Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg (This file was produced from images generously
made available by The Internet Archive/American Libraries.)
WERELD BIBLIOTHEEK
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
R. CASIMIR
UIT DE ONTWIKKELINGSGESCHIEDENIS
VAN HET
MENSCHELIJK DENKEN
DEEL II
(VAN KANT TOT HEDEN)
UITGEGEVEN DOOR DE
MAATSCHAPPIJ VOOR
GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR--AMSTERDAM
EERSTE AFDEELING.
KANT.
HOOFDSTUK I.
LEVEN EN WERKEN.
§ 1. Leven en persoonlijkheid.
Immanuel Kant werd den 22 April 1724 te Koningsbergen als zoon van
eenvoudige burgers geboren. Zijn vader, een zadelmaker, was een
ernstig, eerzaam, vlijtig handwerksman. Zijn moeder had een innig,
vroom gemoed, een helder, gezond verstand, een open oog voor de
natuur. Beide ouders waren op godsdienstig gebied de piëtistische
richting toegedaan. Er heerschte in het huisgezin, waar de jonge
Immanuel opgroeide, een ernstige, zedelijke stemming, wat diepen indruk
op hem gemaakt heeft. Zijn geloof aan God, aan de onsterfelijkheid der
ziel, aan 's menschen zedelijke vrijheid, kon hij uit het ouderhuis
als onwrikbare overtuiging meenemen.
Reeds vroeg grooten aanleg vertoonende, werd hij op raad van den
"huispredikant" der familie, in 't najaar van 1732 leerling van
een school voor voorbereidend hooger onderwijs, ('t collegium
Fridericianum) waar hij zeer goed latijn leerde, maar ook
onder "strenge tucht van dwepers" stond en waar hij heel wat
godsdienstplichten vervullen moest.
In 1740 kwam Kant als student aan de hoogeschool te Koningsbergen,
waar hij in 't bizonder wis- en natuurkunde studeerde. Eigenlijk was de
filosofische faculteit slechts een voorbereiding tot de andere. Kant
echter, al heeft hij de theologische gekozen en misschien zelfs als
candidaat in de omgeving gepreekt, gevoelde zich 't meest tot wis-
en natuurkundige studies aangetrokken.
En met een natuurkundige verhandeling--zijn eerstelingsarbeid--nam hij
in 1746 afscheid van de academie, waar hij slechts weinig uitnemende
leermeesters had aangetroffen.
Naar de gewoonte dier dagen ging de onbemiddelde jonge man zijn brood
als huisonderwijzer verdienen. Als zoodanig was hij in verschillende
aanzienlijke families in Oost-Pruisen werkzaam. Zoo kon hij--de
zadelmakerszoon uit piëtistische omgeving--de fijne, tactvolle man
der wereld worden, die hij later, als hij wou, kon zijn.
Over zijn gaven als opvoeder was Kant zelf slecht tevreden. Hij wist,
naar eigen zeggen, meer van de theorie dan van de practijk. Heel
slecht schijnt die practijk intusschen niet geweest te zijn. Het is
zeker geen bloot toeval, dat velen van Kant's leerlingen voorgingen
in de afschaffing der lijfeigenschap. "De ingewanden keerden mij in
't lichaam om, wanneer ik dacht aan de schande der lijfeigenschap in
mijn land," zei hij eens.
In 1755 meende Kant genoeg geld overgehouden en voldoende kennis
vergaderd te hebben, om zich--voorbereiding voor het professoraat--als
privaatdocent te kunnen vestigen. Hij bleef dit tot 1770, toen er
eerst een professoraat voor hem kwam. Het eenige bezoldigde ambt--het
gaf nog geen honderd thaler--dat hij tot dien tijd bekleedde, was
dat van onder-bibliothecaris. Toch moet men zich Kant's positie in
dien tijd niet als zeer slecht voorstellen. Hij zelf placht dit later
de gelukkigste periode van zijn leven te noemen, en zijn werken uit
die jaren zijn in een levendigen, pittigen, dikwijls geestigen stijl
geschreven. Als docent stond hij ook toen in volle kracht. Herder,
de dichter-denker, heeft ons het beeld van Kant als academisch leeraar
uit het begin der zestiger jaren met frissche kleuren geteekend.
Boeiend en geestig, zelf nimmer aanmatigend, de waarheid boven alles
liefhebbend, zijn leerlingen liefde voor de waarheid en lust tot
studie inboezemend, gaf hij, zonder ooit te vervelen, college over
de meest verschillende onderwerpen, "en niets wetenswaardigs was
hem onverschillig."
Na de aanvaarding van zijn professoraat heeft Kant een geruimen
tijd niets in 't licht gegeven. Ingespannen denkarbeid hield hem
bezig. In 1781 kwam zijn hoofdwerk, de critiek der zuivere rede. Over
de geschiedenis van Kants werken spreken we in de volgende §§.
Van zijn uiterlijk leven valt weinig te vertellen. Als zoovele groote
wijsgeeren was ook Kant ongetrouwd. Hij leidde een buitengewoon
regelmatig geleerdenleven: 5 uur op, 10 uur naar bed, op vaste tijden
arbeiden en wandelen. Aan tafel zag hij gaarne een paar vrienden
en hij voerde het tafelgesprek ver over het uur. Zijn stoffelijke
omstandigheden waren langzamerhand gunstig geworden: hij liet nog
een huis en een 30.000 thaler na.
Een bitter verdriet werd den denker, wiens roem zich reeds bij zijn
leven over beschaafd Europa had verspreid en om wien te hooren en
te zien menschen van heinde en ver naar Koningsbergen kwamen, nog in
zijn 70ste jaar aangedaan.
Tijdens de regeering van Frederik den Groote had hij zich mogen
verheugen in volle leervrijheid en achting. Waarschijnlijk heeft
Frederik nooit iets bijzonders van Kant geweten, misschien den naam
niet eens gekend. Maar zijn minister voor onderwijszaken, Von Zedlitz,
koesterde grooten eerbied voor Kant en had zich van zijn leer op
de hoogte laten brengen. Aan hem is dan ook de critiek der zuivere
rede opgedragen. De opvolger van Frederik den Groote was echter een
bekrompen, dweepziek man, die Von Zedlitz ontsloeg en in diens plaats
een zijner geestverwanten benoemde, die de vrije gedachtenuiting
zooveel mogelijk tegenging. Toen nu Kant in 1794 een werkje over
den godsdienst uitgaf, waarin hij o. a. opkwam tegen de orthodoxe
opvatting van het christendom, barstte de bom. Er kwam een berispend
schrijven uit het kabinet des konings waarin bedreiging met strengere
maatregelen, indien hij in deze richting voortging. Kant overwoog
ernstig wat hem te doen stond. Herroepen wilde hij niet. Hij verdedigde
veeleer in een schrijven de vrijheid van den leeraar der hoogeschool,
verbond zich echter, als gehoorzame dienaar van Zijne Majesteit, niet
meer over religie, 't zij de geopenbaarde, 't zij de natuurlijke,
te schrijven.
