VIII.

Op allerheiligen van het jaar onzes Heeren 1509 werden, op last van

paus Julius II, de drie eerste fresko's van Raphaël, in de kamer

_della Segnatura_, en de nog onvoltooide schilderijen aan het plafond

der Sixtijnsche kapel--waaraan Michel-Angelo, sedert 8 Mei 1508, met

gesloten deuren arbeidde--voor de bewonderende blikken der hovelingen

en der schare tentoongesteld. De tijdgenooten van den paus hadden nog

nimmer iets gezien, dat eenigszins kon gelijk gesteld worden met deze

kunstwerken, die ook in later eeuw niet zijn overtroffen. Deze eerste

November mag dus met volle recht een gewichtige dag in de geschiedenis

der kunst worden genoemd. Het was een schoone, een gedenkwaardige

morgen, niet alleen voor de beide roemrijke mededingers, die den palm

der overwinning deelden, maar ook voor Julius II zelf, die deze beide

groote, schoon zoo ongelijke geniën had weten te waardeeren en aan

zich te verbinden; voor dien hooghartigen kerkvorst, wien het gegeven

was in vollen bloei te aanschouwen, wat de ontwikkeling van meer dan

drie eeuwen had voorbereid.

Toen Julius II den pauselijken stoel beklom, wilde hij de vertrekken,

waaraan de herinnering der Borgia's als een smet kleefde, niet

bewonen; hij liet dus voor zich, op eene hoogere verdieping, andere

appartementen in orde maken. Ook vatte hij het voornemen op, om ter

eere van zijn oom Sixtus IV, het gewelf der door dezen paus gestichte

kapel, met schilderwerk te versieren. Met den juisten takt van een

man van smaak, droeg bij de versiering der vertrekken op aan Raphaël

van Urbino, dien Bramante hem had voorgesteld, en beval hij tevens

dat het ruime en grootsche gewelf der Sixtina, een waar slagveld,

zou worden toegewezen aan Buonarotti, die zich aanvankelijk daartegen

verzette, die nooit een fresko geschilderd had, en die zich als een

schooljongen moest laten onderwijzen, eer hij, bij wijze van proefstuk,

wellicht het uitnemendste kunstgewrocht leverde, dat ooit uit de handen

eens meesters te voorschijn kwam. Voor dit reuzenwerk had Bramante,

naar men zegt, door min edele bedoelingen gedreven, Michel-Angelo

aanbevolen; Michel-Angelo, misschien dit vermoedende, weigerde en

wilde Raphaël in zijne plaats doen optreden. Julius II hield echter

voet bij stuk; de kunstlievende, krijgshaftige opperpriester toornde

zoo geducht, dat zelfs de kloeke Buonarotti eindelijk toegaf. Als

schilder nog onbekend, had de reeds met roem gekroonde beeldhouwer

toen den ouderdom van vier-en-dertig jaren bereikt; Raphaël was eerst

vijf-en-twintig jaren oud. Beiden hadden zich reeds vroegtijdig gelaafd

aan de onuitputtelijke bron der poëzie van Dante, zich doordrongen

van den geest diens koninklijken zangers; beiden hadden ten volle den

invloed ondervonden van dien echt godsdienstigen en vrijen geest,

die, ook door Savonarola, de oude, mystiek-poëtische traditiën der

ombrische school als met een nieuw leven had bezield.

De eerste maal dat ik de Sixtijnsche kapel bezocht, was zij vol

menschen: de paus zou bij de mis tegenwoordig zijn. De banken van

het heilig college, door eene hooge balustrade van de overige ruimte

afgescheiden, waren geheel met kardinalen, in hunne purperen of grijze

mantels, met hermelijn of marter gevoerd, bezet. Wat mij bovenal trof,

was de eenvoudigheid van het gebouw: eene hooge, langwerpige zaal;

vier muren, zonder eenige architectonische versiering; eenvoudige

rechthoekige vensters, en boven aan de fries eene galerij. Rechts,

eene half getraliede tribune voor de zangers; op den achtergrond,

op eene verhevenheid van vier met een tapijt bedekte trappen, een

hoogst eenvoudig altaar, waarop slechts zes kaarsen brandden; links

van dit altaar, een troonzetel voor den paus. Ziedaar de Sixtijnsche

kapel. Zij heeft geene andere decoratie dan het schilderwerk, waarmede

zij, te beginnen van omstreeks vijftien voet boven den grond, geheel

overdekt is. Voor dit onderste gedeelte waren de tapijten bestemd,

die, op last van Leo X, naar kartons van Raphaël werden vervaardigd.

