kennis. Hij vertoont daarmee groote overeenkomst.

De kritiek der zuivere rede zoekt aprioristische beginselen te vinden,

ook wel transcendentale of formeele genoemd, die ten grondslag lagen

aan de kennis van wiskunde, natuurwetenschap en metafysica.

Die beginselen waren als vorm scherp onderscheiden van den inhoud

der waarnemingen en ervaringen.

Op het gebied der ethiek nu zocht Kant ook naar een zuiver beginsel,

naar een vorm, waaronder zich alle zedelijk voorschrift laat

brengen. "Niet een nieuw beginsel, maar een nieuwe formule der

zedelijkheid" wordt in de Kritiek der Practische Rede opgesteld.

Autonomie.

De vorm van ons willen wordt ons niet opgedrongen, maar

voorgeschreven. De wet voor den wil is geen natuurwet, die zegt dat dit

en dat zoo ìs en niet anders kàn, maar dat dit en dat zoo behóórt. De

wet echter stamt uit onze practische rede evengoed a priori als de

natuurwet uit de zuivere. Zooals daar het verstand de natuur de wetten

voorschrijft, zoo hier ook. Daarom is Kant's zedeleer AUTONOOM: niemand

anders, niets anders schrijft ons de zedewet voor. Wijl autonoom,

kan de zedeleer niet berusten op Gods wil, niet op den lust, niet

op het algemeene welzijn. Verworpen worden dus de moraalsystemen,

die uitgaan van Goddelijk gebod, van den lust (hedonisme), van het

meegevoel, van de sympathie, (zie I, pag. 84 en pag. 323). Niet op

den wil van een ander, niet op den lust (waarvoor ieder al genoeg uit

zichzelf zorgt, en dat dus niet voorgeschreven behoeft te worden)

niet op de sympathie, d. i. op den onvasten bodem van het gevoel,

kan de zedeleer berusten, die in haar opperste beginsel van absolute

geldigheid voor ieder en voor allen tijd is.

De goede wil.

Er is ook maar één ding te waardeeren: den goeden wil. Alle z.g. goede

dingen kunnen verkeerd aangewend worden. Dapperheid, een deugd,

kan door boozen wil verkeerd worden aangewend; evenzeer verstand,

bekwaamheid, enz. Waar het dus bij de zedelijke beoordeeling op

aankomt, is niet de verrichte daad, maar de wil die voorzat. Niets

in of zelfs buiten de wereld is te denken, wat onbeperkt als goed

geacht kan worden, dan de goede wil.

Legaal en moraal.

Er zijn daden, die op zichzelf niet zijn af te keuren, maar die

eigenlijk toch geen voorwerp van zedelijke waardeering zijn.

De koopman, die zijn klanten eerlijk behandelt, om de klandisie

niet te verliezen, de werkman, die zijn plicht stipt vervult, om niet

ontslagen te worden, zij handelen beiden wettig, legaal. Wij waardeeren

deze handelwijze, maar vinden ze niet zedelijk-goed. (Natuurlijk ook

niet kwaad!) Men kan ook uit neiging, uit gevoel, uit sympathie, uit

welwillendheid, den arme weldoen, den vriend bijstaan, uit eerzucht

zich beijveren. Maar ook dit is nog legaal. Slechts wanneer men iets

doet, dat men zijn plicht acht, zelfs tègen zijn neiging in, dan

wordt de handeling moreel. De zedewet te gehoorzamen uit plichtbesef,

dat is de ware zedelijkheid.

Rigorisme.

Op deze laatste onderscheiding (v.g. ook I, pag. 142) is veelvuldig

aanmerking gemaakt. Men heeft over 't geheel gemeend, dat Kant

aan de goede handeling uit neiging en sympathie te weinig waarde

toeschreef. Het is zeer goed mogelijk, dat men iemand bijstaat,

zoowel uit plichtbesef als uit sympathie. Schiller, die overigens

niet tegenover Kant stond, drukte dit uit in zijn bekend versje:

Gaarne dien ik den vriend, doch ik doe het helaas nog met neiging.

En daarom kwelt het mij vaak, dat ik de deugd niet bezit.

Daar is geen andere raad: probeer het, hem te verachten,

En doe met afschuw dan, wat de plicht u gebiedt.

Maar vragen wij nu: wat schrijft de plicht, in wiens opvolging alleen

ware zedelijkheid ligt en wiens formule uit ons zelf stamt, dan voor?