Onder zijn onvermoeid denken is Kant vroeg oud geworden. Reeds zijn
werken van 1781 dragen daarvan de sporen. Zijn laatste levensjaren
zat hij in frissche oogenblikken nog aan zijn schrijftafel, maar
produceerde niet veel van beteekenis. Zijn vermogen om te combineeren
was gewoonlijk weg, herinnering ontbrak. Dwangvoorstellingen, rijen
woorden, wijzen uit zijn kinderjaren, drongen zich aan hem op. Bange
droomen kwelden hem 's nachts, onrust des daags. Den 12den Februari
1804 overleed hij na langzaam afsterven. "Het is goed," waren zijn
laatste woorden. Hij is begraven in den Koningsberger dom, waar voor
een passende omgeving is gezorgd.
Persoonlijkheid.
Kant was een flegmatische, weinig door emoties bewogen natuur, een
verstandsmensch van taaie volharding en groote werkkracht. Man van
groote belangstelling en ontwikkeling, reisde hij toch zeer weinig. De
denker, die ook een beteekenend aardrijkskundige was, had nooit bergen
gezien. Nu bood Koningsbergen, voor dien tijd een niet onaanzienlijke
stad, met belangrijken handel, en in het oosten des rijks gelegen
in de nabuurschap van andere volken (Polen b.v.) veel om op te
merken. Reisbeschrijvingen behoorden tot Kants liefste lectuur. Ook
sprak hij liever over andere dingen dan over wijsbegeerte. Hij kon
op dit gebied niet best hóóren en verdroeg moeilijk afwijkingen van
zijn meeningen. Met zijn voorgangers was hij over 't geheel slecht
bekend. De enorme belezenheid van Leibniz was niet de zijne.
Kant was innig vroom en van eerbied vervuld voor de religie. Van
godsdienstvormen, die hij ledig achtte had hij echter een besliste
afkeer en kerksch was hij allerminst. Van den onderdaan gehoorzaamheid
tegen den vorst eischend, betoonde hij die zelf ook. Overigens
gevoelde hij weinig voor den Pruisischen staat. Hij vond de gruwelen
van den oorlog verschrikkelijk. Den Amerikaanschen vrijheidsoorlog
bewonderde hij, de groote beginselen der Fransche revolutie wist hij te
schatten. De grootste filosoof van Duitschland was een vrijheidlievend
wereldburger, die in zijn enge omgeving niet alleen het groote
rijk der wetenschap doorzocht, maar ook op de gebeurtenissen van
't politieke leven belangstellend 't oog hield gericht.
§ 2. Werken en Ontwikkelingsgang.
De voorcritische periode.
Toen Kant zijn hoofdwerk schreef was hij 57 jaar oud. Hij had een
belangwekkenden ontwikkelingsgang doorloopen, voor hij tot den opbouw
van zijn leer kwam. De voortreffelijkste Kant-kenners verschillen
onderling over de invloeden, die op Kant hebben ingewerkt, over de
vraag, welke richtingen achtereenvolgens de zijne zijn geweest. In
een populaire uiteenzetting kan op de bizonderheden niet ingegaan
worden, maar het is wenschelijk, reeds bij den aanvang de aandacht
te vestigen op het gebruik der woorden: het schijnt, waarschijnlijk,
enz., die er telkens aan moeten herinneren, dat hier nog niet alles
vaststaat, evenmin als in de biografie.
Toen Kant de academie verliet, was hij in de metafysica een
aanhanger van Wolff. Hij dacht, als alle rationalisten, dat er een
zekere, gewisse kennis der wereld te verkrijgen was op redelijken
grondslag. Echt kind der aufklärung zag hij, het onwetende gepeupel
verachtend, in verstandsontwikkeling de taak en de waarde van den
mensch. Op natuurwetenschappelijk gebied sloot hij zich meer aan bij
Newton en tot '60 blijft zijn aandacht meer op natuurwetenschappelijke
vraagstukken gevestigd. Met groote liefde behandelde hij ook kwesties
van aardrijkskundigen aard. Had zijn roem als wijsgeerig denker niet
zijn beteekenis op dit gebied overstraald, hij zou als een baanbrekende
geest op geographisch gebied zijn gehuldigd. Als hoogleeraar gaf hij
gaarne colleges over de natuurkundige aardrijkskunde. Zijn scheppende
beteekenis hier blijkt misschien wel 't duidelijkst uit 't volgende
feit: Bij koninklijk besluit werd bepaald, dat hoogleeraren bij hun
colleges gebruik moesten maken van handboeken. Met name echter werd
Kant voor zijn college over physische geografie daarvan vrijgesteld,
omdat er... geen handboek was.
Omtrent 1760 wendt Kant's blik zich meer van de buitenwereld naar
de binnenwereld: de mensch begint hem te interesseeren en hij ging
inzien, dat diens waarde niet alleen lag in zijn verstandelijke
ontwikkeling. Hier werkte, naar Kant's eigen woorden, de invloed
van Rousseau, wiens Emile in 1762 verscheen. "Rousseau heeft
mij terecht gebracht." Voor Rousseau was het geloof aan God niet
gevolg van verstandelijke overwegingen, maar het ontsprong aan de
behoeften van zijn gemoed. De kennismaking met deze overtuiging,
haar toppunt bereikend in het: "le sentiment est plus que la
raison" (het gevoel is meer dan het verstand) mag Kant er toe
gebracht hebben, om den rug te keeren aan de Wolffsche natuurlijke
theologie. Maar ook op het terrein der kennistheorie kwam een
wending. Ook hier verliet hij het rationalisme, om een meer
empirische richting in te slaan. In de jaren tusschen '60 en '70
is er soms een zekere sceptische toon merkbaar. Dikwijls duidt
men deze periode, volgend op zijn rationalistische, aan met den
naam empirisch-sceptische. Of die kwalificeering juist is? Niet
onwaarschijnlijk is het, dat Kant's denken in dien tijd geslingerd
heeft tusschen empirisme en rationalisme. De invloed van Hume, met
wiens werken hij in allen gevalle slechts gedeeltelijk bekend was,
had hem, naar zijn eigen woorden, uit den dogmatischen sluimer wakker
geschud. Wanneer? Misschien tusschen '60 en '65, misschien tusschen '65
en '70, misschien na '72, misschien heeft hij meermalen Hume's invloed
ondergaan. Maar in den tijd van '60-'70 valt ook de verschijning van
Leibniz' Nouveaux Essais, (vergel. I pag. 296) welks lectuur weer
naar het rationalisme trok.
We zouden dus dit kunnen zeggen:
Het Wolffsche rationalisme heeft Kant na 1760 beslist verlaten.
Tot het standpunt, dat in '70, bij de aanvaarding van het professoraat
werd ingenomen, is hij beslist nog niet gekomen.