Gedurende de dienst had ik natuurlijk geene gelegenheid om de

wonderen, die mij omringden, behoorlijk waar te nemen. Bovendien

was mijne aandacht toen geheel ingenomen door hetgeen voor mijne

oogen geschiedde. Het was voor de eerste maal, dat ik hier de dienst

bijwoonde; ik wachtte op de komst van den paus, dien ik nog niet

gezien had. De heraldieke livereien der zwitsersche garden, met hunne

gepluimde helmen, hunne stijve kragen, hunne geel en zwart gestreepte

wambuizen; de verschillende, schilderachtige kostumes van de hoofden

der onderscheidene orden; de prachtige kleeding van den dienstdoenden

kardinaal: dit alles maakte op mij een diepen indruk. Toen de paus,

omstuwd door zijn half geestelijk, half koninklijk gevolg, de kapel

binnentrad, begroet door het onbeschrijfelijk welluidend gezang;

toen daar de schitterende processie zich voortbewoog langs het

Laatste Oordeel van Michel-Angelo; toen ik mijn blik liet dwalen

langs de fresko's der wanden, langs dat ontzaglijk plafond, langs die

aangrijpende voorstelling van het alles beslissende werelddrama daar

op den achtergrond;--om dan in het eind weder op dien paus te zien,

met de driedubbele kroon op het hoofd, heerlijk gedrapeerd in zijne

indrukwekkende kleeding, op dien koning zonder leger of aardsche macht,

op dien eerwaardigen grijsaard, die daar zetelt als opvolger van

Petrus, van Gregorius den Groote, van Sint-Sylvester, van Julius II;

toen de schitterendste, de hartverheffendste herinneringen van een

onuitsprekelijk grootsch verleden hier als levend voor mij optraden,

hier, waar ik, kind van den dag, stond tegenover den drager van het

eeuwen- en eeuwenoude pausdom en tegenover de verhevenste scheppingen

van den grootsten meester der Renaissance;--ja, toen gevoelde ik,

dat ik mij in het edelste heiligdom der gansche wereld bevond.

De geheele achtergrond der kapel wordt ingenomen door de groote

schilderij van Michel-Angelo, het _Laatste Oordeel_. De kunstenaar

begon dien arbeid in 1533 en was daarmede acht jaren bezig: op Kerstdag

1541 werd de schilderij voor het publiek tentoongesteld. Paus Clemens

VII wilde aanvankelijk de versiering der Sixtijnsche kapel voltooien

door twee groote tafereelen, die als het ware de inleiding en de

eindelijke ontknooping zouden voorstellen van het groote drama der

menschelijke geschiedenis, reeds aan het gewelf afgebeeld: de Val

der Engelen en het Jongste Gericht. Na den dood des pausen, in 1534,

werd echter van de volvoering van dat groote plan afgezien, en werd

alleen het laatste gedeelte van het programma uitgevoerd.

In de _Ecole des Beaux-Arts_ te Parijs bevindt zich eene kopie van

deze reusachtige schilderij, door Sigalon vervaardigd, eene kopie, die

tamelijk getrouw den toon van het origineel weergeeft. Zoo ge noch het

oorspronkelijke stuk, noch de kopie mocht kennen, is het mij niet wel

mogelijk u eene voldoende beschrijving van deze aangrijpende schepping

des grooten meesters te geven, althans zulk eene beschrijving, die u

eene eenigszins heldere voorstelling kan geven van den indruk, dien

deze compositie maakt. Als ge haar aanziet, behoeft ge niet te vragen,

of deze schilder Dante heeft bestudeerd: de _Inferno_ en de Apocalypsis

van Johannes hebben hem de stoffe geleverd voor zijne voorstelling van

het laatste oordeel.--In de benedenste helft der schilderij ziet ge

dooden uit hunne graven opstaan, en de zielen der verdoemden, door de

duivelen medegevoerd naar de hel, die het onderste gedeelte inneemt,

en waar de smarten en folteringen der rampzaligen zijn afgebeeld

met trekken, die u dadelijk aan den _Inferno_ van Dante herinneren;

ook Charon met zijn boot ontbreekt niet. Hier is alles vol leven en

dramatische beweging. De bovenste helft maakt een minder gelukkig

effect. Vooreerst is de overgang tusschen de beide deelen van het stuk

niet geleidelijk; maar bovendien maakt het opzettelijk gemis van alle

perspectief een zonderlingen indruk. Deze in de lucht zwevende figuren

verschijnen allen op den voorgrond, hetgeen, gevoegd bij de kolossale

afmetingen, haar iets fantastisch, bijna iets verschrikkelijks geeft.

