De bovenverdieping van den zuidelijken vleugel van het vatikaan
behoort aan Raphaël en zijne leerlingen. De kamers of _Stanze_ zijn
de slecht ingerichte en onbewoonbare vertrekken, die Julius II, boven
de appartementen Borgia, voor zich in orde liet brengen; de loges of
_Loggie_, door Bramante begonnen, zijn eene lange, in dertien vakken
verdeelde galerij, sedert 1515 onder toezicht van Raphaël voltooid
en door hem en zijne leerlingen beschilderd. Alvorens wij de loges
binnentreden, wenden wij ons echter naar eene soort van voorzaal,
de _Stanza de' Chiaroscuri_ genoemd, en daar naar eene smalle deur,
bijna altijd gesloten, maar die een _custode_ ontsluiten zal: zij geeft
den toegang tot eene kleine kapel, die de meeste reizigers ongemerkt
voorbijgaan, en die toch de oudste fresko's der florentijnsche school
bevat, welke nog in het vatikaan zijn overgebleven. Aan welk gelukkig
toeval heeft deze aan San-Lorenzo gewijde kapel het te danken, dat
Julius II, die in de aangrenzende appartementen de schilderijen van
Luca Signorelli en Perugino, op eene enkele na, liet vernietigen,
haar spaarde? Waarom hebben Leo X, Clemens VII en hunne opvolgers
het werk van den Beato Angelico, dat toch met den toen heerschenden
smaak zoozeer streed, ontzien? Ik weet het niet, maar ben dankbaar
dat het aldus geschied is.
Fra Angelico da Fiesole begon zijn arbeid in die kapel onder de
regeering van Eugenius IV. Het was dus wel waarschijnlijk in deze
kapel, dat de paus, die als aartsbisschop van Siëna met fra Giovanni in
Toskane kennis had gemaakt en zijn vriend was, zich in de aanschouwing
van den arbeid des vromen kunstenaars kwam verpoozen van de zorgen en
beslommeringen zijner moeitevolle, onrustige regeering. Zoo gebeurde
het ook eens op zekeren dag, nadat de aartsbisschop van Florence
overleden was, dat de heilige vader den monnik-schilder kwam opzoeken,
en hem persoonlijk de verrassende tijding mededeelde, dat hij hem tot
aartsbisschop van Florence had benoemd. Ge ziet in uwe verbeelding
den nederigen kunstenaar, zijne eigene krachten wantrouwende en
aan zijne kunst gehecht, zijne penseelen van schrik uit de handen
latende vallen, en haastig van zijne stellage afdalende, om zich
aan de voeten van den paus te werpen, en hem met tranen in de oogen
te smeeken, een zoo zwaren last niet zijn zwakken schouderen op te
laden.... De heilige vader hield vol, en gaf niet toe, dan nadat de
monnik hem een ander had aangewezen, zoo hooge eere beter waardig,
een man, uitmuntende in vroomheid en liefde tot de armen, een ouden
medebroeder uit het klooster van San-Marco te Florence, fra Antonio
Perozzi, de roem van het klooster.... En Eugenius volgde dien raad op,
en plaatste op den bisschoppelijken zetel van Florenze den vriend van
fra Angelico, dien Adriaan VI later onder de heiligen der kerk opnam.
Nog een andere opperpriester, Nicolaas V, de ware grondlegger der
heerlijkheden van het vatikaan, heeft menig uur in dit bidvertrek
gesleten, mede in gezelschap van fra Angelico, zijn voormaligen
medebroeder bij de dominikanen van Florence. Terwijl de monnik zijne
penseelen hanteerde, werden daar de veelomvattende plannen besproken
voor den herbouw van Sint-Pieter, voor de stichting der vatikaansche
bibliotheek, voor de vereeniging van alle intellectueele krachten van
het westen in de eeuwige stad. Daar is zeker menige zucht uit den
beklemden boezem opgerezen, wellicht menige traan geschreid bij de
gedachte aan de jammerlijke verdeeldheid der kerk, aan de dreigende
teekenen des tijds, aan het geweldig voortdringen van den islam,
door het christelijk Europa, in werkelooze en machtelooze verbazing,
aangezien. Ach, de heerlijke dagen der kruistochten, de dagen van
geloof en heilige geestdrift, waren voor immer voorbij! De pausen
waren bijna de eenigen, die den ontzettenden ernst van het oogenblik
begrepen; toen hij, in 1450, deed wat hij kon om de onderling verdeelde
vorsten tot eene katholieke ligue te vereenigen, voorspelde Nikolaas
aan de Grieken, dat, zoo binnen drie zomers de vijgeboom geen
vruchten droeg, hij bij den wortel zou worden afgehouwen.... Drie
jaren later hield Mahomed II zijn intocht in Constantinopel: de
paus alleen had eene kleine vloot derwaarts gezonden, die den val
der stad niet beletten kon.... Ziehier eene treffende anecdote,
die dezen paus,--zoo groot een minnaar en kenner der oude letteren,
dat hij nog op zijn sterfbed God dankte, die hem deze liefde in het
hart had gestort--teekent in al zijne beminnelijke eenvoudigheid. Op
zekeren dag verlieten de beide vrienden, de paus en de schilder,
te zamen dit atelier om het middagmaal te gaan gebruiken: een
geïmproviseerd feest, want er stonden vleeschspijzen op de tafel,
en die mocht de dominikaner monnik niet gebruiken zonder vergunning
van zijn prior. Groote verlegenheid bij de aanzittenden! Eindelijk
maakte een der kamerlingen de opmerking, dat de heilige vader, uit de
volheid zijner macht, deze vergunning zelf geven kon.... Het is niet
kwaad zich deze verhalen en herinneringen voor den geest te roepen,
als ge voor de fresko's van den voortreffelijken broeder staat:
ge zult ze er te beter om begrijpen.