Het antwoord daarop geeft de kategorische imperatief. "Handel zoo, dat

het richtsnoer van úw wíl tegelijk als voorschrift voor een algemeene

wetgeving kan gelden." [2] Telkens, wanneer er dus een bepaalde daad

verricht dient te worden en wij twijfelen, of ze goed is, kunnen wij

vragen: Wanneer ieder naar mijn beginsel handelde, wat zou er dan van

de menschheid worden? Nemen we maar één practisch voorbeeld. Wij kunnen

ons geen samenleving voorstellen zonder vertrouwen; bestond dit niet,

alle beschaving, alle maatschappelijk samenleven hield op. Vertrouwen

schenden is dus verkeerd, omdat onmogelijk gewenscht kan worden,

dat iedereen dit doet.

Deze stelregel is de KATEGORISCHE IMPERATIEF van Kant. Een imperatief

is het, omdat de regel gebiedend optreedt, objectief geldig is

(imperare = gebieden). Een imperatief moet onderscheiden worden van een

maxime, een subjectieve meening van een bepaald individu. Kategorisch

is de imperatief, omdat ze niet aan voorwaarden gebonden is, maar

algemeen geldig. Ze staat tegenover de hypothetische imperatief

(als ge dokter wilt worden, moet ge in de medicijnen studeeren)

die een gebod behelst, dat slechts onder bepaalde voorwaarden geldt.

De toepassing van den kategorischen imperatief op de verschillende

levensomstandigheden hangt van vele omstandigheden af. Hij is dus een

algemeen, a. h. w. ledig beginsel, maar kan in een andere formuleering

wat concreter kleur bekomen. Die formuleering hangt samen met de

onderscheiding van doel en middel. Men kan nl. onderscheiden, dingen,

die middel zijn, (bijv. voedsel, kleeding, woning, kunstgenot), en

die door andere te vervangen zijn en eerst van beteekenis worden,

als ze tot iemands behoeve worden aangewend, en dingen en personen,

die doel zijn, die geen prijs hebben, maar waarde. Dit zijn bijv. de

zedelijke gezindheid en de mensch. "Zedelijkheid en de menschheid,

voorzooverre zij geschikt is, zedelijkheid te hebben, zijn het eenige

wat waarde heeft." En hieruit vloeit een andere formuleering van den

kategorischen imperatief.

"Handel zoo, dat gij de menschheid, zoowel in uw eigen persoon als

in den persoon van ieder ander immer tegelijk als doel, nooit bloot

als middel beschouwt."

Een werkgever mag dus zijn werknemers niet bloot als middelen, om

zijn zaak te drijven, beschouwen, een veldheer zijn soldaten niet als

"kanonnenvleesch" en meer niet, aanzien.

In hoeverre hebben we nu, ons zelven en de menschheid als doel

beschouwend, te letten op eigen zedelijke volmaking, op het geluk van

anderen! Bij sommige systemen staat het eene, bij andere het laatste

meer op den voorgrond. Ook hier treedt Kant, als in de kennisleer,

overbruggend op. Maak eigen volkomenheid en anderer geluk tot doel van

uw handelingen. Een ander kan ik niet volkomen maken: de volkomenheid

bestaat in de gezindheid en die kan ik een ander niet schenken. Eigen

geluk te verzorgen is geen zedelijke plicht, dat streef ik van zelf

al na.

Wij hebben dus plichten tegen ons zelven (volmaking van lichamelijke

en geestelijke kracht) en tegenover anderen (hulpbetoon). Medelijden

als gevoel verwerpt Kant: het is een vermeerdering van lijden; wat hij

eischt, is medelijden als daad, de klaarstaande hulpvaardigheid. De

vriendschap wordt zeer hoog geacht, in haar is evenwicht van achting

en genegenheid. (Voor de groote, ook zedelijke beteekenis van het

huwelijk had Kant weinig oog).

Vatten wij het gezegde kort samen, dan krijgen wij:

Er is een aprioristisch formeel ethisch beginsel, niet steunend op

iemand of iets anders.

Het verstand geeft zichzelf de wet: onze zedeleer is autonoom. Dat

zuivere zedelijk beginsel is de kategorische imperatief. Waarachtig

zedelijk, moreel, handelt alleen, wie zijn plicht doet tegen

zijn neiging in. Legaal handelt hij, die uit neiging of uit

nuttigheidsoogpunt handelt. Voorwerp van zedelijke waardeering is

alleen de goede wil.