Hij neigt in dezen tijd sterk tot het empirisme. Maar het mag
betwijfeld worden, of hij in deze jaren gemeend heeft, dat al onze
kennis uitsluitend uit ervaringselementen opgebouwd was. Evenmin is met
zekerheid te zeggen, dat hij gewanhoopt heeft aan de mogelijkheid, om
kennis te krijgen van de dingen der zinnelijke wereld, zooals zij zijn.
Spreken wij dus van Kant's sceptische-empirische periode, dan dient
dit woord met groote omzichtigheid aanvaard te worden.
Preisschrift. Wiskunde en wijsbegeerte.
Van de werken uit dezen tijd noemen wij drie: In 1763 beantwoordde
hij een prijsvraag. In het "Preisschrift" komt tot de conclusie,
dat wiskunde en wijsbegeerte niet dezelfde methode hebben. Onder
wijsbegeerte worden dan zoowel de natuurwetenschappen als de metafysica
begrepen. Door onderscheidene methoden van behandeling te eischen,
breekt Kant met het rationalisme, dat de wijsbegeerte steeds naar
de wijze der meetkunde had behandeld, zij 't niet in zoo streng
wiskundigen vorm als Spinoza.
Wat is dan het verschil?
De wiskunde construeert, de wijsbegeerte analyseert. Lichten we
dit toe.
De wiskundige maakt zijn begrippen. Hij kan bijv. een rechthoekigen
driehoek nemen en die om een zijner rechthoekszijden laten wentelen. Er
ontstaat dan een kegel. In het begrip kegel komen niet meer kenmerken
voor, dan hij er zelf in gelegd heeft. Hij kan met dat begrip dus
rustig verder werken.
Maar neem nu bijv. den natuurkundige.
Hij heeft ijzer, dat hij moet onderzoeken. Hij kan bijv. het volgende
begrip van die stof hebben: hard, zwaar, zet bij verwarming uit, kan
roesten. Maar in dat ijzer kunnen nog andere kenmerken zitten. Het
heeft een bepaald soortelijk gewicht: 1 dM3. weegt 7,17 KG. Het heeft
een bepaalde uitzetting, bij 1°C. verwarming wordt 1 M. 1,000012, één
M3. 1,000036. Het heeft een bepaald smeltpunt: bij 1200-1400°C. smelt
het. Het is een goede geleider voor electriciteit. Deze kenmerken moet
de natuurkundige opzoeken. Hij moet onderzoeken, wat er in het begrip
ijzer aanwezig is, moet het ontleden, analyseeren. Hij kan niet, zooals
de wiskundige zeggen, dit versta ik onder ijzer, maar heeft tot taak,
het onduidelijke, vage begrip, dat hij van ijzer heeft, te verhelderen.
Tusschen de natuurwetenschappen en de wijsbegeerte bestaat dan ook
geen verschil in methode. "De ware methode der metafysica is in den
grond dezelfde als die, welke Newton in de natuurkunde invoerde." Het
onderscheid ligt in de stof, in de te bestudeeren dingen. De metafysica
bestudeert de gegevens van 't feitelijk denken.
Bewijzen voor 't Godsbestaan.
In hetzelfde jaar geeft Kant een werkje uit: "Eenige mogelijke
bewijsgrond voor het bestaan van God." Hierin critiseert hij de
tot dusver gangbare bewijzen voor het bestaan van God, en draagt
zelf een nieuw voor. Op zijn critiek komen we in een ander verband
(zie bladz. 36 v.v.), terug. Wat in dit werkje merkwaardig is, dat
reeds op zijn volgende opvattingen wijst, is zijn uitspraak, dat
het wel noodig is, dat men zich overtuige van het bestaan van God,
maar niet zoo noodig, dat men het ook bewijze.
Hoe gevaarlijk Kant het achtte, te veel speculaties in te stellen
over het bovenzinnelijke, blijkt uit een zijner geestigste werken:
"Droomen van een geestenziener" (1766).
In dien tijd maakte een mysticus, de Zweed Swedenborg (1688-1772)
verbazenden opgang. Hij zou dingen gezien hebben, die in de verte
gebeurden, in verband getreden zijn met geesten van afgestorvenen,
enz. Op aansporing van eenige bekenden liet Kant Swedenborg's werken
uit Londen komen en bestudeerde ze. In het bovengenoemde werkje
legde hij de resultaten neer van die lectuur. Hij geeft eerst een
geestenleer van wezens, die tot een "intelligibele wereld" behooren,
niet aan plaats en tijd gebonden zijn. Misschien is hier een eerste
kiem van Kant's latere intelligibele wereld.
Vervolgens schetst hij de spiritistische verschijningen, die hij van
naturalistisch-sceptisch standpunt als fantasieën van een ziekelijk
brein beschouwt, dat ze in de buitenwereld als werkelijk onderstelt. In
het tweede deel geeft hij verslag van de theorieën van Swedenborg, om
te eindigen met een ernstig woord, waarin hij de filosofie aanraadt,
zich te hoeden voor dergelijke bespiegelingen, die de grenzen onzer
ervaring verre te buiten gaan. Of het mogelijk is dat geesten,
zonder aan een lichaam gebonden te zijn, kunnen werken en denken;
of er krachten zijn als die, welke Swedenborg meende te bezitten,
kan men slechts door de ervaring, niet door redeneering alleen
beslissen. Maar over die ervaring beschikken wij niet. Wij hebben geen
eenstemmige ondervinding op dat gebied maar slechts de bevindingen van
enkelingen, die niet als grondslag voor een hypothese kunnen dienen,
waarover het verstand kan oordeelen, juist, omdat het bevindingen van
slechts enkelen zijn. Men behoeft ze nu juist niet voor onmogelijk
te verklaren, maar men kan de zaak laten rusten.
Noch op de metafysische bewijzen, noch op de empirische bewijzen
van Swedenborg behoeven we de onsterfelijkheid der ziel te bouwen:
haar steun vindt ze in het zedelijk geloof.
Kant had met het rationalisme van Wolff gebroken. Hij had den invloed
van Rousseau's gevoelsfilosofie ondergaan, en waarschijnlijk van
Hume's scepticisme; langzamerhand waren zijn gedachten gerijpt tot
zijn eigen opvatting: het criticisme. Kant zelf onderscheidt in zijn
leven twee groote perioden: de voorcritische en de critische. Alleen
de geschriften uit de laatste wilde hij later erkennen, als zijn
meening uitdrukkende.
§ 3. Werken en Ontwikkelingsgang.
De critische periode.
Men kan twijfelen aan de juistheid, de zekerheid der tot dusver
verkregen kennis. Dat deed Descartes. Maar eenmaal een grondslag
gevonden hebbende, die onmiskenbaar zeker voor hem was, "ik heb
bewustzijn, dus ben ik," bouwde hij daarop voort en meende zoo een
zekere kennis der geheele werkelijkheid te kunnen verkrijgen. Descartes
werd de vader van het rationalisme in de nieuwere wijsbegeerte. Waarin
Malebranche, Spinoza, Leibniz en Wolff ook met hem mogen verschild
hebben, niet in de overtuiging, dat er een geheel van kennis op
redelijken grondslag was te verkrijgen. Zonder nader onderzoek
aanvaarden deze denkers dus onze rede, als een werktuig (dat misschien
verkeerd kon aangewend, foutief gehanteerd worden) om tot zekere
kennis te komen van de dingen, zooals ze zijn. Dit standpunt om onze
rede zonder onderzoek te aanvaarden, noemt Kant het dogmatische.