Het _Laatste Oordeel_ wordt doorgaans als het meesterstuk van

Michel-Angelo geroemd, en kan toch volstrekt niet op gelijke lijn

worden gesteld met zijne fresko's aan het gewelf dezer zelfde

Sixtijnsche kapel. In deze laatste werken toont de betrekkelijk nog

jeugdige kunstenaar zich nog in al zijne liefelijkheid, in al de reine,

frissche, heilige poëzie van zijn verheven geest: hier ziet ge nog den

leerling van Ghirlandajo, den kweekeling der innig-religieuse ombrische

school met hare hemelsche visioenen, den hoog begaafden kunstenaar,

die de heilige traditiën en diepzinnige legenden van Genesis vertolkt

in vormen, wier schoonheid aan de antieke herinnert. In het _Laatste

Oordeel_ echter ziet ge bovenal den onovertroffen meester in de

lijnen en proportiën, den teekenaar, die het in de wetenschap der

anatomie, in de techniek, in de juiste kennis der standen van het

menschelijk lichaam, tot eene hoogte gebracht heeft als wellicht

geen ander, die de zwaarste moeielijkheden zegevierend, als spelend,

overwint; maar die nu ook juist daardoor, zich ten volle zijner

titanische kracht bewust, in het scheppen en overwinnen van die

moeielijkden, in het tentoonspreiden zijner doorwrochte wetenschap

en zijner bewonderenswaardige bekwaamheid, het hoofddoel zijner kunst

zoekt. Nergens wellicht komen de fouten en gebreken van Michel-Angelo's

manier sterker uit, dan juist in deze schilderij, die men, niet zonder

recht, eene synoptische voorstelling van alle denkbare _tours de force_

heeft genoemd. Wat bijkans onmogelijke standen, wat gewaagde houdingen,

wat verwringingen en buigingen van het lichaam, wat geweldige werking

van zenuwen en spieren, onverholen in het oog vallend, daar bijna al

deze kolossale figuren geheel of zoogoed als geheel naakt zijn. Het

is welhaast een anatomisch museum. Voorzeker is dat alles met de

grootste kennis en met onvergelijkelijke meesterschap geteekend, en

laat de schilderij, uit dit oogpunt, niets te wenschen over: maar wat

slechts middel behoorde te zijn, is hier doel geworden. Michel-Angelo

heeft zich zelf voorbijgeloopen; en het door hem gegeven voorbeeld

heeft allernoodlottigst gewerkt, niet alleen op zijne leerlingen, maar

ook op de geheele ontwikkeling der kunst, die, door het misbruik van

's meesters leeringen, een weg is opgegaan, welke haar ten verderve

voeren moet.

Doch er is nog eene andere grieve tegen dit stuk: dit is niet het

wereldgericht, zooals de christelijke kerk zich dat denkt: dit

is eene schrikkelijke wraakoefening; van genade en vergeving, ja

zelfs van gerechtigheid is hier geen spraak: alleen van hartstocht

en geweld. Dit is, in waarheid, een dag des toorns en der wrake:

het _Dies irae, dies illa!_ dreunt u in de ooren. Deze Christus, met

opgeheven hand, dreigend, ontzaglijk, daar op de wolken, onbewogen door

de jammerkreten der verdoemden, onbewogen ook door de smeekbeden zijner

nevens hem staande moeder:--dat is niet de barmhartige Menschenzoon,

maar een wrekende god, die bliksems slingert; dat is niet de Christus

des Evangelies, maar een toornende Zeus, die de titanen in den

afgrond nederwerpt.--Wat mag er wel zijn omgegaan in dien machtigen,

hoogbegaafden, strengen, ascetischen geest, gedurende de acht jaren

dat de sombere kunstenaar, in bijna volslagen afzondering, met dezen

arbeid, waarin hij zijne gansche ziel heeft gelegd, bezig was? Waarom

heeft deze eindelijke ontknooping van het werelddrama hem bij voorkeur,

bij uitsluiting bijna, aangetrokken door hetgeen zij vreeselijks en

ontzettends heeft, en hem bewogen juist die zijde met alle kracht in

het volle licht te stellen? Wie zal daarop antwoorden! Dit eigenaardig,

onkerkelijk en onevangelisch karakter der compositie trof sommigen

zijner tijdgenooten zoodanig, dat zelfs zijn vriend Aretino aan

Enea Vico schreef, dat deze schilderij haar vervaardiger wel tot de

Lutheranen kon doen rekenen; wat in den mond van Aretino natuurlijk

beteekende dat het kunstwerk niet de hand van een geloovigen zoon der

kerk, maar veelmeer die van een ketter verried. Dit oordeel moge nu,

wat Michel-Angelo persoonlijk aangaat, onjuist zijn: de grondgedachte,

die aan deze kenschetsing der schilderij ten grondslag ligt, is dit

zeker niet.

Mocht nu iemand, na al het gezegde, meenen dat dit _Laatste Oordeel_

als kunstwerk mislukt is, dan zou hij zich toch ten eenenmale

vergissen. Michel-Angelo is zoo ontzaglijk groot, dat ook zijne

gebreken en dwalingen die van een zeldzaam genie zijn, en dat iedere

schepping, waarop hij het merk van zijn machtigen geest heeft gedrukt,

daardoor alleen reeds tot iets buitengewoons, iets geheel en al _hors

ligne_, wordt gestempeld. Ook hier gaat zoowel de conceptie als de

uitvoering zoozeer de gewone perken van menschelijke kunstvaardigheid

te boven, getuigt alles van zoo gansch en al buitengewone kracht

en oorspronkelijkheid, dat ook deze schilderij, ondanks al hare

zeer ernstige gebreken, buiten eenigen twijfel tot de verhevenste

scheppingen der kunst behoort, en op iederen aanschouwer een indruk

maakt, dien hij zijn gansche leven niet weder vergeten zal.