Zo zijn hier ten getale van elf: zes daarvan zijn gewijd aan het leven
van Sint-Stephanus; de vijf anderen aan dat van Sint-Laurens. De
zes eersten stellen voor; de wijding van Stephanus tot diaken,
door Petrus, in tegenwoordigheid der apostelen; de uitdeeling der
aalmoezen; Stephanus' prediking voor het volk; zijn verhoor voor den
joodschen raad; zijn gang naar de strafplaats en de steeniging. De
vijf fresko's, waarop episoden uit het leven van Sint-Laurens zijn
voorgesteld, zijn de tegenhangers der vorigen. Zij stellen voor: de
wijding van Laurentius tot diaken door paus Sixtus II; de overgave van
den schat der kerk, door den in de gevangenis geworpen paus aan den
diaken; Sint-Laurentius, dezen schat onder de armen verdeelende; het
verhoor van Sint-Laurens voor keizer Decius; en zijn marteldood. Deze
fresko's zijn waarschijnlijk later dan de anderen vervaardigd;
de bijkans zestigjarige kunstenaar toont zich hier nog in zijne
volle, onverzwakte kracht; zij zijn met vaste hand uitgevoerd;
de _mise-en-scène_ is uitvoeriger en de invloed der studie van de
antieken is onmiskenbaar. De meerdere zorg aan de uitvoering, aan
de techniek, aan de, om het zoo eens te noemen, uitwendige zijde der
kunst besteed, schaadt bij dezen meester echter niet aan de verheven,
weldadige uitdrukking, aan de zachte, teedere, innig-mystieke poëzie,
aan de frissche naïeveteit, die over al zijne scheppingen als een
geurige morgendauw ligt verspreid. Michel-Angelo vertegenwoordigt de
kracht van het genie; Raphaël de harmonie der volkomen schoone vormen;
fra Angelico het godsdienstig ideaal.
Het bezoek dezer kleine, stille kapel, waar alles vrede en kalmte
des gemoeds ademt, is eene voortreffelijke voorbereiding voor het
bezoek in de loges en stanzen waar ge Raphaël zult zien in bijna al
zijne heerlijkheid.
De _Loggia_ is, zooals de naam aanduidt, eene groote, oorspronkelijk
opene galerij, die op het binnenplein van Sint-Damasus uitziet; zij
is door arkaden in dertien vakken of afdeelingen verdeeld, die met
even zoovele koepels zijn gedekt. Tegenwoordig zijn de vroeger open
nissen tusschen de bogen van vensters voorzien, hetgeen eenigermate aan
het karakter der galerij schaadt. Door deze groote vensters stroomt
een zee van licht binnen, die de onbeschrijfelijke kleurenpracht der
_Loggie_ in bijkans oogverblindende heerlijkheid schitteren doet. Want
de gansche lange, hooge galerij is van onder tot boven bedekt met
schilderwerk, ornamenten, bas-reliefs, stucco's, die eene inderdaad
tooverachtige uitwerking doen. Het is een overstelpende overvloed van
lijnen en kleuren, in den weelderigsten rijkdom, in de veelzijdigste
verscheidenheid: medaillons, arabesken, bloemen, vruchten, vogelen,
stucco's, bas-reliefs; eene bonte mengeling, en toch te zamen eene
harmonische eenheid vormende.
De wonderschoone decoratie dezer _Loggie_ is het werk, deels van
Raphaël zelf, maar voor verreweg het grootste gedeelte van zijne
leerlingen, die evenwel onder zijne onmiddelijke leiding werkten. Deze
leerlingen, waaronder kunstenaars als Giulio Romano, Giovanni da Udine,
Pierino del Vaga, Francesco Penni, die zelf uitnemende meesters
en hoofden van scholen zijn geworden, waren zeer talrijk: Vasari
verzekert ons, dat Raphaël door een stoet van vijftig leerlingen
omringd was. Het is dus niet te verwonderen, dat de uitvoering der
rijke kunstwerken in deze _Loggie_ niet altijd even voortreffelijk
is: maar voorzeker pleit het voor de macht van Raphaëls genie en
de bezieling, die hij op zijne leerlingen wist uit te oefenen,
dat de gansche prachtige decoratie zoo in éénen geest is opgevat,
van ééne gedachte doordrongen. Men had niet lang te voren de baden
van Titus opgegraven, en daar tot dusver onbekende proeven gevonden
van de decoratieve kunst der ouden; de motieven, hem hier aan de
hand gedaan, heeft Raphaël met het grootste geluk en met fijnen takt
weten te gebruiken, en daarbij eene geestvolle oorspronkelijkheid,
eene uitdrukking en teederheid des gevoels aan den dag gelegd,
waarvan men in de oudheid misschien vergeefs het voorbeeld zou zoeken.
In elk der dertien koepels zijn vier fresko's aangebracht, die allen
aan de bijbelsche geschiedenis zijn ontleend; van deze twee-en-vijftig
fresko-schilderijen bevatten acht-en-veertig voorstellingen uit het
Oude Testament; alleen voor de vier laatsten is het onderwerp aan de
Evangeliën ontleend. De plaatsing dezer fresko's tegenover elkander,
aan de vier zijden des koepels, waarvan het middelste ledig blijft,
is zeer ondoelmatig en maakt de bezichtiging uiterst moeilijk. Wilt
ge iets zien, dan zijt ge verplicht, met het hoofd zoover mogelijk
in den nek, u twee-en-vijftig maal om te draaien! Daar komt bij dat
de schilderijen in de loges, evenals die in de kamers, veel geleden
hebben, toen, zeven jaren na Raphaëls dood, Rome door den Connétable
de Bourbon werd bestormd en ingenomen. De soldaten van Bourbon,
voor het grootste deel Duitschers en Lutherschen, gedroegen zich als
echte barbaren; zonder eenigen eerbied voor de heerlijke kunstwerken,
beschadigden zij de prachtige galerij met hunne pieken en hellebaarden,
en legden vuur aan in de loges, in de _Stanze_! De restauratie der
schilderijen in de loges werd aan Sebastiaan del Piombo toevertrouwd,
en viel zoo slecht uit, dat Titiaan, toen hij in 1545 de _Loggie_
bezocht, onder geleide van zijn landgenoot Sebastiaan del Piombo,
verontwaardigd vroeg, welke barbaar zoo heerlijke werken had
onteerd? Sebastiaan bleef het antwoord schuldig, en, zegt Benvenuto
Cellini in zijne gedenkschriften: "_rimase veramente_ DEL PIOMBO."