Anders ging Locke te werk. Toen hij vastliep, vroeg hij of het mogelijk
was kennis te verkrijgen, of ons verstand daartoe geschikt was. Zijn
theorie werd door Hume voortgezet en deze ondergroef theoretisch
eigenlijk de mogelijkheid van wetenschap, door het causaliteitsbeginsel
te verklaren als een subjectieve verwachting zonder meer, gevolg van
associatie van voorstellingen. (zie I pag. 321).
Zij gingen uit van de feiten der ervaring, volgden een inductieve
methode.
Dit standpunt nu noemt Kant het sceptische.
Zetten we nog even scherp de kenmerken van beide tegenover elkaar.
Dogmatisme. Empirisme of Scepticisme.
Van te voren vertrouwen op onze Van te voren wantrouwen jegens
rede. onze rede.
Kennis door deductie. Kennis door inductie.
Het denken geeft de ware zuivere De zinnen geven ons onze kennis,
kennis, de zinnen onklare, dikwerf denken is een veranderd waarnemen.
bedriegelijke.
In dezen strijd nu neemt Kant een eigen standpunt in door zijn
criticisme, een leer, die beide richtingen wil overspannen. Het
criticisme wil niet onderzoeken of we kennis kunnen verkrijgen,
(hiervan mòet de wetenschap noodwendiger wijze uitgaan) maar hoe en
waardoor ze mogelijk is.
Het criticisme is de eigenlijke leer van Kant. Het vertoont zich,
zij 't niet in volle rijpheid in de rede, waarmee hij in 1770 zijn
hoogleeraarsambt aanvaardde.
In deze rede, gewoonlijk de Dissertatie genoemd (Latijnsche
titel: Dissertatio de mundi sensibilis atque intelligibilis forma
et principiis--verhandeling over den vorm en de beginselen der
zinnelijke en intelligibele wereld) komen nog niet alle, maar enkele
zeer belangrijke beginselen voor der latere kennistheorie. Het
wijst aan, dat de waarnemer en het waargenomene samenwerken, voor
het ontstaan onzer kennis, dat subject en object samen de kennis
vormen. De vorm waarin de kennis opgenomen wordt, hangt af van het
subject. Dit bepaalt het formeele karakter der kennis. De bizondere,
speciale inhoud der waarneming, het materieel gedeelte onzer kennis,
hangt af van 't object. In onze kennis zijn dus idieele, niet uit de
ervaring komende elementen. Dit richt zich tegen het empirisme. Maar
de vormen, waarin onze kennis zich voegt, blijven ledig, beteekenen
niets, wanneer er geen ervaring komt, die ze vult. Ook ervaring is
dus noodig: de ons door de zinnen verstrekte gegevens zijn niet als
schijn te verwerpen. Dit richt zich tegen het dogmatisme.
Bij deze opvattingen nu bleef Kant niet staan. Doordenkende in deze
richting stuitte hij op moeilijkheden. Wij vinden ze aangewezen in
een brief aan Marcus Herz van 21 Febr. 1772.
Hij vroeg zich af: Welk recht heb ik, om nu aan die, door het subject
meegebrachte elementen, die absoluut onafhankelijk van de dingen zijn,
geldigheid toe te schrijven voor de wereld der dingen?
In het peinzen over deze en andere vragen daarmee samenhangend,
is Kant oud en moe geworden. Het werk dat in 1781 verscheen,
"De critiek der zuivere rede" is de arbeid van een groot, maar een
oud man. Het is een moeilijk te lezen werk. De stijl is zwaar. De
zinnen zijn lang. Herhalingen matten af. Uitweidingen ontbreken
niet. Sommige gedeelten zijn vergeleken met een eentonig, troosteloos
duinenlandschap. Toch heeft dit werk ongemeene beteekenis en blijft
het 't hoofdwerk van den denker. [1]
In 1783 gaf Kant de Prolegomena, die de hoofdgedachten wat korter en
klaarder behandelden dan de kritiek. Deze verscheen in 1787 in tweeden
druk, waarin zij sterke wijzigingen had ondergaan. Haar volgden een
Critiek der praktische rede (1788) en een der Oordeelskracht (1790).
De critiek der zuivere rede behandelt de kennisleer, die der practische
rede de zedeleer, die der oordeelskracht handelt over onze aesthetische
waardeeringsoordeelen.
HOOFDSTUK II.
DE KENNISLEER.
§ 4. Ruimte en Tijd. Inhoud en Vorm.
Stel eenig willekeurig ding tegenover u, bijv. een boek. Dat heeft
verschillende kenmerken: dikte, lengte, breedte, kleur, zwaarte,
enz. Neem een geheel ander ding: een stoel. Ook die heeft zijn
eigenschappen, evenals de tafel, waaraan ge zit, de lamp, die u
beschijnt. Ge kunt u van al die dingen kenmerken veranderd denken of
wegdenken, ja, ge zoudt u kunnen voorstellen, dat het boek, de tafel,
de stoel, de lamp er in 't geheel niet waren.
Die dingen nemen een zekere ruimte in. En, nu kunt ge u wèl
voorstellen, dat die dingen er niet meer waren, maar niét, dat
die ruimte er niet zou zijn. Alle dingen die we in de buitenwereld
waarnemen zijn in de ruimte en die ruimte zelf is niet wegdenkbaar.
Niet anders is het met den tijd. Alle gebeurtenissen, zoowel de
geestelijke als de stoffelijke, vinden plaats in den tijd, die evenmin
wegdenkbaar is. Ruimte en tijd zijn aanschouwingsvormen.
Het zijn geen begrippen. Waarom niet? Nemen we bijv. het begrip
zoogdier. Dit heeft onder zich andere begrippen en voorstellingen:
bijv. knaagdier, roofdier, díe hond, mijn paard, enz. Wolff nu had
gemeend, dat ruimte en tijd abstracte begrippen waren, verkregen,
doordat we aan alle dingen ruimte, aan alle gebeurtenissen tijd
waarnemen; zooals we bijv. het begrip zoogdier krijgen door aan vele
dieren het zoogen der jongen, zeven halswervels, warm bloed, enz. waar
te nemen en die kenmerken tot één begrip te vereenigen. Maar dit is
onjuist. Immers de ruimte en de tijd hebben de afzonderlijke tijden
en ruimten niet onder zich, maar dat zijn stukken van den éénen tijd,
van de ééne ruimte. De afzonderlijke tijden en ruimten zijn in den
tijd en de ruimte, er niet onder.