Wanneer er in de kapel geen dienst is, verhindert u niets in de

beschouwing der kunstwerken; de ruime, langwerpige zaal, waar doorgaans

eenige schilders aan den arbeid zijn, heeft dan veeleer het voorkomen

van een atelier. De trappen voor het altaar, en die welke naar de

_stalles_ van het _presbyterium_ voeren, zijn met een groen tapijt

bedekt, waartegen des zondags de lange sleepen der purperen mantels

zoo goed uitkomen, en dat op de andere dagen uw oogen een zoo welkom

rustpunt biedt, waaraan zij wel behoefte hebben te midden van deze

opeenstapeling van schilderijen. Want vergeet dit niet: behalve het

schilderwerk aan de zoldering, de friesen en tegen den achterwand,

zijn de zijwanden geheel ingenomen door twaalf groote fresko's,

door geschilderde pilasters en arabesken van elkander gescheiden. De

nabuurschap van Michel-Angelo is niet gunstig voor deze werken, die

toch ten volle de aandacht verdienen: want zij zijn van de hand der

uitnemendste meesters uit het tijdvak, onmiddellijk aan den bloeitijd

der renaissance voorafgaande, en tusschen 1475 en 1500, onder de

regeering van de pausen Sixtus IV, Innocentius VIII en Alexander

VI vervaardigd.

Het is niet meer dan billijk dat wij met deze kunstwerken beginnen. De

beide reeksen van zes fresko's aan iedere zijde, staan met elkander in

nauw verband; er is tusschen hen een zeker parallellisme: zij dienen om

elkander aan te vullen en te verklaren. De zes voorstellingen, aan uwe

linkerhand, aan de boeken van Mozes ontleend, vinden hare toelichting

en hoogere duiding in de schilderijen daar tegenover, waarvoor het

Evangelie de stof leverde: het is de profetie en de vervulling.

Ziehier, nabij het altaar, een stuk van Perugino, de _Doop van

Christus_, en daartegenover _Mozes en zijne vrouw Sippora_, op weg

naar Egypte. De schilder, Luca Signorelli, heeft het oogenblik

gekozen, waarop de engel verschijnt, die Mozes dooden wil, maar

wiens toorn door Zippora wordt afgewend. Zippora is hier de type

der madonna. De uitnemendste onder de leerlingen van Filippo Lippi,

Sandro Botticelli, heeft in een zelfde kader vier episoden uit Mozes

leven saamgevat: gij ziet hem, _een Egyptenaar doodende:--de schapen

van Jelhro hoedende;--de midianitische herders verjagende;--en

voor het brandende braambosch staande._ Als tegenhanger heeft

dezelfde schilder de _Verzoeking van Jezus_ afgebeeld.--Verderop

ziet ge de _Roeping der apostelen Petrus en Andreas_, een prachtig

stuk van Cosimo Rosselli; en daartegenover _Mozes, zijn broeder

Aäron en de hoofden der stammen om zich vereenigende:_ een niet

minder voortreffelijk werk van Domenico Ghirlandajo, den eersten

leermeester van Michel-Angelo. Aan de _Aanbidding van het gouden kalf_

van Rosselli, beantwoordt de _Bergrede_ van denzelfden meester, met

dat heerlijk schoone landschap, naar men zegt van de hand van Piero

die Cosimo. Hier bewondert ge de stoute schilderij van Botticelli: de

_Ondergang van Korach, Dathan, en Abiram_, om dan in heiligen eerbied

te staren op dat edele meesterstuk van den laatsten vertegenwoordiger

der mystieke ombrische school Perugino, _Christus de sleutels aan

Petrus overreikende._--De indrukwekkende reeks wordt gesloten, aan

de eene zijde door de _Afkondiging der wet_ en de _Dood van Mozes_,

van de hand van Signorelli; aan de andere zijde door de _Instelling

van het Avondmaal_ en de _Kruisiging_, door Cosimo Rosselli.

Deze fresko's worden doorgaans weinig opgemerkt, en zijn toch zoo

merkwaardig: niet alleen om de uitvoering en wijze van behandeling,

hoe voortreffelijk die ook veelszins mogen zijn, maar vooral omdat ge

hier als de laatste scheppingen voor u ziet eener school, nog geheel

doordrongen van de mystiek-poëtische inspiratie der middeleeuwen,

doch die straks zal worden overvleugeld en in de schaduw gesteld

door de Heroën der renaissance, wier leerlingen zoo spoedig zullen

afdwalen op noodlottige wegen. Dat zulke uitnemende kunstwerken hier

geen andere bestemming schijnen te hebben dan om als omlijsting, bijna

had ik gezegd als _repoussoir_, te dienen voor de scheppingen van

dien titan Michel-Angelo: ziedaar eene inderdaad weemoedige gedachte.