Het was eene gevaarlijke taak om, na Michel-Angelo, den Bijbel te
willen illustreeren, en met name de scheppingsgeschiedenis: toch
heeft Raphaël die taak ondernomen, en mag zijn werk naast dat van
den grooten meester worden genoemd. Hij had daarbij te worstelen met
de kleine afmetingen zijner schilderijen, maar vermocht nogthans
inderdaad groot te zijn en verheven composities te scheppen. De
twee-en-vijftig fresko's zijn evenwel maar voor een gering deel
van zijne hand, al mogen wij aannemen dat hij voor bijkans allen
de oorspronkelijke schetsen ontwierp, die dan verder door zijne
leerlingen werden uitgewerkt. Het is hoogst moeilijk met juistheid
te bepalen, wie de vervaardigers der verschillende fresko's zijn:
Giulio Romano, Penni, Pellegrino da Modena en Pierino del Vaga zijn
wel de voornaamste medearbeiders van den meester geweest; vooral de
eerste, van wien eenige der beste stukken afkomstig zijn.
Er kan natuurlijk geene sprake van zijn, deze twee-en-vijftig
schilderijen, de zoogenaamde Bijbel van Raphaël, stuk voor stuk,
te gaan beschrijven; ook eene beschrijving van sommigen zou,
zonder afbeelding, niet veel baten. De onderwerpen zijn toch meest
allen algemeen bekend; de voortreffelijkheid ligt in de wijze van
uitvoering, meer nog dan in de diepe gedachte; en om aan deze recht
te laten wedervaren is aanschouwing, zoo niet van het origineel,
dan toch van eene goede kopie, noodig. Bovendien mogen wij ons te
eer ontslagen rekenen van de uitvoerige beschrijving dezer loges,
daar wij langer denken te vertoeven in de _Stanze_ of kamers, het
eigenlijke heiligdom van Raphaëls kunst, voor hem, wat de Sixtijnsche
kapel voor Michel-Angelo is. Laat ons derwaarts gaan.
Beginnen wij met de zaal, aan welke, zoowel uit een chronologisch als
uit een artistiek oogpunt, de eerste plaats toekomt: de dusgenaamde
_Stanza della Segnatura_. Toen Raphaël in 1508 te Rome kwam, droeg
paus Julius II den toenmaals vijf-en-twintigjarigen kunstenaar in de
eerste plaats de versiering dezer zaal op, aldus geheeten omdat een
der hoogere geestelijke gerechtshoven daar zijne zittingen hield,
en de paus daar de stukken, die hem werden voorgelegd, door zijne
onderteekening bekrachtigde. Het was om niets minder te doen dan
om eene symbolische voorstelling van geheel het geestelijk leven
der menschheid, zich ontwikkelende onder de hoede en leiding der
moederkerk en medewerkende tot hare heerlijkheid: eene taak, waarbij
de jeugdige meester zijn eigen weg moest gaan en geen voorbeelden had,
die hij volgen kon. Zien wij, hoe hij zich van die taak gekweten heeft.
Vier groote tafereelen bedekken de vier wanden. Het eerste en
voornaamste, het hart en het bezielend middelpunt van al de anderen,
van geheel de heerlijke decoratie, is de verkeerdelijk dusgenaamde
_Disputa del Sacramento_: het geldt hier immers geen twist, maar
veelmeer eene volkomene harmonie. Hoe zal ik u een getrouw denkbeeld
van deze wonderschoone conceptie geven? De grondgedachte der schilderij
is de op verschillende wijze zich openbarende geloovige gemeenschap met
het heilig sacrament, als de geestelijke vereeniging van het goddelijk
Wezen met de gemeente: het beeld van de levende tegenwoordigheid Gods
in de strijdende en de triomfeerende kerk. Dunkt u deze gedachte te
abstract, te metaphysisch, ongeschikt voor de plastische kunst? Het
ware niet te verwonderen, gewoon als wij zijn dat de kunst, in onze
dagen en vooral in ons land, zich maar weinig verheft boven de meest
gewone sfeer des alledaagschen levens en zich vooral zorgvuldig
verre houdt van hetgeen, hetzij van den kunstenaar, hetzij van den
aanschouwer, eenige inspanning der gedachte vorderen zou. Maar in de
zestiende eeuw, toen de dingen der geestelijke wereld nog niet door de
zoogenaamde werkelijkheden des praktischen levens waren verdrongen en
naar het schemerend gebied der mogelijkheden en hypothesen verwezen;
toen de menschen nog voor dusgenaamd metaphysische vragen zin en hart
hadden, die verstonden en ze gewichtig genoeg achtten om daaraan een
voornaam deel hunner belangstelling te schenken;--in de zestiende eeuw
bestond noch deze schroom, noch deze onvatbaarheid. De tijdgenooten
van Michel-Angelo en Raphaël, al mocht hun ook de beteekenis van
enkele bijzonderheden, de symboliek van sommige details ontsnappen,
begrepen zeer goed de hoofdgedachte, die in de diepzinnige scheppingen
dezer groote meesters was nedergelegd. En zoo voor ons deze taal
veel van hare duidelijkheid verloren heeft,--welnu, laten wij ons
voor een enkele maal losmaken van de beschouwing van rookende boeren
en visschers, van keukenmeiden en kameniers, van hofjesjuffrouwen en
aangekleede poppen, van koeien en katten en kippen; en trachten wij
eens te begrijpen, wat een genie als Raphaël ons ten aanzien van de
hoogste levensvragen te zeggen heeft.