De kategorische imperatief eischt, dat wij onze persoonlijke zedelijke

inzichten, onze maximen zóó stellen, dat zij algemeene objectieve

zedelijke beginselen kunnen zijn; dat wij nooit eenig mensch alleen

als middel behandelen.

De bijzondere plichten zijn plichten tegen ons zelven (eigen volmaking)

en anderen (hun geluk).

§ 9. Theologie.

Kant had de speculatieve theologie verlaten. De idee God was een waan

gebleken, een wel natuurlijkerwijze ontstaan idee, maar desniettemin

een grensbegrip, onze ervaring te boven gaand. De bewijzen voor het

bestaan Gods waren gewogen en te licht gevonden. Verdween daarmee ook

het geloof aan God? En was, met de afbraak der rationeele psychologie

ook het geloof aan 's menschen onsterfelijkheid vernietigd? Neen. Noch

het geloof aan God, noch dat aan vrijheid en onsterfelijkheid was te

loor gegaan. Als geloof waren zij behouden.

Waarop bouwde zich dat? Had het grond?

Ja, die was te vinden in het zedelijk bewustzijn!

Wij geven ons zelven de wet, dus vrij zijn wij. Onomstootelijk vast

staat de zedewet. En van dat feit uitgaande, weet de mensch zich

burger van een intelligibele wereld, waar vrijheid heerscht. Met

de zuivere rede bewijs ik die vrijheid niet, maar als postulaat

vloeit ze onmiddellijk voort uit de praktische rede, die ons de

zedewet oplegt. In de kennisleer is aangetoond, dat het aannemen

der vrijheid niet tégen de rede strijdt. Daar is de ruimte gemaakt

voor de postulaten, die de practische rede stelt. En kunnen wij ons

geen aanschouwelijke voorstelling maken van de andere wereld, wij

mogen toch een andere causaliteit veronderstellen voor de wereld der

"dingen an sich".

Het geloof AAN DE ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL is eveneens een postulaat

der practische rede.

Wat eischt de zedewet? Dat wij er volkomen naar zullen handelen. Maar

in dit korte leven vindt die volkomen overeenstemming tusschen wet

en leven niet plaats. Zoo hopen wij op een voortdurend bestaan, opdat

wij hoe langer hoe meer het zedelijk ideaal zullen kunnen naderen.

Eveneens zijn we gerechtigd, en dit is het derde postulaat, aan God

te gelooven.

Deugd en gelukzaligheid moeten samengaan, maar in dit leven zien wij

dit dikwijls anders. Zoo moeten wij aannemen, dat alleen een àl-wijs,

àl-goed, àl-machtig wezen, dat de zedelijke wereld regeert, dat de

natuur geschapen heeft, recht zal doen en de juiste verhouding zal

herstellen.

Op het zedelijk zelfbewustzijn bouwt Kant dus de drie groote religieuze

beginselen, die hij steeds aanhing: vrijheid, onsterfelijkheid,

God. Niet op den godsdienst berust de moraal, zooals zoo dikwijls

geleerd was. Ook hier keert Kant om. Aan de zekerheid van de zedewet

en aan hare majesteit ontspringt ons geloof.

Hoe is nu de verhouding tot de geopenbaarde religies? De inhoud der

eigenlijke religie valt samen met die der moraal. De rede heeft nu

na te gaan, welke van de bijzondere toevoegselen, die de bestaande

historische godsdiensten voegen bij het zuivere redegeloof, te

rechtvaardigen zijn. Daarbij mag men niets van te voren aannemen,

noch verwerpen.

Kant zelf waardeert den bijbel zeer hoog en tracht vele christelijke

leerstukken een wijsgeerige beteekenis te geven, bijv. den zondenval,

de wedergeboorte, de Christusidee, de kerk. Veel meer, dan de

denkers der aufklärung, weet Kant de historische roeping der kerk

te waardeeren. Zij was het werktuig om de zuivere religie in hare

vormen te verbreiden. Het wonderengeloof acht hij tegen de wetten

der ervaring en niet noodig voor onze zedelijke verheffing. Voor den

theoloog als geleerde eischt Kant vrijheid--op den kansel heeft hij de

gebruikelijke symbolen, waarin de waarheid zich hult, te eerbiedigen.

§ 10. Staats-rechtsleer. Opvoedingsleer.

De zedewet eischt de gezindheid, het recht, de wet van den Staat

vraagt niet meer dan de handeling. Degene, die de wet overtreedt,

ontvangt straf. Deze wordt niet gegeven, opdat niet gezondigd wordt,

noch tot verbetering der misdadigers, maar als vergelding: ieder moet

dàt krijgen, wat hij verdient.