En nu--strekken wij ons uit op het groene tapijt der kardinalen,

maken wij ons een hoofdkussen van hunne voetbank, en laat ons, als

Jacob, in den geopenden hemel staren.

Om orde en regelmaat te brengen in de verschillende tafereelen en

figuren die hij ontworpen had, om ruimte en perspectief te verkrijgen,

heeft Michel-Angelo zijn toevlucht genomen tot een kunstgreep,

dien ik met geen anderen naam dan van bouwkundig _trompe-l'oeil_

kan noemen. Hij heeft namelijk het plafond der kapel beschilderd met

pilasters, kroonlijsten, bogen en andere architectonische ornamenten,

die zoo uitnemend zijn uitgevoerd, en met zoo treffende waarheid, met

zoo kunstige verdeeling van licht en schaduw, dat de platte zoldering

op den aanschouwer den indruk maakt van een rijk gewelf, of liever van

een tempel. Geheel in overeenstemming daarmede, is, met niet minder

meesterschap over den vorm, de grootte der verschillende figuren

berekend, waarvan sommigen, die als op den achtergrond verschijnen,

niet minder dan zeven tot acht voeten hoog zijn; door deze kolossale

afmetingen en de uitnemende schikking van beelden en groepen ontsnapt u

geen enkel detail van deze wonderschoone beeldengalerij, aan Genesis

ontleend.

Langs den wand, boven en tusschen de vensterbogen, zijn de _Profeten_

en de _Sibyllen_ afgebeeld: zonderlinge, machtige figuren, in welke

antieke vormenschoonheid en kracht zich paart aan de uitdrukking

van een nieuwen geest, van dieper gedachten, dan de oudheid

kende. Zie hen aan, in hunne majesteit, in hun eenvoud, in hunne

schier bovenmenschelijke schoonheid,--want hier is Michel-Angelo

nog getrouw aan de traditie der schoonheid in den meer gewonen zin

des woords;--bovenal merk op de uitdrukking van hun gelaat. Is het

niet of de geest Gods over al deze zieners vaardig is geworden, of

eene innerlijke kracht hen verteert en drijft, en hun woorden op de

lippen legt, waarvan zij zelven de beteekenis nauwelijks ten halve

begrijpen? Aanschouw deze heerlijk schoone Sibylle van Erythrea;

bovenal de Sibylle van Delphi, over wier aanvallig gelaat eene

onbestemde half droomende uitdrukking zweeft, wier starende blik zich

als in de oneindige ruimte verliest, om de verklaring te vinden van

het groote raadsel, dat haar geest vervult.

Nog aangrijpender zijn de figuren der _Profeten_, wien ge het aan kunt

zien dat het goddelijk mysterie voor hen wel niet geheel onthult,

maar toch ook niet in zulke ondoorzichtbre nevelen is gehuld als

voor de Sibyllen. Wat krachtige, schier bovenaardsche gestalten; wat

verhevene majesteit spreekt uit die trekken, die zoo onmiskenbaar

den stempel dragen van peinzend worstelen met de gedachte, van

indringend vorschen der geheimenissen des levens en der wereld,

den onuitwischbaren stempel des geestes. Hier ziet ge mannen voor u

van een ander geloof, van een anderen stam dan die van Griekenland;

even krachtig, maar doorademd en doordrongen van een hoogeren geest;

schoon, maar met eene geheel bijzondere, intellectueele schoonheid,

die nog meer in de afwisselende sprekende uitdrukking dan in de

onberispelijke zuiverheid der trekken ligt. Wel herkent ge in dezen

arbeid den geloovigen kunstenaar, die in zijne jeugd aan de voeten van

Savonarola gezeten had, den vurigen bewonderaar en vereerder van Dante,

wiens waardige mededinger hij zich hier toont. De alleszins bevoegde

schrijver van _L'Art Chrétien,_ de heer Rio, zegt van de _Profeten:_

"Van alle bijbelsche personen waren zij het meest verwant aan het

eigenaardig genie van Michel-Angelo, stond hunne gemoedsstemming

hem het naast. Zijne ziel begreep de hunne. Daarom teekende zijne

machtige hand geene stoute en ongevoelige tolken van de goddelijke

raadsbesluiten, maar herauten, wier hart bezwijkt onder het gewicht

hunner zending, die spreken omdat de nood hun is opgelegd en met

verscheurde ziel de naderende gerichten verkondigen. Jezaia, wiens

gebogen gelaat de uitdrukking draagt van moedelooze berusting,

schijnt aan den engel, die hem het gericht verkondigt, weemoedig

te vragen, of zijn last nog verder reikt.... Jeremia, die met zoo

heete tranen de rampen beschreide welke hij voorzegde, is geheel

door zijne droefheid overweldigd, en schijnt al zijn moed, al zijne

zelfverloochening op te roepen om zonder duizelen in den duisteren

afgrond der toekomst neder te zien.--Daniël daarentegen toont, in zijn

stand, in de krachtvolle uitdrukking van zijn blik en zijn gebaar,

het dubbele karakter, dat hem onderscheidt: hij is de onverschrokken

belijder van het geloof zijner vaderen, on de begunstigde profeet,

die verwaardigd werd met eene duidelijken aanschouwing der aanstaande

verlossing. Er is in deze figuur eene jeugdige kracht, eene _verve,_

een fierheid en zelfbewustzijn, die wel schijnen aan te duiden dat

de kunstenaar zelf zich om persoonlijke redenen meer bijzonder tot

dezen profeet getrokken gevoelde."