In het midden, boven aan den rand der schilderij, ziet ge God den
Vader, wiens woord scheppend en herscheppend de gansche stoffelijke
en geestelijke wereld draagt, vervult, bezielt; engelen omzweven
hem. Iets lager, Christus, God de Zoon, met de teekenen van zijn
verzoenend lijden en sterven, ter wederzijde, in aanbiddende houding,
omgeven door de twee eerste getuigen van zijn leven op aarde: de
heilige-maagd en Johannes de Dooper. Wederom iets lager, God de
Heilige Geest, in de gedaante eener Duive, nederzwevende naar de
aarde, en omgeven door vier bevallige engelenfiguren, die de vier
geopende Evangeliën dragen. Deze goddelijke groep in de wolken blijft
daar niet afgezonderd: een straal van het licht des Heiligen Geestes
daalt neder op het sacrament, op het altaar geplaatst, dat van onderen
het midden der schilderij inneemt. Het is onmogelijk het schijnbaar
zoo abstracte en--ook voor wien er niet aan gelooft--zoo verheven
diepzinnige leerstuk der Eucharistie, op eenvoudiger en aangrijpender
wijze voor te stellen. De Jacobsladder, die den hemel met de aarde
verbindt, staat opgericht: God woont onder de menschen. En zie, velen
reeds zijn langs dien ladder opgestegen; velen hebben reeds in die
gemeenschap met God de kiem des nieuwen levens ontvangen, die zich
eerst daarboven, in de hoogere wereld, ten volle ontplooit. Nevens
de heerlijke groep der goddelijke Drieëenheid, scharen zich, door
lichtende wolken gedragen, de patriarchen en profeten, de apostelen
en martelaars des ouden en nieuwen verbonds. Ter linkerzijde:
Petrus met de sleutelen des Hemelrijks; nevens hem Adam, de eerste
zondaar; dan Johannes, de Apostel der liefde, de blijde boodschap
opteekenend: dan David, de stamvader van Christus; dan Stephanus, de
eerste bloedgetuige; en eindelijk nog een heilige, half door de wolk
omhuld. Ter rechterzijde: Paulus met het zwaard; nevens hem Abraham,
de vader der geloovigen; Jacobus, de Apostel der hoop; Mozes met de
tafelen der wet; Sint-Laurens, de diaken; en eindelijk Sint-George,
de schutspatroon der ridderschap, wier eerste plicht de verdediging
der kerk was. Zij allen, reeds der hemelsche heerlijkheid deelachtig,
vertegenwoordigen de zegepralende kerk:--dit gansche indrukwekkende
gedeelte der schilderij is als het ware eene vertolking van de eerste
strofen van dien prachtigen alouden hymnus _Te Deum laudamus_....
En nu, daar beneden herhaalt zich hetzelfde tooneel. Gelijk daarboven
om de Godheid zelf, de verheerlijkte getuigen der waarheid, zoo zijn
hier op aarde, rondom het heilig sacrament, als het zichtbaar teeken
van Gods tegenwoordigheid, de leeraars en priesters geschaard der
strijdende kerk, de helden des woords en der gedachte; de kunstenaars
en wijzen, de eenvoudigen uit het volk. Nevens het altaar staan, op
de eerste plaats, vier kerkvaders: Sint-Hieronymus en Sint-Gregorius
de Groote; aan de eene; Sint-Ambrosius en Sint-Augustinus aan de
andere zijde, verzonken in de aanbidding van het heilig sacrament of
in de overpeinzing van het goddelijk mysterie. Achter en nevens dezen
scharen zich de groote leeraars der kerk en der school: Sint-Bernard,
Petrus Lombardus, Duns Scotes, Thomas van Aquino, Sint-Bonaventura,
Innocentius III. Onder de dichters en denkers komt de eerste plaats
toe aan Dante, den koninklijken zanger, den grootsten dichter
der christenheid; verder ziet ge hier Savonarola, fra Angelico, en
voorts eene gansche schaar van geleerden, geestelijken, jongelingen,
mannen, half in de schemerende verte verloren, maar toch allen met
eene bepaalde bedoeling daar geplaatst. Want, zoo ge de verschillende
figuren en groepen meer van nabij beziet, zult ge bespeuren dat zij
elk, door houding, plaatsing of bezigheid, eene bijzondere schakeering
der ééne algemeene gedachte moeten voorstellen: een rijkdom van
fantazie en vindingskracht, die welhaast ons begrip te boven gaat.
Ziedaar eene zeer flauwe schets van deze wondervolle schilderij, naar
het oordeel van bevoegde rechters het voortreffelijkste wat Raphaël
ooit heeft voortgebracht, en zeer zeker ten volle waardig naast de
meest verheven scheppingen van Michel-Angelo te worden gesteld. Welk
een éénig oogenblik in de geschiedenis der kunst, toen deze beide
geniën in dit vatikaan te zamen arbeidden: de eene aan het gewelf
der Sixtijnsche kapel, de ander aan de Stanza del la Segnatura!
De andere schilderijen dezer zaal zullen wellicht, gemakkelijker
begrepen worden. Toch vormen zij met het zooeven beschrevene eene
onverbrekelijke eenheid, waarin niet een enkele schakel kan worden
gemist. Met elkander illustreeren zij het leven der menschelijke
ziel, in hare vier hoogste uitingen: de godsdienst, de wijsbegeerte,
de poëzie en het recht.
Tegenover de godsdienst--de _Disputa_--prijkt de apotheose der
wijsbegeerte--de _School van Athene_: het humanisme der klassieke
wereld tegenover het geloof der christelijke; hier het zoeken
naar de waarheid, daar de aanbidding en toeëigening der gegeven
waarheid. In een prachtigen tempel zijn, in heldere, fijndoordachte
groepeeringen, de hoofdrichtingen der helleensche philosophie, in
hare voornaamste typen, afgebeeld: op den voorgrond de korypheëen
der natuurwetenschap, op den achtergrond, op eene verhevenheid,
de uitnemendste vertegenwoordigers van de hoogere wetenschap des
geestes. In het midden, onder den koepel, staan de twee groote
leiders der grieksche wijsbegeerte, Plato en Aristoteles: de
eerste met de rechterhand ten hemel wijzende, waar de eeuwige idee
troont, waarvan deze zichtbare, voorbijgaande wereld slechts eene
onvolkomen afschaduwing is; de ander, naar de aarde wijzende, als
den vasten bodem der werkelijkheid. Om hen heen groepeeren zich de
verschillende scholen: ja, het gansche geestelijke en intellectuëele
leven der oude wereld is hier, in zinrijke en bevallige groepen, met
onnavolgbare waarheid voorgesteld. De beschikbare ruimte verbiedt
ons, al deze groepen te analyseeren en de namen der voorgestelde
personen, waarvan sommigen bovendien twijfelachtig zijn, te noemen;
ge zoudt er ook weinig aan hebben, zoo ge het stuk zelf niet voor
u hadt. Een enkel woord tot toelichting van de heerlijk schoone
groep der mathematici, waarvan eene afbeelding hiernevens gaat. De
meester, die, voorover gebukt, mathematische figuren teekent, is
Archimedes--het portret is dat van Bramante--omgeven door eenige
leerlingen, die deels de bewijsvoering begrijpen, deels zich inspannen
om de beteekenis daarvan te vatten. De schrijvende, tegen de pilaar
geleunde figuur op het tweede plan is een eclectius; nevens hem,
met eene spottende uitdrukking op het koude gelaat, staat Pyrrho,
de scepticus; de half afgewende figuur, in den philosophenmantel
gedrapeerd, is Archesilaos, de stichter der nieuwe akademie, met hare
waarschijnlijkheid-theorie.--Eene menigte studiën, nog voorhanden,
bewijzen, hoe ernstig Raphaël zijne taak opvatte, en hoeveel moeite
hij zich gaf, om zijn arbeid tot de hoogst mogelijke volkomenheid
te brengen. De _School van Athene_ behoort dan ook zeker tot zijne
uitnemendste scheppingen, merkwaardig vooral door de geestvolle,
waarlijk geniale wijze, waarop hij de stof behandelde, en de
verschillende richtingen in het geestelijk leven der oude wereld in
sprekende typen en beteekenisvolle groepen wist aan te duiden, zonder
schade te doen aan de heerlijke eenheid der geheele voorstelling.