Alles wat wij waarnemen, nemen we dus noodwendig in de ruimte en in
den tijd waar.
Dàt er ruimte en tijd is, ontdekken wij eerst met en bij de ervaring,
maar de aanschouwingsvormen krijgen wij niet door de ervaring, zij zijn
voor de ervaring, gegeven door de organisatie van onzen geest. Voor
ónze ervaring hebben ruimte en tijd dus een werkelijk bestaan. Of ze
ook buiten onze ervaring bestaan, en of anders georganiseerde wezens
ook de dingen en gebeurtenissen tijdelijk en ruimtelijk geordend
zouden aanschouwen, valt voor ons niet uit te maken.
Deze opvatting nu der ruimte maakt een verklaring mogelijk van de
eigenaardigheden der wiskundige oordeelen.
Welke zijn die?
Nemen we een eenvoudig oordeel: De som der hoeken van een driehoek is
180°. We zijn overtuigd, dat dit niet anders kan. Het is noodzakelijk,
dat dit zoo is.
Als gij zegt: dit boek is uitgegeven in de Wereld-bibliotheek, zegt
ge óók een waarheid.
Maar 't zou best anders kunnen zijn.
Het zou ook uitgegeven kunnen zijn door Wolters of Van Looy of wie ook.
Maar de hoeken van een driehoek kunnen samen niet anders dan 180° zijn.
Eveneens zijn we overtuigd van de volstrekte nauwkeurigheid. Samen zijn
die hoeken precies 180°. Met de oordeelen uit de natuurwetenschap is
dat anders. Zeg ik: bij verwarming van 0° op 1° C. zet zich een gas
1/278 van zijn volume uit, dan ben ik niet zeker, dat, als ik nòg
nauwkeuriger methoden van meting vond, ik niet een getal zou vinden
dat, zij 't ook nog zoo'n beetje, grooter of kleiner was dan 1/278.
En eindelijk zijn de wiskundige oordeelen algemeen geldig. Ik ben
er zeker van, dat de hoeken van een driehoek niet alleen hier, in
Den Haag, maar ook in Maastricht, in Australië, maar ook op de maan,
op elke willekeurige plek van het heelal 180° zijn.
Hoe zijn die drie kenmerken te verklaren? De ervaring geeft
ons nooit noodwendigheid; alleen 't feitelijk gegevene is
te aanschouwen. Honderden malen mogen we opmerken, dat met A B
gepaard gaat, in ons geval, dat met het driehoek zijn gepaard gaat
't hebben van hoeken, die samen twee rechten zijn,--nimmer kunnen we
het element van noodzakelijkheid waarnemen, dat het zóó móet zijn en
niet anders. En de preciesheid kunnen we evenmin ervaren. We liggen
met metingen bloot voor vergissingen niet alleen, maar bereiken
nimmer absolute nauwkeurigheid. En met de algemeene geldigheid is
het eveneens.
We spreken dus iets uit over de ruimte dat we niet uit de ervaring
hebben en we zijn zeker, dat onze uitspraak doorgaat. Dat nu kan
begrepen worden, als wij inzien, dat wij, de waarnemende subjecten,
de ruimtelijke ordening aan de gewaarwordingen geven, dat de ruimte
de noodzakelijke vorm is, waarin wij de dingen aanschouwen.
Verduidelijke een eenvoudig beeld dit nog. Iemand zet een blauwen
bril op. Hij kan nu van te voren zeggen, dat hij, waar hij ook komt,
de dingen, onverschillig welke, blauw getint zal zien. Dit ligt niet
in de dingen, maar in de organisatie van het zintuig, dat nu met een
blauwen bril is voorzien.
Zoo treden wij tot de dingen, zoodanig georganiseerd, dat wij alles
tijdelijk en ruimtelijk geordend waarnemen.
Aan den inhoud, aan de stof voegen we dus nog een vorm toe. Subject
en object werken samen bij het ontstaan van kennis: van het eerste
de vorm, van het tweede de inhoud.
Merken we nu ten slotte op, dat het eigenaardig karakter, door Kant
aan ruimte en tijd toegekend, niet hetzelfde is als het karakter
der secundaire kwaliteiten. De roos is niet rood, de suiker niet
zoet. Dat zijn opvattingswijzen van het subject, waarop de prikkels
der buitenwereld inwerken. Zij zijn verschillend bij de individuen
onderling, worden bepaald door de inrichting der zintuigen. De ruimte
en tijdaanschouwing is iets algemeen-menschelijks, is noodzakelijk.
§ 5. Het ding op zich zelf. Schijn en verschijning.
In de ruimte en in den tijd aanschouwen we nu de dingen. Nemen wij de
dingen waar, zooals ze ons verschijnen, of zooals ze zijn? Wij krijgen
alleen verschijningen der dingen. Daar ligt een boek voor u. Ge krijgt
indrukken van witachtig papier, stevige zwarte letters. Dit boek nu,
dat ge waarneemt, betrekt ge op iets buiten u, dat de verschijning
boek veroorzaakt. Hoe dat ding op zichzelf is; niet voor u? Wij weten
't niet. We nemen aan, dat het er is. Maar de kennis ervan ligt buiten
onze ervaring. Het is een grensbegrip. Zoo spoedig we zoover zijn,
dat we het begrip vormen van het ding, niet zooals voor óns bestaat,
maar zooals het voor zich bestaat en op zich zelve is, zijn we aan de
grenzen van het rijk der ervaring, en willen we meer van dit begrip
zeggen, dan gaan we buiten ons bereik.
We hebben dus alleen onze ervaringen van verschijningen. Maar, men
houde wel in 't oog, dat deze niet hetzelfde zijn als schijn.
Hierin ligt allereerst het verschil van Kant met de echte idealisten.
De Eleaten hadden ook van het zijnde en een wereld der verschijningen
gesproken. Het zijnde konden wij aanschouwen noch kennen, en wat wij
waarnamen was schijn, doxa. (I, pag. 31).
Uitdrukkelijk wijst Kant er op, dat zijn leer niet met dit idealisme
mag gelijk gesteld worden. De verschijningen zijn geen schijn,
maar werkelijkheid. Het boek dat ge ziet, is een verschijning, maar
een realiteit, die er niets minder werkelijk om wordt, dat ze de
verschijning is van een niet nader te kennen op zich zelf staand ding.
Het Kantiaansch begrip van verschijning onderscheide men dus
wel van het physische. Een natuurkundige noemt de regenboog
bijv. een verschijnsel, omdat hij als zoodanig niet bestaat:
het verschijnsel ontstaat door de lichtbreking der zonnestralen
in de waterdropjes. Werkelijkheid zijn voor den natuurkundige
aethertrillingen van het licht, de waterdroppeltjes. Maar die
droppeltjes zijn voor Kant óók verschijning, verschijning van een op
zichzelf staand ding.
Voor Kant bestaan dus:
1. De dingen op zichzelf, grond van de door ons te kennen
verschijningen.