Geniën, zinnebeeldige figuren, vol bevalligheid omlijsten en

vergezellen deze kolossale figuren; terwijl tusschen de reeks der

Profeten en Sibyllen, die u als in een hoogere wereld verplaatsen,

een andere reeks is ingevlochten van huiselijke idyllische tooneelen,

aan het familieleven ontleend, waar ge altijd een man, eene vrouw en

een kind, in verschillende standen, groepeering en bedrijf aanschouwt:

volgens sommigen, zouden deze tafreelen de _Voorouders van Christus_

voorstellen. Op de geschilderde kroonlijsten zijner nagebootste

pilasters en in de vakken zijner bogen heeft Michel-Angelo, in de meest

verschillend houdingen en standen, zittende, gebogen, half-liggende,

die modellen--ik weet ze niet beter te noemen--geschilderd, die onder

den naam van de _Ignudi_ (Naakten) bekend zijn, en vooral door Vasari

zoo buitensporig geprezen worden. Onder de grootsten telt men er

negentien, die wat uitvoering aangaat, als studiën, meesterstukken

zijn: maar toch lag daar de klip, die zelfs de groote kunstenaar

niet altijd wist te ontwijken en waarop zijne navolgers reddeloos

zijn gestrand. Tot dusverre had de schilderkunst niets opgeleverd,

dat met de beeldhouwkunst der antieken wedijveren kon. Michel-Angelo

was de eerste, die het menschelijk lichaam in al zijne schoonheid,

in al de verscheidenheid en volle ontplooiing zijner rijke vormen,

tot voorwerp zijner studie maakte, althans die het aldus wist weder te

geven: hem was de eigen zin voor, het welgevallen aan den plastischen

vorm, aan de zinnelijke verschijning ingeboren, die den griekschen

kunstenaar eigen was; en in zijne latere periode moest maar al te

dikwijls de hoogere geestelijke opvatting, de ideale mystieke zijde

der kunst voor dezen plastischen zin op den achtergrond treden. In

zijn _Laatste Oordeel_ is dit in sterke mate het geval: hier bespeurt

ge nog slechts de kiemen, de eerste aanvangen dezer richting, die in

hare verdere ontwikkeling, de groote monumentale kunst ten verderve

heeft gevoerd. Uit dit oogpunt beschouwd, maakt deze grootsche

schepping van Michel-Angelo, schier het verhevenste kunstwerk, ooit

door menschenhanden vervaardigd, een bijna tragischen indruk.