Ziehier, in eene dubbele schilderij, door een venster gescheiden,
de bedeeling van het wereldlijk en het geestelijk recht: _keizer
Justinianus aan Trebonianus de digesten overreikende_, en _paus
Gregorius IX de decretalen aan een konsistoriaal-advokaat ter hand
stellende_. Paus Gregorius is gekopieerd naar Julius II; de beide
kardinalen achter zijn zetel zijn Johannes de Medici, later Leo X, en
Alexander Farnése, die als Paulus III den heiligen stoel beklom. Boven
het venster, eene symbolische voorstelling van de drie hoofddeugden,
die den grondslag des rechts behooren te vormen: de _Waarheid_,
met twee aangezichten, naar het verleden en de toekomst gekeerd; een
genius houdt haar den spiegel, een ander den fakkel voor;--de _Kracht_,
met een eikentak in de hand (zinspeling op den geslachtsnaam van paus
Julius II, della Rovere) en op een leeuw gezeten; en de _Matigheid_,
met een teugel in de hand. Hooger, aan de zoldering, het beeld der
_Gerechtigheid_, met de diadeem gekroond, het zwaard in de rechter-,
de weegschaal in de linkerhand.
En wat te zeggen van die verheerlijking der poëzie, den _Parnassus_,
waar alle groote dichters der oudheid en van het Italië der
middeleeuwen en der renaissance vereenigd zijn om Apollo en de
Muzen! Aan de herleving der oude letteren gewijd, ademt deze
prachtige, door heerlijke lichtverdeeling uitmuntende schilderij
geheel de geestdrift van de eerste jaren der onvergelijkelijke
zestiende eeuw. Onder de Muzen, die in twee bevallige groepen Apollo
omgeven, heeft Raphaël ook aan Sapho eene plaats gegund, en wel onder
de gedaante van Imperia, eene vrouw, die destijds te Rome ongeveer
dezelfde rol speelde als Aspasia ten tijde van Pericles te Athene: eene
echte grieksche _hetaire_ in dezen half-klassieken tijd. Aan de voeten
van Apollo zit eene andere beroemde vrouw uit die dagen, en eene wier
naam geen smet draagt: de schoone Vittoria Colonna, echtgenoote van den
Markies van Pescaro, en later de vriendin, de troosteresse, de zeggende
engel van Michel-Angelo in zijn ouderdom. De betrekking tusschen deze
beide groote en goede menschen, den heros op het gebied der kunst
Michel-Angelo en de vorstelijke edelvrouwe Vittoria Colonna, is op zich
zelf eene der treffendste episoden uit dezen zeldzaam rijken, schoonen
tijd.--Homerus en Pindarus, Virgilius en Dante, Alcaeus, Horatius,
Ovidius, Propertius, Ennius, Plantus, Terentius, Boccacio, Petrarca,
Sannazzaro, die liederen dichtte ter eere der Madonna, omringen op
den heiligen berg de groep der Zanggodinnen. Sommigen hebben met
verwondering de afwezigheid opgemerkt van een der grootste dichters
van Italië, die bovendien een persoonlijk vriend van Raphaël was, van
Ariosto, die op den _Parnassus_ ontbreekt; maar deze zaal werd in de
jaren 1508 tot 1511 beschilderd, en de _Orlando Furioso_, die den roem
van Ariosto vestigde, verscheen eerst in 1519; de dichter had voor dien
tijd slechts enkele dramatische gedichten van twijfelachtige waarde in
het licht gegeven. De afwezigheid van Ariosto is dus geene vergissing,
maar veeleer een bewijs voor de onpartijdigheid van Raphaël.
Mij rest nog een enkel woord te zeggen van de bekende en beroemde
symbolische figuren aan de zoldering, die boven de vier genoemde
schilderijen zijn aangebracht, en de Theologie, de Philosophie, de
Poëzie en het Recht voorstellen. Deze laatste beschreef ik reeds. De
_Theologie_ vindt haar plaats boven de _Disputa_; zij is voorgesteld
op de wolken troonende, met een lauwerkrans om de slapen (Dante's
Beatrice); in de linkerhand houdt zij een boek; met de rechterhand
wijst zij op het groote tafereel aan den wand onder haar. Twee
engeltjes nevens haar houden twee tafels, waarop de woorden: "Kennis
der goddelijke dingen."--Onder dat beeld, eene heerlijke schilderij van
den _Zondeval_, in opvatting en wijze van behandeling aan Michel-Angelo
herinnerende.--De _Philosophie_, boven de _School van Athene_, is eene
peinzende vrouwenfiguur, op een marmeren zetel met het beeld der Diana
van Ephesus versierd; zij houdt het boek der natuur- en der zedeleer
(ethica) in de hand, het opschrift op de tafels der engelbeeldjes
luidt: "Kennis der oorzaken".--Daaronder de beschouwing van den
sterrenhemel.--Heerlijk schoon is vooral het beeld der _Poëzie_,
eene gevleugelde vrouwengestalte met een lauwerkrans om hot hoofd,
een gouden lier in de eene, een boek in de andere hand; zij zit op
een marmeren zetel, met tragische maskers versierd en door wolken
gedragen; de gansche heerlijke figuur schijnt ten hemel te zweven. De
beide engelen nevens haar dragen de schilden met het opschrift:
"Ademtocht der Godheid" (_Numine affiatus_).--Daaronder de mythe van
den wedstrijd van Apollo met Marsyas.