2. De verschijningen.
3. Onze voorstellingen van die verschijningen, opgevat naar onzen aard.
We zouden dit schematisch dus kunnen voorstellen:
X (ding op zich zelf)
|
Y (verschijning)
|
Z (onze voorstelling).
Van de verhouding van X tot Y kunnen we niets zeggen.
De verhouding van Y tot Z te onderzoeken, is juist de taak der
kennisleer: we hebben gezien, dat Z ontstaat door de inwerking
van Y op een waarnemend subject, dat die inwerking op eígen wijze
ontvangt. Allereerst door alle waarneming in ruimte en tijd geordend op
te nemen. Maar ook op andere manier nog. Hoe, zien we in de volgende §.
Opmerking. Kant gebruikt graag vreemde, moeilijke termen. Om het
overzicht te vergemakkelijken, is in het voorgaande dit gedeelte zoo
eenvoudig mogelijk weergegeven. Wij vatten het nu kortelings samen
in Kant's terminologie.
Het eerste gedeelte der "Kritiek der Zuivere Rede" is de
transcendentale aesthetiek, de waarnemingsleer naar de logische
wetten. Kant gebruikt hier transcendentaal, wel te onderscheiden van
het later te bezigen transcendent. Aesthetiek wordt hier in zijn eerste
beteekenis genomen: niet in die van schoonheidsleer. (Aisthènomai =
ik neem waar).
De transcendentale aesthetiek leert, dat ruimte en tijd aprioristische
aanschouwingsvormen zijn van het waarnemende Subject. Wij nemen
de verschijningen waar: ons is alleen gegeven de phenomenale
wereld. (Gr. phainomai = verschijnen). Onttrokken aan onze waarneming
blijve de dinge an sich, de achter de verschijning liggende noumenale
wereld.
§ 6. Verstand en Zinnelijkheid. Kategorieën.
Wij leerden in deel I Berkeley kennen. Locke had als drager van
een aantal kwaliteiten, als daaraan te gronde liggend substraat
een zelfstandigheid, een groote X, aangenomen. Berkeley had critiek
uitgeoefend op dat substantiebegrip en het verklaard voor niet noodig
en inconsequent. Hij was, de stoffelijke wereld ontkennend, gekomen
tot z'n: zijn is waargenomen worden.
Is dat waar, dan bestaat iets voor den mensch, zoolang hij 't
waarneemt. Dit boek bestaat dus niet voor u, als ge uit de kamer gaat,
als ge uw oogen sluit en 't niet in de hand houdt, enz.
Maar het normale menschenverstand is toch wel overtuigd, dát het
boek blijft bestaan. Locke had het substantiebegrip gemaakt tot het
substantieprobleem.
Berkeley had het voor de zinnelijke substanties doen verdwijnen,
door de substanties te ontkennen. Hume, dit voortzettend op
geestelijk gebied, had ons bewustzijn als een steeds wisselenden
stroom van impressies en ideeën beschouwd, en de geestelijke
substantie ontkend. Tegelijkertijd had de groote Schotsche denker
een nieuw probleem ontdekt: het causaliteits-probleem. Helder had
hij ingezien: dat de waarneming ons nooit meer geeft dan feiten,
nimmer het noodzakelijk verband daartusschen.
Kant stond ook voor deze feiten en vragen, en aan hunne oplossing
wijdt hij een der moeilijkste gedeelten van zijn onderzoek. Zijn
oplossing in 't kort gezegd is deze:
De zinnelijkheid geeft ons waarnemingen. Voor de wetenschap krijgen
deze eerst beteekenis wanneer het verstand er ervaringen van maakt.
Het verstand doet dat, door de aanschouwingen in bepaalde vormen
op te vatten. Die vormen vóór de ervaring, zijn aprioristisch. Zij
heeten kategorieën. De belangrijkste daarvan zijn substantie en
causaliteit. De door ons verkregen, tijdelijk en ruimtelijk geordende
gewaarwordingen kunnen nu, doordat ze passen in een kategorie, b.v. die
van causaliteit of substantie, tot wetenschappelijke kennis worden.
Lichten we dit nader toe.
Daar ligt een steen, waarop de zon schijnt. Ik voel den steen. Hij
is warm. Ik zeg nu, de steen is warm, de zon beschijnt hem.
Dat is een waarnemingsoordeel.
Maar nu zeg ik: de zon verwarmt den steen. Dat is een ervaring. Ik deel
nu niet twee feiten mee, zooals eerst, los en op zich zelf staande,
maar een algemeene, noodzakelijke waarheid. Zij geldt ook voor morgen
en overmorgen, voor Nederland en België als voor Rusland. Ik ben
overtuigd dat 't moet. Ervaringsoordeelen nu vormen de eigenlijke
wetenschap.
De zinnelijkheid geeft mij niet dat algemeen, noodzakelijk
geldende. Die biedt mij niets dan gewaarwordingen, tijdelijk en
ruimtelijk geordend. Het is mijn verstand, dat die gewaarwordingen
opvat in bepaalde vormen.
De zinnelijkheid had hare aprioristische aanschouwingsvormen:
tijd en ruimte. Het verstand heeft zijne aprioristische begrippen,
vormen, waarin alle kennis gebracht wordt. Die vormen, die zuivere
verstandsbegrippen, heeten kategorieën. Zonder aanschouwingen zijn
zij leeg, gelijk zonder hen deze laatste blind zijn.
Trachten we nog een heel eenvoudig, aanschouwelijk beeld te vinden,
om dit toe te lichten.
De expeditiezaal van een groot postkantoor.
Door vele poorten komen brieven in, uit de bus aan 't hoofdkantoor,
uit de bussen in de stad, uit de bijkantoren. Die brieven hebben alle
een adres. Dit maakt het mogelijk, hen te behandelen. Zonder adres
weet men er geen raad mee.
Nu zijn er verschillende loketten en vakken, waarin ten slotte alle
brieven terecht komen. Die vakjes zijn er al, maar hun beteekenis,
hun dienst blijkt eerst, als er de brieven in komen. Anders zijn
ze leeg. En de brieven kunnen pas verzonden worden als ze in de
afdeelingen zijn, zijn ze daarin niet, dan zijn ze ongeordend. Wanneer
de treinenloop anders was, wanneer er andere communicatiemiddelen
waren, zou zoo'n zaal er heel anders kunnen uitzien, maar nú heeft
ze zóó'n indeeling en alle brieven komen zóó ingedeeld terecht! Maar
we zouden ons kunnen voorstellen, dat in een anders ingerichte zaal
heel wat anders uit die brieven zou worden.
Brengen we deze beeldspraak over.
Onze zinnen voeren ons gewaarwordingen toe reeds "van een adres
voorzien." Ze zijn al tijdelijk geordend en daar de tijd aprioristisch
is, is er al een element à priori in onze aanschouwingen. Dat
element nu maakt het mogelijk, om de aanschouwingen onder te
brengen in de aprioristische vakjes, ze te rangschikken onder
de verstandsbegrippen. Onze geest heeft nu eenmaal een bepaalde
inrichting. We kunnen ons wel denken, niet voorstellen, dat een
andere geest heel anders zou zijn georganiseerd en dus van dezelfde
noumenale wereld een heel anderen indruk zou kunnen krijgen, evenals
in een anders ingerichte zaal de brieven anders zouden terecht komen.