De ruimte van het eigenlijke plafond heeft de kunstenaar verdeeld

in negen vakken, ongelijk in grootte--groote en vijf kleinere--die

even zoovele voorstellingen bevatten, aan de eerste hoofdstukken van

het boek Genesis ontleend. Deze compositiën zijn bijna met niets te

vergelijken; door hare wondervolle grootheid hebben zij inderdaad

iets bovenmenschelijks: de volle wetenschap en kunstvaardigheid

van een Phidias, gepaard aan de hooge bijbelsche inspiratie en den

onnavolgbaren eenvoud der oorspronkelijke conceptiën. Al had de gewijde

schrijver van deze weergalooze eerste hoofdstukken van Genesis zelf

zijn scheppingsverhaal geïllustreerd, hij zou het niet anders hebben

kunnen doen; ja, bij het aanschouwen dezer werken gevoelt ge, meer

dan ooit, dat de waarachtige kunstenaar een schepper is onder God,

de vertolker der verborgen Godsgedachte in aanschouwelijken vorm. De

moderne kunst heeft misschien niets opgeleverd, wat met deze fresko's

op eene lijn kan worden gesteld, zeker niets wat daarboven staat.--Dit

heldendicht in negen zangen begint aan het einde der kapel, boven het

_Laatste Oordeel,_ met de _Schepping van het licht_, gevolgd door de

_Schepping van zon en maan en van het veldgewas en het geboomte,_ en

door eene voorstelling van den _Geest Gods zwevende over de wateren._

Eene eigenlijke beschrijving van deze wonderbare compositiën is

onmogelijk: Michel-Angelo heeft zich hier gewaagd aan hetgeen, naar

alle berekening, boven het bereik der menschelijke kracht scheen

te liggen en wat dan inderdaad ook alleen door een genie van zijne

gehalte kon worden beproefd. Laat de overweldigende indruk dezer stoute

scheppingen getuigen hoe hij slaagde. Voor zoover het mogelijk is,

de eeuwige Godheid in menschelijke gedaante af te beelden, menschelijk

voor te stellen, heeft Michel-Angelo dit gedaan: hij heeft een beeld

geschapen, dat althans door zijne onuitsprekelijke verhevenheid en

majesteit, toch zoo ver verwijderd van olympische onverschilligheid en

zelfgenoegzaamheid, niet al te zeer beneden de voorstelling blijft,

die de geest zich van den Vader in de hemelen vormt.--Dan volgt,

als vierde zang van dezen hemelschen epos, de _Schepping van Adam_,

den eersten mensch. Daar ligt hij, uitgestrekt tegen de helling eens

heuvels, als aan den zoom der jonge planeet, naakt op den naakten

bodem, waaruit hij zooeven geboetseerd werd; daar ligt hij, in zijne

onvergelijkelijke, onvergankelijke schoonheid de type der hoogste

menschelijke volkomenheid: een beeld, zoo heerlijk dat, volgens de

uitspraak van Cornelius, na Phidias geen tweede daaraan gelijk is

vervaardigd geworden. Wat treffende uitdrukking op dat gelaat, waarop

ge de kiemende gedachte leest, waar de dankbare bewondering zich

aanvankelijk oplost in een gebed; dat gelaat, met zoo kinderlijken

eenvoud, zoo roerend naïeve teederheid gekeerd naar den God, die den

geest des levens in dezen volheerlijken vorm uitstortte. Door eene

donkere, wuivende draperie omgeven, gedragen door een groep engelen,

zweeft God de Vader door de oneindige ruimte; de aarde naderende zonder

haar aan te raken, strekt Hij zijne hand uit naar den mensch, die van

zijne zijde evenzeer de hand naar zijn Schepper uitstrekt, zoodat de

beide vingers elkander genoegzaam raken: symbool van de mededeeling

des geestelijken levens. De liefelijke, beminnelijke figuren der

engelen, heerlijke, lachende, naïeve kinderkopjes, met roerende

teederheid rondom den Almachtige gegroept en door dezelfde draperie

omgeven--het is als scholen zij vertrouwelijk in een nest--verhoogen

niet alleen de heerlijke majesteit van den Schepper, maar melden

tevens en op de roerendste wijze de groote liefde des Vaders. Deze

levensvolle, dramatische groep in de lucht doet nog te treffender

de volstrekte eenzaamheid uitkomen van Adam, den eersten bewoner der

aarde, daar nederliggende op die kale naakte helling, die door niets

de aandacht afleidt van de eerste harmonische beweging, den eersten

zielvollen blik, de eerste kiemende gedachte van den eersten mensch,

alleen tegenover zijn God.... De oude schilders en de meesters onzer

hollandsche school zouden hier ongetwijfeld eene gansche menagerie en

een volledigen plantentuin hebben aangebracht: Michel-Angelo, niets

dan den Schepper en zijn beelddrager.... Niet zonder grond hebben

de meest bevoegde kunstrechters deze fresko als het uitnemendste

gewrocht der schilderkunst geroemd, onvergelijkelijk door den adel

der gedachte, den verheven stijl, de machtige, aangrijpende poëzie

der voorstelling.--Maar niet minder schoon, niet minder diepzinnig is

de volgende zang: de _Schepping der vrouw_, die, uit den slapenden

Adam genomen, zich met eene onbeschrijfelijke bevallige beweging,

tot den Schepper neigt en haar saamgevouwen handen biddend tot Hem

opheft. God de Vader, in een wijden mantel gedrapeerd, staat voor haar,

ernstig, peinzend: op dat verheven gelaat zweeft eene uitdrukking van

weemoed, van smart bijna: de gansche toekomst, aan de daad dier vrouw

vastgeknoopt, ontrolt zich voor den goddelijken blik, de gansche lange

reeks der eeuwen met al haar jammeren en ellenden, die vast naderen,

terwijl de eerste mensch in argeloozen slaap verzonken ligt.

De volgende fresko verbeeldt de eerste zonde en hare onmiddellijke

gevolgen: zij stelt den _Val en de Verdrijving uit het Paradijs_

voor. In het midden der schilderij staat de noodlottige boom der

kennisse des goeds en des kwaads; aan den voet des booms zit Eva

neergehurkt, en wendt het schoone gelaat om naar de slang, die haar

den appel toereikt. Adam staat voor haar, en plukt met eigen hand de

doodelijke vrucht. Maar deze slang--zie, de kunstenaar gaf haar eene

dubbele gestalte: het hoofd en het bovenlijf eener vrouw, uitloopende

in het lichaam eener slang. Begrijpt ge de diepzinnige gedachte,

die deze beide vrouwengestalten--beiden, maar op verschillende wijze

uitnemend schoon--dus naast elkander plaatste, en de onuitsprekelijk

verheven, beteekenisvolle mythe van Genesis aldus in haar waren zin

vertolkte? Waartoe deze raadselachtige gestalte? Is niet de vrouw,

zelf eenmaal voor de verzoeking bezweken, zelf der zonde ten prooi

geworden, eene sirene, die met onwederstaanbare macht werkzaam is

tot verleiden? En heeft Michel-Angelo hier niet met onbedriegelijke

waarheid voor alle tijden de dubbele type der vrouw geteekend: de reine

Eva, die innig aan den man verbonden, hare ziele in aanbidding opheft

tot den Schepper en in hare aanbidding den man zelf met zich opvoert;