Ik heb gepoogd u een denkbeeld te geven van dit heiligdom der kunst,
waar de schoonste scheppingen van Raphaël worden bewaard: scheppingen,
die vooral niet minder getuigen van zijn rijken, veelzijdigen geest,
zijne uitgebreide wetenschap en zijn dichterlijken blik, dan van zijne
in sommige opzichten ongeëvenaarde bekwaamheden als schilder. Maar
wat geen woorden naar eisch kunnen wedergeven, dat is de indruk,
dien deze geheele zaal op u maakt, met haar volheerlijke decoratie,
zoo schitterend rijk van kleur en toch in het minst niet verward,
niet vermoeiend, maar volkomen harmonisch. Nergens eenige overlading:
ge ziet slechts wat ge zoekt, en dat volkomen en in al zijn deelen;
maar als ge nauwkeuriger toeziet, ontdekt ge een wereld van nieuwe
schoonheden, die, in hare soort niet minder voortreffelijk, zich
evenwel niet opdringen en uwe aandacht afleiden, maar bescheiden
wachten tot ze opgemerkt worden. De decoratieve schilderkunst heeft
wellicht nooit volmaakter werken gewrocht dan in Raphaëls Loges
en Stanzen. De meester toont zich hier ook in al zijne grootheid
als kolorist.
In de andere zalen behoeven wij ons niet zoo lang op te houden; zij
zijn later vervaardigd, en Raphaël heeft zich hier, veelmeer dan in de
_Stanza della Segnatura_, door zijne leerlingen laten bijstaan.--Aan de
kamer _della Segnatura_ grenst die van _Heliodorus_, aldus genoemd naar
eene der vier fresko's. De schilderijen in deze zaal moeten in beelden
de waarheid teekenen, dat God ten allen tijde zijne kerk nabij en haar
beschermer is; daarmede verbindt zich evenwel een ander denkbeeld,
door de politieke toestanden dier dagen aan de hand gedaan: namelijk de
handhaving der italiaansche nationaliteit tegenover de vreemdelingen,
hier de Franschen: de doorgaande politiek der pausen, met name van
Julius II en Leo X--De stof voor de groote fresko van Heliodorus
leverde het boek der Makkabeën. Daarin wordt verhaald hoe Heliodorus,
de schatmeester van koning Seleucus, door dezen naar Jeruzalem werd
gezonden om den tempelschat weg te voeren. De hoogepriester Onias
weigerde den schat over te geven, zeggende dat die het eigendom was
der weduwen en weezen; Heliodorus drong nu met geweld in den tempel
door om den schat te rooven, maar werd in zijn boos opzet gestuit
door de verschijning van engelen, die hem en de zijnen verdreven. De
zinspeling op de verdrijving der Franschen uit Italië wordt nog
duidelijker gemaakt door een opzettelijk anachronisme: de verschijning
van paus Julius II in vol ornaat, gedragen op de _Sedia gestatoria_,
door vier dragers, die allen personen uit Raphaëls omgeving verbeelden.
Dezelfde dubbele beteekenis heeft een tweede fresko: de _Ontmoeting
van Attila met paus Leo den Groote_. De geweldige Hunnenkoning,
ten jare 452 in Italië gevallen, is tot Rome genaderd, dat hem geen
weerstand bieden kan. Paus Leo I, met recht de Groote bijgenaamd,
trekt, met een klein gevolg van geestelijken, Attila te gemoet, en
bedreigt hem met de wraak des hemels, indien hij de heilige stad,
die onder de bijzondere bescherming der apostelen Petrus en Paulus
staat, durft aanranden; hij wijst hem op het voorbeeld van Alarik,
die de plundering van Rome maar korten tijd overleefde. En Attila,
hetzij dan getroffen door het waardige voorkomen en de ernstige taal
van den opperpriester, hetzij om eenige andere reden, trekt zich
terug en laat Rome ongemoeid.--Op de fresko ziet ge Attila, op een
zwart paard gezeten, te midden zijner legerbenden; de paus, op een
witten muilezel, trekt hem te gemoet, vergezeld door twee kardinalen
en verder gevolg. Boven den paus zweven, in stralenden lichtglans, de
gestalten der apostelen Petrus en Paulus, voor welke Attila verschrikt
terugdeinst.--De schilderij is tevens eene verheerlijking van de
verdrijving der Franschen, na hunne nederlaag bij Novara in 1513:
paus Leo de Groote is het portret van Leo X, die in datzelfde jaar
aan de regeering was gekomen.
Merkwaardig is vooral de derde fresko: _de Bevrijding van Petrus uit
den kerker_, naar het verhaal der handelingen. Een venster verdeelt
de schilderij in drie groepen, waarvan de kunstenaar met grooten takt
gebruik heeft gemaakt voor de voorstelling van drie verschillende
episoden. Boven het venster, wordt de slapende apostel door den engel
gewekt; ter rechterzijde leidt de engel hem door de slapende wachters
heen; ter linkerzijde ziet ge het ontwaken der verbaasde soldaten, wier
gevangene ontkomen is. Met tot dusver ongeëvenaard talent zijn hier
de meest verschillende lichteffecten aangebracht: het blauwachtige
schijnsel der maan, de rosse gloed der fakkels, en de stralende
krans van wit licht, die den engel omgeeft en zich weerspiegelt in de
harnassen der soldaten. Toch zijn deze zoo verschillende tonen niet
met elkander in strijd, maar vereenigd in de schoonste harmonie. Dit
meesterstuk symboliseert te gelijkertijd de ontvluchting van Leo X,
toen hij, destijds pauselijk legaat, na den slag van Ravenna, in
handen der Franschen gevallen, als monnik vermomd, ontsnapte.