Den besten regeeringsvorm acht Kant, die zoowel den Amerikaanschen

vrijheidsoorlog als de Fransche revolutie met groote belangstelling

volgde, en democratisch gezind was, een constitutioneele monarchie. De

wetgevende macht hoort bij het volk, de uitvoerende bij den koning,

de rechtspraak bij door het volk gekozen rechters. Erfelijke adel

behoort er niet te zijn. Vrijheid van gedachtenuiting bevordert het

algemeen welzijn.

Men mag met grond hopen, dat de menschheid vooruitgaat, zoowel in

zedelijk als in verstandelijk en technisch opzicht. Geloofde men

niet aan dien vooruitgang, dan zou men zijn plicht, aan dezen mede

te werken, niet kunnen vervullen.

Ook de ervaring spreekt er voor. Wel schijnen de steeds meer gehoorde

klachten over den achteruitgang van het menschelijk geslacht daar

tegen in te gaan, maar deze bewijzen slechts, dat de menschheid haar

ideaal hooger heeft leeren stellen.

Er is dus hoop, dat de menschheid meer en meer den toestand van

eeuwigen vrede nadert. Dit is het doel der geschiedenis: uit den

"noodstaat" tot den "redestaat" (Vernunftstaat) te komen.

Eigenbaat, die zekerheid wenscht voor handel en verkeer, werkt samen

met de ontwikkeling van het zedelijk bewustzijn. Scheidsgerecht zal

misschien eenmaal den oorlog vervangen. Dit optimisme voor de toekomst

maakte Kant niet blind voor de vele gebreken van den mensch zooals

die nu is en zoo sterk treden die soms in 't licht, dat men wel in

Kant een voorlooper van 't pessimisme heeft willen zien.

Over opvoeding heeft Kant hier en daar meeningen geuit,

terwijl er ook een verzameling van aanteekeningen bestaat over

dit onderwerp. Het is belangrijk er op te wijzen, dat hij de

tegenvoeter is van Locke--Rousseau en Basedow ten opzichte der

zedelijke opvoeding. Absoluut is hij er tegen, om de voorschriften der

zedeleer door belooning aanlokkelijk te maken, om door 't opwekken

van 't eergevoel een naijver tot zedelijke inspanning te voeren,

om door de gevolgen af te schrikken van de ondeugd. Het kind moet

langzamerhand bewust worden van het zedelijk grondbeginsel, dat hij in

verschillende omstandigheden ziet toegepast. Men moet het kind over

bijzondere gevallen doen nadenken. De natuurlijke straf van Rousseau

laat het kind opkomen voor de gevolgen van zijn daad. Kant wil, dat

het de schande, niet de schade van zijn ondeugd inzie. Evenmin is hij

er voor, sterk op het gevoel van het kind te werken. Door gewenning

en intooming moet het kind gedisciplineerd worden, als voorbereiding

voor de eigenlijke wilsopvoeding.

Ondanks dit diepe theoretische verschil, had Kant groote sympathie

voor Basedow's inrichting te Dessau, die hij als een proefschool

beschouwde. Die sympathie hing ook hiermee samen, dat Kant weinig

voordeel ziet in het oprichten van scholen door den staat en de

vorsten; deze zullen met hun onderricht geen algemeen-menschelijke

vorming nastreven, geen wereldburgers kweeken, maar slechts eigen

bizondere doeleinden najagen. De stichting van scholen is beter

toevertrouwd aan weldenkende, verlichte menschen.

Dat Kant, die door een verstandige levenswijze zich zelf bij zwak

lichaamsgestel vrij gezond had weten te houden, de lichamelijke

opvoeding niet ongenegen is, behoeft nauwelijks vermelding; evenmin

dat de denker, die op de ontwikkeling der rede zoo grooten nadruk

lei, zich ergerde aan een vormendienst kweekend godsdienstonderwijs,

dat veel onbegrepens liet van buiten leeren.

HOOFDSTUK IV.

SLOT.

§ 11. Schoonheidsleer.

De leer van het schoone (daar Kant aesthetica gebruikt in den zin

van waarnemingsleer, is het beter hier het woord aesthetica te

vermijden) wordt in de derde critiek behandeld, die in indeeling

zooveel overeenkomst met de eerste vertoont, dat de stof geperst

wordt in ondoelmatige vormen. De critiek der zuivere rede behandelde

hoofdzakelijk de werking van 't verstand. Die der practische rede ziet,

met haar zedeleer, op den wil. De critiek der oordeelskracht betrekt,

met hare behandeling van het schoone, ook het gevoel in den kring

der Kant'sche onderzoekingen.