en de om den verleidelijken boom geslingerde sirene, wier vleiend,

leugenachtig woord, wier vervoerende blik en verlokkende schoonheid

den man in het verderf storten?--Onmiddellijk nevens de overtreding

de straf: aan de andere zijde van den boom ziet ge Adam en Eva,

door den engel met het wrekende zwaard uit het paradijs gedreven:

de menschheid gaat haar langen, moeilijken pelgrimstocht beginnen,

den bitteren tocht ter hervinding van het verloren paradijs.

De drie nu volgende tafreelen, de laatste van de reeks, verhalen van

de eerste schreden op dezen weg der ballingschap; het zijn: _Noachs

Offer_, de _Zondvloed_ en _Noachs Dronkenschap_, alle drie niet minder

voortreffelijk van gedachte en uitvoering, al missen ze de diepzinnige

verhevenheid der vorige fresko's, waarvoor ook ditmaal het onderwerp

zich minder leende. Deze fresko's hebben natuurlijk eene symbolische

beteekenis, evenzeer als de vier voorstellingen in de vier hoeken, de

uitreddingen van het volk Gods afbeeldende. Hier ziet ge: de _Koperen

slang in de Woestijn_, de _Verhooging van Esther_ (type van Maria)

_en Hamans val: Judith met het af gehouwen hoofd van Holophernes_;

en _David Goliath verslaande._

Ik heb gepoogd u eenigszins een denkbeeld te geven van den rijkdom en

de schoonheid van dit wonderbare gewelf der Sixtijnsche kapel, maar

gevoel zelf dat mijne woorden niet in staat zijn, ook maar van verre de

heerlijkheid dezer kunstschepping nabij te komen. Doch welke woorden

zouden dat vermogen? Het is onmogelijk, door enkele beschrijving den

indruk te doen gevoelen, dien dit gewelf, een heerlijken marmeren

tempel gelijk, op den aanschouwer maakt. Als langs de wanden van dien

tempel geschaard, zitten daar de kolossale gestalten der zeven profeten

en vijf sibyllen, de tolken en verkondigers, in de joodsche en de

heidensche wereld, van het heil dat zij, in half begrepen droomen

en visioenen, aanschouwden. En in den tempel zelf, tusschen zijn

met de heerlijkste gestalten gesierde bogen, ontrollen zich daar,

in bovenaardsche schoonheid en majesteit, de verschillende episoden

van het groote werelddrama, waarin deze drie groote gedachten op

den voorgrond treden: de schepping van den mensch naar gods beeld,

de val, de aanstaande verlossing. Dit thema wordt dan verder opgevat

en voortgezet in de fresko's langs den wand, om eindelijk zijne

volkomene oplossing te vinden in het ontzaglijke wereldgericht,

dat voor eeuwig scheiding maakt tusschen de kinderen des lichts en

de kinderen der duisternis. En daar, beneden in de kapel, staat dat

eenvoudige altaar, waarop dagelijks het groote mysterie der liefde

wordt herdacht en symbolisch herhaald: God zich mededeelende aan de

menschheid, zich zelf gevende om haar te behouden.... Waar elders

is eene tweede plek te vinden, dus eerwaardig en gewijd? Waar elders

heeft de arme, hopende, worstelende menschheid hare hoogste idealen,

hare heiligste aspiratiën, haar innigst leven, in schooner vormen,

in heerlijker symbolen, uitgesproken en veraanschouwelijkt? Voorwaar,

ze is in dubbelen zin heilige grond, deze Sixtijnsche kapel!

Voor de majesteit van het werk, voor de diepe gedachten en aandoeningen

die het opwekt, treedt de werkman terug: toch vergeten wij ook hem

niet. De groote meester, de titan der Renaissance, bracht niet minder

dan twaalf jaren van zijn leven in deze kapel door: vier jaren lang

arbeidde de jonge man in de volle frissche kracht des levens aan het

gewelf; acht jaren lang arbeidde, ruim twintig jaren later, de nog

onverzwakte grijsaard aan zijn wereldgericht. En hoe hij arbeidde,

hoe hij zijne gansche ziel daarin uitstortte, in welke mate zijn

arbeid hem ernst, heilige ernst was: een enkele blik bijna is reeds

voldoende om u daarvan te overtuigen, en dieper studie zal het u

steeds meer doen gevoelen. Voorwaar, voor dezen man en voor zijne

tijdgenooten en geestverwanten, was de kunst iets meer dan een spel,

meer dan eene gedachtelooze streeling der zinnen!

Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 8 / 9 题