De vierde groote fresko in deze zaal is de zoogenaamde _Mis van
Bolsena_. De overlevering verhaalt, dat ten jare 1263, onder de
regeering van Urbanus IV, een duitsch piester, die aan de waarheid van
het leerstuk der transsubstantiatie twijfelde, eensklaps, terwijl hij
in de kerk van Santa-Cristina te Bolsena de mis bediende, bloed uit
de hostie zag vloeien, ten bewijze van de werkelijke tegenwoordigheid
des Heeren. Ook deze schilderij is door een venster in drie deelen
gesplitst. Boven, ziet men den priester met het altaar en den paus
(portret van Julius II), die knielende bij de consecratie tegenwoordig
is; ter wederzijde van het venster, aan den eenen kant het gevolg van
den paus, aan den anderen, de gemeente. Niet alleen door de dramatische
levendigheid en de aangrijpende waarheid der voorstelling, maar vooral
door het prachtige en schitterende koloriet, behoort deze fresko tot
Raphaëls beste werken.
Aan de zaal, naar Heliodorus genoemd, grenst die van _Constantijn_, de
eerste, die de bezoeker uit de Loges komende, binnentreedt. De fresko's
van dit vertrek zijn geen van allen van de hand van Raphaël; hoogstens
heeft hij voor enkele beelden en groepen de kartons geleverd. De
beschildering dezer zaal, in 1519, alzoo een jaar vóór Raphaëls dood,
aangevangen, werd eerst in 1526 door zijne leerlingen voltooid; ook uit
het oogpunt der kunst is deze _Stanza_ gewis de minste van de vier. De
vier fresko's, waarvan geene uitvoerige beschrijving noodig is,
stellen voor: het _Visioen van Constantijn_--het bekende verhaal van
de verschijning van het kruis in de wolken, met het omschrift: _In hoc
signo vinces_, in dit teeken zult gij overwinnen,--welke verschijning
den keizer bewoog tot het christendom over te gaan;--voorts de _Slag
van Constantijn tegen Maxentius_, bij de Milvische brug (Ponte Molle),
zeker het beste stuk van allen in deze zaal, grootendeels naar een
karton van Raphaël door Giulio Romano geschilderd;--de _Schenking van
Rome aan den paus_, volgens de bekende overlevering dat Constantijn,
bij het overbrengen van den rijkszetel naar byzantium, de heerschappij
over Rome aan paus Sylvester zou hebben overgedragen;--en eindelijk
de _Doop van Constantijn_, door paus Sylvester: eene symbolische
voorstelling, daar paus Sylvester den keizer niet heeft gedoopt.
En nu, nogmaals de Stanzen _dell' Eliodoro_ en _della Segnatura_
doorgaande, komen wij in de laatste zaal, naar de overbekende
schilderij van den _Brand in den Borgo_, de _Stanza dell' Incendio_
genoemd. De fresko's in deze zaal werden in de jaren 1514 tot 1517
vervaardigd; alleen _de Brand_ is geheel van de hand van Raphaël;
de drie anderen zijn, zoo niet geheel, dan toch stellig voor
verreweg het grootste gedeelte, door zijne leerlingen geschilderd;
allen hebben veel geleden en zijn sterk en dikwerf zeer onhandig
bijgeschilderd en gerestaureerd.--Men verhaalt dat in het jaar 847
een geweldige brand, die in den Borgo (voorstad) was uitgebarsten
en zelfs de Pieterskerk bedreigde, door paus Leo IV, met het teeken
des kruises, werd gestuit en gebluscht. Dit verhaal leverde de stoffe
voor deze beroemde schilderij; met juisten takt heeft Raphaël echter
den biddenden paus op den achtergrond, in eene sedert weggebroken
_loggia_, geplaatst--het wonder-zelf was toch niet af te beelden;--en
al zijn kracht en talent gewijd aan het levendig dramatisch tooneel
op den voorgrond, waar de brand nog in al zijne felheid woedt, en
de verschillende groepen van vluchtelingen en anderen, die ter hulp
toesnellen, hem de rijkste gelegenheid boden tot ontvouwing van zijn
uitnemend talent als teekenaar en kolorist.
Wat heeft Raphaël bewogen, juist deze stof te kiezen? Zeker niet
het feit van den brand zelf: er ware dan hoegenaamd geen verband
tusschen deze fresko en de drie anderen in dezelfde zaal; en toch
zien wij overal, in elk vertrek, ééne zelfde gedachte de keuze der
verschillende onderwerpen bepalen. Ook in de _Stanza dell' Incendio_
ontbreekt deze eenheid niet; de gedachte, die hier moest verzinnelijkt
worden, is eene zuiver politieke, meer nog dan in de _Stanza dell'
Eliodoro_, doch in omgekeerden zin. Gold het daar, de verdrijving
der Franschen uit Italië te vieren, thans moest het verbond van den
pauselijken stoel met den franschen koning worden verheerlijkt;--het
was na de samenkomst te Bologna! De overgang is sterk genoeg. Is in
de Heliodorus-zaal de voor den paus wijkende Attila eigenlijk Frans I,
hier ontmoeten wij hem weder, maar in gansch ander karakter. Zie hier
de _Kroning van Karel den Groote_, door paus Leo III. Karel de Groote
is het sprekend gelijkend portret van Frans I; evenals Leo III, dat
van Leo X; de schepter des keizers is met de fransche lelie gekroond;
de page, die de kroon van Lombardye draagt, is Ippolito de Medici,
neef van den paus, wellicht een vriendelijke wenk aan het adres van
koning Frans!--Dezelfde soort van vleierij heeft de hand bestuurd
van den vervaardiger van de fresko, de _Rechtvaardiging van Leo
III voor Karel den Groote_, waar wederom de portretten der beide
hoofdpersonen aan de tijdgenooten van Raphaël herinneren.--De vierde
fresko eindelijk stelt de _Overwinning op de Sarracenen bij Ostia_
onder Leo IV voor; eene zinnebeeldige oproering ten kruistocht tegen
de ongeloovigen. Naar men zegt, zou deze schilderij haar ontstaan
te danken hebben aan een zonderlinge gebeurtenis. Na den dood van
zijn broeder Julius, in 1515, had Leo X zich te Citta-Lavinia, nabij
Ostia teruggetrokken; en zoo groot was destijds de onveiligheid der
italiaansche kusten, dat het weinig had gescheeld, of de paus was op
klaarlichten dag door de barbarijsche zeeschuimers opgelicht!