Dit beeld geeft o. a. aanleiding tot één groot gevaar: dat men meent,
dat er een opvolgend proces plaats vindt, dat achtereenvolgens
verschillende bewerkingen plaats vinden en dat de vakjes, de
verstandsbegrippen a. h. w. klaar staan en men zich van hun bestaan
helder bewust zou zijn, zooals men ook de vakjes in onze zaal
ziet staan. Dit is niet zoo. Wij kunnen onze ervaringen ontleden in
elementen, maar zij blijven een geheel. Er is niet een oogenblik, dat
we alleen nog maar gewaarwordingen hebben zonder ruimte en tijd, dan
nog maar alleen aanschouwingen, die nog niet onder verstandsbegrippen
ondergebracht zijn. Hier zou men met een ander beeld kunnen zeggen:
als wij vloeistof putten uit een vat, brengen wij den vorm mee,
maar zoo spoedig we iets hebben, hebben we de stof ook in den vorm
van het ding, waarmee wij scheppen. Inhoud en vorm zijn gelijkertijd
gegeven. Ook moeten we niet meenen, dat die verstandsbegrippen ons
helder voor den geest staan. Zooals iemand altijd kan hebben geademd
met zijn longen, zonder ooit van zijn longen gehoord te hebben, zoo
kan iemand ook altijd zijn verstandsbegrippen aanwenden, zonder ze
zich bewust te maken.
Ook de kategorieën moeten dus vooral niet verward worden met
de ingeboren begrippen, zij zijn geen bezit van den geest, geen
bewustzijnsinhoud, maar de werkwijze, de organisatievorm van ons
bewustzijn.
En dit laatste nu maakt het juist zoo moeilijk antwoord te geven
op die vraag: welke zijn dan die kategorieën? Over welke zuivere
verstandsbegrippen beschikken we? Het denken staat dus hier voor de
moeilijke opgave, zichzelf tot voorwerp van onderzoek te maken en te
letten op die dingen, die hem 't meest gewoon zijn, wijl altijd weer
aan gebruikt zonder extra inspanning. (Met veel eenvoudiger dingen
gaat dat gewoonlijk al zoo. Dat iets een eigenaardige gewoonte is in
zekeren levenskring, merkt men soms pas, als men uit dien kring komt
en andere ziet. Zoo herinner ik me nog een jong meisje van 16 jaar,
dat met groote verbazing hoorde, dat er ook menschen waren, die nog
niet eens f 20.000 hadden.)
Kant heeft, om de kategorieën te vinden, den empirischen weg verlaten
en heeft een kunstig stelsel van kategorieën opgebouwd. Vrijwel
algemeen wordt het gekunstelde hiervan erkend. Gevoegelijk slaan we
dit dus over.
We zagen nu, dat er kategorieën zijn, en dat alle waarnemingen
volgens de kategorieën opgenomen worden. Ervaring ís er dus eerst
door de kategorieën: zij maken de ervaring, en omdat zij dat doen,
gelden zij voor de ervaring. Waarom kunnen we van te voren zeggen, dat
alle brieven hun plaats zullen vinden en zóó en niet anders verdeeld
worden? Omdat die indeeling ligt aan de vakjes, niet aan de brieven.
En nu kunnen we komen tot de groote stelling van Kant:
dat de dingen zich richten naar ons, en wij ons niet richten naar
de dingen.
Ziehier het tegendeel, van wat tot dusver geleerd was. De dingen,
op ons inwerkend, geven afdrukken in onze ziel, onze kennis is een
weerspiegeling dier dingen. Kant zegt: neen, wij maken de dingen zóó,
als ze zijn, ons bewustzijn is niet bloot ontvangend en lijdelijk:
het is actief, het heeft spontaneïteit.
Kant heeft zichzelven dan ook met Copernicus vergeleken. Deze had,
tegen den zinnelijken schijn in, geleerd, dat de aarde zich om de
zon bewoog. Kant leerde, dat de dingen zich schikten naar den mensch,
niet de mensch naar de dingen.
Hoe kan men nu de waarnemingen, die tot de zinnen
behooren, rangschikken onder de kategorieën? Is er iets
gemeenschappelijks? Waarom kan ik een tafelbord onder den cirkel
rangschikken: het is rond. Hebben de waarnemingen nu ook een kenmerk,
dat eveneens de kategorieën toekomt? Ja!
In elke waarneming is iets tijdelijks, dus iets aprioristisch. Zeer
vernuftig wordt nu aangetoond, dat elke kategorie ook overeenkomt
met iets tijdelijks. (De kategorie-veelheid b.v. is na elkander komen
van een eenheid: 4 is 1 + 1 + 1 + 1; veelheid en eenheid hooren tot
het schema van de tijdrij). De tijd is het gemeenschappelijke: Uit
deze schema's nu worden weer de zuivere verstandsregelen afgeleid,
welke aan onze wetenschappelijke natuurkennis ten grondslag liggen. Er
zijn dus evengoed aprioristische oordeelen voor de natuurwetenschap
als voor de wiskunde. Een dier beginselen b.v. is:
Bij alle wisseling der verschijnselen blijft de substantie onveranderd.
Kant ziet in de substanties iets blijvends, dat noch verminderd noch
vermeerderd wordt. Zelfs in het vuur gaat niets te loor. Dit beginsel
past--desnoods zonder er zich rekenschap van te geven--de natuurkundige
altijd toe. Hang bijv. aan den arm eener balans een magneet en daaraan
ijzervijlsel. Maak evenwicht. Verbrand het ijzervijlsel. De balans
slaat door. Het blijkt dat het ijzervijlsel zwaarder is geworden.
Nu zegt de natuurkundige: bij dat ijzervijlsel is wat gekomen: het
is zwaarder. Hij weet thans, dat dit de zuurstof uit de lucht is,
die zich met het ijzervijlsel heeft verbonden.
De stof blijft en wordt niet vermeerderd.
Zet een schaaltje water in een kamer en weeg het precies of meet het.
Kom er na een poos bij. Er is minder water. De natuurkundige is
overtuigd, dat er niet maar zoo water is verdwenen. Hij neemt aan,
dat dit water ergens is gebleven. Waar? Het is uiterst fijn verdeeld
in de lucht. Er is een gedeelte verdampt.
Wij zien dus, dat Kant hier een aprioristisch substantie-begrip
aanneemt, dat voor hem de substantie het blijvende is. Eveneens
beschouwt hij het causaliteitsbeginsel als aprioristisch. Met Hume
erkent hij ten volle, dat het niet gegeven is in de waarneming der
feiten, maar, zegt Kant, het is een grondstelling van het zuiver
verstand, dat alles geschiedt naar de wet van oorzaak en werking.