Ook ten opzichte van het schoone neemt Kant een standpunt in tusschen

empirisme en rationalisme. Voor de Engelschen (Burke, I, pag. 324) was

het mooie een zinnelijk welgevallen geweest. Baumgarten (I, pag. 357),

uit de school van Wolff, had het schoone gelegen geacht in het ding,

het schoonheidsgevoel als een lagere, minder heldere kennis beschouwd.

Ook hier weer toont Kant de werkzaamheid van het waarnemende subject

aan. Het schoone is niet gelijk met het ware, dat een voorwerp van

kennis is. Het schoone wordt ook niet begeerd, vanwege zijn nuttigheid

of zijn zedelijke waarde, zooals nuttige en goede dingen, maar het

wordt beschouwd. Het schoone wordt niet, als aangename spijze of

drank zinnelijk genoten, het wordt niet practisch gebruikt.

Het schoone behaagt ons dus, bevalt ons, zonder dat wij er belang

bij hebben, het wekt een "belangeloos welgevallen." Dat welgevallen

ontstaat, als wij, bij de waarneming van eenig voorwerp, fantasie en

verstand in evenwicht kunnen laten werken. Waar wij iets gemakkelijk

opvatten, is het voor ons doelmatig. Zien wij bijv. een mooie

figuur, wier lijnen wij zonder moeite volgen, dan past dat aan bij

onze opmerkzaamheid; zonder dat die figuur een doel heeft, en wij

het doel er van vragen, is er toch iets doelmatigs in, voor òns. De

aanschouwende mensch maakt de schoonheid en het is juister te zeggen,

dat iets schoon gevonden wordt, dan dat iets schoon is.

Om iets schoons voort te brengen, moet men over meer gaven beschikken

dan om het te genieten. Hiervoor is alleen smaak noodig, voor het

eerste genie. Zeer mooie opmerkingen geeft Kant over het genie

(voorzoover hij, in afwijking van het huidige spraakgebruik,

daaronder niet het wetenschappelijk, maar alleen het artistiek genie

verstaat). Genialiteit is een gelukkige aanleg, "waardoor de natuur

de kunst regels geeft." Het genie is oorspronkelijk, scheppend: zijn

werken kunnen tot navolging opwekken, zij kunnen niet nagebootst

worden. De waarachtige kunstenaar is gansch onderscheiden van den

werkman: die kan bepaalde voorschriften geven en naar vastgestelde

regels handelen. Anders het genie. "Hoe het genie zijn product

voortbrengt, kan hij zelf niet beschrijven of wetenschappelijk

aantoonen, daarom heeft hij het ook niet in zijn macht, zijn

scheppingen naar welgevallen en planmatig uit te denken en anderen

dit in zoodanige voorschriften mede te deelen, dat zij daardoor in

staat zijn, dergelijke producten voort te brengen."

Met deze opvatting van het genie staat Kant midden in zijn tijd, die

de beteekenis der scheppende fantasie, der individueele begaving voor

de kunst in helder licht had gesteld; een tijd ook, waarvoor genie

soms ging beteekenen een mensch, met een zich ook in de levenspractijk

uitlevende, ongebonden fantasie, met een zucht om de schoonheid ook

in het leven te zoeken en te verwerkelijken, op van het burgerlijke

fatsoen ver afliggende paden.

Te onderscheiden van het schoone is het VERHEVENE. Dit kan òf door

zijn grootheid, of door zijn geweld, zijn kracht tot ons spreken

(mathematische en dynamische verhevenheid). De laatste brengt ons in

de stemming, waarvan de dichter zegt:

Betoovrend blijkt natuur, ook als zij daagt ten strijde.

De blik bewondert, schoon hij beeft.

Aardbevingen, overstroomingen, stormen, kunnen dien invloed hebben.

In het gevoel voor het verhevene ligt iets neerdrukkends: de mensch

gevoelt zijn eigen kleinheid. Maar tegelijkertijd ziet hij er iets

in van de oneindigheid, die nergens waar te nemen is. Niet met het

verstand, maar met de rede komt de fantasie nu in samenwerking;

de oneindigheid immers is een rede-idee. Terwijl wij ons dus eerst

als zinnelijke mensch klein gevoelen, worden wij weer opgeheven

als rede-wezens.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2 · 第 2 / 20 段