Deze schilderijen hebben dus alle betrekking op de zegepraal der
kerk, vooral ook door de hulp en ondersteuning van haar genegen
vorsten. Vandaar dat in deze zelfde zaal de beeltenissen voorkomen
van zes beschermheeren der kerk; Constantijn de Groote, Karel de
Groote, Godfried van Bouillon, Astolph, Ferdinand de Katholieke en
keizer Lotharius. Nu--de _Brand_ past in hetzelfde kader, al moge de
zinspeling wat ver gezocht zijn. Na den vrede met Frankrijk in 1515,
vleide Leo X zich, den reeds zoo lang woedenden oorlog voor goed
bedwongen, en den vrede van Europa voor langen tijd verzekerd te
hebben. Hij had, door zijne persoonlijke tusschenkomst, dit wonder
gewrocht, evenals zijn voorganger Leo IV eenmaal op wonderdadige
wijze den brand had gestuit, die het heiligdom der kerk bedreigde....
De politiek is geen gezonde atmosfeer, met name niet voor de
kunst. Waar de groote meester zijn genie moest dienstbaar maken aan de
toelichting en verheerlijking van politieke gedachten en bedoelingen,
daar was hij zich zelf niet meer. Vandaar ook, dat deze Stanzen,
hoeveel voortreffelijks zij overigens mogen bevatten, hoezeer Raphaëls
talent voor het dramatische, voor het volle, bewogen, historische
leven, zich hier menigmaal in al zijne kracht toont, toch op verre na
de vergelijking niet kunnen doorstaan met die heerlijke _Stanza della
Segnatura_, waar de dichter, de bezielde kunstenaar, wiens geest de
verhevenste gedachten, de hoogste idealen der menschheid had omvat,
zich in al zijne weergalooze majesteit, in al de diepte en den rijkdom
van zijn machtig en liefelijk genie toonde. Naar deze _Stanza_ keert
ge telkens terug, en bij elk nieuw bezoek klimt uwe bewondering, uw
eerbied, uwe liefde voor den meester, den waardigen mededinger van
Michel-Angelo, in liefelijkheid en harmonisch evenwicht winnende wat
hij, bij dezen vergeleken, miste in kracht en oorspronkelijkheid.
In het werk, in het genie dezer beide mannen vat zich de geheele
gedachte, het gansche streven der ware renaissance samen: de
esthetische wereldbeschouwing der oudheid, doordrongen en geheiligd
door de ethisch-religieuse der christelijke kerk. Beiden hebben zij,
ieder op zijne eigenaardige wijze, naar de verwezenlijking van dit
heerlijk ideaal gestreefd, en bijna hun doel bereikt. Ach, waarom
mocht deze volschoone bloem, wier gelijke de wereld wellicht nooit
aanschouwde, maar zoo kort bloeien? Was dit ideaal, toch met zoo
aangrijpenden, zoo tragischen ernst, door zulke mannen en vele anderen,
in kracht en genie hun nabij komende, geloofd en nagejaagd, niets dan
een ijdel droombeeld? En had de puriteinsch-ascetische reactie recht,
die straks, ook te Rome, al zulk streven veroordeelde, en den edelen
zanger der _Gerusalemme liberata_, een der laatste zonen van de echte
renaissance, het harte brak? En had ook de latere kunst recht, toen
zij zich gaandeweg al meer losmaakte van de ideale wereld der gedachte,
van de godsdienstige traditie, om, nu niet langer priesteresse, neder
te zitten op de markt des alledaagschen levens, en aan hetgeen daar
rondom haar voorviel, hare stoffe te ontleenen?
Doch wij mogen ons in deze overwegingen niet verdiepen, hoe uitlokkend
het onderwerp ook zij. Wij gaan het vatikaan verlaten, dat wij--te
vluchtig en te oppervlakkig--hebben doorwandeld. Wat dit vatikaan
is--het valt moeielijk dit in weinige woorden uit te drukken: het
is eene wereld op zich zelf. Hier, binnen deze gewijde muren, kunt
ge u laven aan de zuiverste bronnen van menschelijke wetenschap en
litteratuur, op gewijd en ongewijd gebied; hier kunt ge de kunst,
zoo der oude als der nieuwe wereld, bestudeeren in hare hoogste
volkomenheid, in hare rijkste verscheidenheid; hier herleeft voor u,
in sprekende, levende beelden, de geschiedenis der gansche beschaafde
wereld, sedert meer dan drieduizend jaren. En deze woorden, hoe
fabelachtig ze mogen klinken, zijn toch niets dan de sobere waarheid:
het oude Egypte reikt hier immers, over Griekenland en Rome heen,
de hand aan de Renaissance!....
En nu zwijg ik nog van de herinneringen aan dit geheel eenig paleis
verbonden, waarvan de oorsprong opklimt tot de regeering van paus
Symmachus (498 tot 514), waar Karel de Groote heeft vertoefd, en
waaraan schier alle pausen, tot Pius IX toe, hebben gebouwd. Dit
vatikaan is in zekeren zin Rome in het klein; evenals de stad zelve,
een inbegrip van de geschiedenis der europeesche menschheid, de
kweekplaats van de moderne beschaving, de metropolis der christelijke
wereld. Voorwaar, indien de rang en het karakter eener stad worden
bepaald, niet zoozeer door hare geographische ligging, maar veelmeer
door haar verleden, door hare traditiën, door hare geestelijke
beteekenis:--wat dunkt u, heeft dan de katholieke kerk geen recht,
om Rome hare hoofdstad te noemen? Geen wonder, dat zij dit recht
blijft handhaven tegenover een staatkundige macht, die haar tracht
te te overweldigen.
Doch wij willen de kalme, verhevene, heilige stemming, waarin het
bezoek van het vatikaan ons heeft gebracht, niet verstoren door
politieke afwijkingen.--Nemen wij veel meer de herinnering aan dit
heiligdom der kunst, der godsdienst, der geschiedenis, als een stillen
zegen, mede in ons gemoed.