Dat wij dus, als wij A en B oorzaak en gevolg achten, het optreden
van A veronderstellen, als wij B zien en omgekeerd, B verwachten,
als wij A zien, schrijft Kant niet toe aan een door gewenning, door
associatie ontstane verwachting, zooals Hume doet, maar hij acht dit
een der regelen, waarnaar wij ervaren.
Ge komt op een avond in uw kamer en het gas is aan. Nu twijfelt ge
er niet aan, of iemand moet de gaskraan opengezet hebben en de lamp
aangestoken.
Stel, dat uw huisgenooten het zouden willen ontkennen, dan zoudt
ge zeggen: maar het gas is toch òp en met onweerstaanbaarheid moet
ge aannemen, dat iemand, wie dan ook, het, op welke wijze dan ook,
opgestoken heeft. Ge ziet B en ge veronderstelt A.
Ge komt op uwe kamer, steekt een lucifer aan, draait de kraan open:
na verwacht ge zeker, dat het licht op gaat. En doet het dit niet,
dan zoekt ge dadelijk naar de oorzaak: de hoofdkraan was dicht, er
was lucht in de gaspijp, er is een lek of zoo iets. A was aanwezig,
ge rekent op B. Blijft B uit, dan zijt ge overtuigd, dat er andere
omstandigheden, die er anders nièt zijn, aanwezig zijn.
Opm. Het hier behandelde is de TRANSCENDENTALE ANALYTIEK, die de
zuivere verstandsbegrippen opspoort, zooals de transcendentale
aesthetiek de aprioristische aanschouwingsvormen zocht. Deze
moet aantoonen, dat er zuivere wiskunde is, gene, dat er zuivere
verstandsbeginselen zijn voor de natuurwetenschap. Kant behandelt eerst
de begrippen: de kategorieën, waarvan hij er twaalf (4 × 3) aanneemt.
Daarna wijst hij in de DEDUCTIE aan, waarom die kategorieën passen
voor de werkelijkheid ook buiten ons. Zij maken de ervaring, door
haar algemeen-geldig en noodwendig karakter te onderscheiden van de
waarneming. De waarnemingen passen in de SCHEMA'S en door hen kunnen
de kategorieën op deze worden aangewend. Na het transcendentale
schematisme van het verstand, behandelt Kant de grondstellingen van
het zuivere verstand, waarvan wij twee noemden, die behooren tot de
groep van analogieën der ervaring.
§ 7. Ziel, Wereld en God.
Nemen wij een sluitrede.
Alle metalen zijn smeltbaar.
Goud is een metaal.
Goud is smeltbaar.
Het laatste oordeel grondt zich op de beide eerste. Maar nu kan ik
ook weer vragen: hoe kom ik aan het eerste en tweede oordeel? En als
ik dat aangewezen heb, kan ik weer verder vragen. Kan ik zoo eindeloos
doorgaan? Neen! Ik wil ten slotte komen tot iets dat vaststaat, iets,
dat de eerste schakel is in mijn keten van conclusies. Als zoodanige
vind ik nu: ziel, wereld, God.
Deze begrippen zijn onafhankelijk, niet betrekkelijk, maar volstrekt;
niet onvolledig, maar volledig. Zij vereenigen alle ervaringen in een
eenheid. Zinnelijkheid deed ons waarnemen, het verstand gaf ons onze
ervaringen, het is de rede, die ons tot deze hoogste eenheden voert,
door Kant ideeën genoemd.
Alles, wat wij waarnemen en ervaren, betrekken wij op een ik, als
het waarnemend en ervarend subject. Dit ik is het redebegrip der ziel.
Alles, wat ik waarneem in, ervaar van de natuur, beschouw ik als een
deel van een al-omvattend geheel. Dit geheel is de wereld.
Dat àl, de wereld, wordt aangezien voor het werk van een allerhoogste
Rede. Zoo kom ik tot de derde Idee: God.
Deze ideeën echter zijn niet in de ervaring gegeven: ze liggen buiten
de grenzen van het kenbare. Ze lokken ons wel, leiden ons op den weg
naar onderzoek en hebben als zoodanig waarde, maar ze stellen onze
ervaring niet samen, zooals de verstandsbegrippen. Het is verkeerd om
te meenen, dat wij kennis kunnen hebben van de objecten, die met hen
overeenkomen. Het is een waan, (waaraan velen zich overgeven), dat dit
kan, en uit dien waan zijn drie "zuivere wetenschappen" ontsprongen.
Op de idee der ziel heeft men de RATIONALISTISCHE ZIELKUNDE willen
opbouwen. Kant echter kent alleen zielkunde, op ervaring gebouwd,
op onderzoek van de gegevens van het bewustzijn berustend. De
onstoffelijkheid, de eenheid en daarmee de onsterfelijkheid der ziel
kan niet bewezen, doch ook niet wederlegd worden. Dit is een groot
voordeel, want de zekerheid voor de onsterfelijkheid der ziel wordt
ons wel anderwege gegeven. (zie pag. 45 v.v.).
De LEER DER WERELD berust op de idee wereld. Wanneer men over die
wereld, over den kosmos gaat handelen, verstrikt het verstand in
tegenstellingen. Men kan dan evengoed bewijzen, dat de wereld een
begin, als dat zij geen begin moet hebben gehad; dat zij ruimtelijk
zoowel onbegrensd als begrensd kan zijn, dat alle samengestelde
zelfstandigheden uit enkele deeltjes bestaan, alsook dat er niets
enkels is in de wereld.
Er is vrijheid, d. w. z. er zijn verschijningen, die niet volgens de
wet der causaliteit kunnen verklaard worden; daar staat tegenover:
er is geene vrijheid, maar alles geschiedt met noodwendigheid naar
natuurwetten.
Kant behandelt die tegenstellingen ook en tracht ze op te
lossen. Merkwaardig is, wat hij zegt van de laatste. De mensch is
burger van twee werelden: als verschijning is hij onderworpen aan de
natuurwetten, als "ding an sich" is hij vrij. In de phaenomenale wereld
heerscht alleen causaliteit naar natuurwetten. In de intelligibele
wereld is de mensch vrij. In zijn causaal bepaald karakter, zooals
dat in de phaenomenale wereld uitkomt, weerspiegelt zich echter zijn
intelligibel karakter en daarom ook is hij verantwoordelijk.
Op de idee God berust de SPECULATIEVE THEOLOGIE, die eveneens door Kant
wordt verworpen. Geen der drie bewijzen voor het bestaan van God acht
hij houdbaar. Allereerst verwerpt hij het door hem met onderscheiding
behandelde bewijs, dat Gods bestaan uit de doelmatigheid der wereld
afleidt. Het physisch-theleologisch bewijs is o. a. daarom niet
houdbaar, wijl het alleen maar verklaren kan dat de bouwmeester van het
heelal zeer machtig en wijs, niet almachtig en alwijs kan geweest zijn.